De Nederlandse Hervormde Kerk los van haar wortels in de geschiedenis
Hervormd gereformeerde ambtsdragers bijeen over Samen op Weg
We zijn hier vandaag bijeen in een samenkomst, die in het teken staat van gebed en bezinning. Dat betekent, dat alles wat we hier vandaag zeggen ook gebéden moet kunnen worden. De woorden, die we tot elkaar zeggen, moeten we ook aan de Koning der Kerk kunnen voorleggen. Ik ben me daarvan diep bewust bij alles wat ik u in het hiervolgende voor wil houden.
We zijn hier niet bijeen om te protesteren. Of het moet zijn in de letterlijke betekenis van het woord, namelijk pró-testeren: een getuigenis geven vóór de waarheid, ook als het gaat om de kerk, die we belijden.
We zijn hier zeker niet bijeen om te démonstreren. Of het moet ook zijn in de letterlijke betekenis van dit woord, namelijk: tonen, aanwijzen. We zouden vandaag al de brieven, als ooit koning Hiskia (Jes. 37 : 14), voor het aangezicht des Heeren kunnen leggen en daaraan onze lege briefjes kunnen toevoegen. We zouden Hem kunnen en moeten tonen, moeten aangeven alles wat ons bezighoudt en zorg baart. En zo zouden we ook de kerk vandaag onze geloofsbrieven moeten tonen.
Uit het feit, dat zo massaal op onze oproep om hier samen te komen gehoor is gegeven, mag worden geconcludeerd, dat de zorgen breed leven en diep gaan. Hoe houden we dan vandaag koers en hoe houden we de toon op de hoogte van de woorden Gods?
Nogmaals, wat we samen zeggen, zullen we ook samen bidden.
Kruispunt
We zijn hier vandaag niet bijeen om een nieuwe kerkorde in detail te bespreken. We zijn hier bijeen, omdat we met elkaar het diepe besef hebben, dat de Nederlandse Hervormde Kerk op een kruispunt van wegen staat. De grote vraag is of inderdaad de beslissende stap gezet zal gaan worden en de Hervormde Kerk zal samengaan met de Gereformeerde Kerken in Nederland en met de Evangelisch Lutherse Kerk, die er in een latere fase is bijgekomen. De vraag, waarom het dan gaat, is of de Hervormde Kerk bezig is zich los te maken van haar historische wortels, vanwege dit gedrieën opgaan in een nieuwe kerk. Nog afgezien van de vraag of de naam voor de beoogde kerk, Verenigde Reformatorische Kerk in Nederland, gehandhaafd zal blijven – want ze staat allerwégen zwaar onder kritiek – is het de vraag wat hervormd zijn in de toekomst nog zal kunnen en mogen betekenen. Dit laatste zeg ik daarom, omdat die naam nog niet gehéél wordt prijsgegeven. In de nieuwe kerkorde, die nu voorligt, blijft immers gesproken worden van hervormde gemeenten.
Maar kan dat wel? Is dat nog wel hervormd?
De feiten
Ik wil beginnen met de feiten op een rij te zetten. In 1986 werd de onomkeerbaarheid van het Samen op Weg-proces uitgesproken, toen door de gezamenlijke synoden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland de zogeheten Intentieverklaring werd aangenomen. Daarin werd vastgelegd, dat beide kerken 'in staat van hereniging' waren. Aan deze intentieverklaring lag ten grondslag een 'Verklaring van overeenstemming' ten aanzien van het samen kerk zijn. Over één en ander waren de gemeenten in beide kerken geraadpleegd. In de Gereformeerde Kerken leefde nauwelijks verzet. In de hervormde gemeenten kwam echter brééd verzet openbaar. Liefst veertig procent van de hervormde gemeenten sprak een nee uit, al of niet voorzien van het toevoegsel tenzij (33 procent nee, 7 procent nee-tenzij). Vanwege dit breed uitgesproken nee, voor een niet onbelangrijk deel uit hervormd gereformeerde kring, werd bepaald dat, zolang de federatieve status gold, geen enkele gemeente tot samengaan zou kunnen worden gedwongen. Op dat moment werd ook nog geen jaartal voor mogelijke fusie genoemd.
Verder is vanwege het manifest, dat werd uitgegeven op de bijeenkomst van hervormd gereformeerde ambstdragers in 1988 in Barneveld, ook nog een keer een zogeheten knelpuntennota besproken in de synode. Met de knelpunten zou worden gerekend. Eén van de grote knelpunten was de classis.
In ieder geval is de afgelopen jaren voldoende duidelijk geworden, dat het Samen op Weg-proces met name in de Hervormde Kerk op breed verzet stuit.
Intussen werd, direct na het aannemen van de intentieverklaring, met voortvarendheid de bezinning op gang gebracht over het ontwerpen van een nieuwe kerkorde voor een gefuseerde kerk. Daarbij deed van meet af zich een hardnekkig verschil van inzicht voor tussen hervormden en gereformeerden. Gereformeerden wilden beginnen met een 'lege huls' en die successievelijk opvullen met bepalingen, totdat er een complete kerkorde gevormd zou zijn. Stapje voor stapje zouden zo de kerken mee worden genomen naar een nieuwe kerk. Van hervormde zijde is bepleit een kerkorde naar hervormd model, dat wil zeggen: een stuk, waarin duidelijk werd om welke kerk het ging. Een kerkorde is namelijk ook een theologisch document, waarin het zicht òp en het belijden aangáánde de kerk en haar roeping worden verwoord. Welnu, zo is het geschied. Een compléte kerkorde is nu aangeboden. Het is van belang, dat we ons van deze procedure goed bewust zijn.
Direct nadat deze kerkorde is vrijgegeven in de publiciteit, staken allerwegen de stormen op. Ieder weet nu welke kerk wordt beoogd. Weliswaar draagt voor dit ontwerp nog slechts alléén de commissie verantwoordelijkheid, die haar in volstrekte afzondering heeft ontworpen. Nadat het gereedgekomen was, heeft tot heden namelijk geen enkele kerkelijke vergadering er nog een tittel of jota aan kunnen veranderen. Maar, wàt er ook nog in veranderd zal worden, het is wel al duidelijk, dat dit ontwerp toch de grondtrekken aangeeft van de kerk, zoals die wordt beoogd. De denkrichting is duidelijk.
De komende tijd zal leren hoe deze kerkorde integraal zal worden beoordeeld op de kerkelijke vergaderingen. De gehouden triosynode heeft intussen al wel geleerd, dat breed en massief verzet wordt aangetekend uit hervormd gereformeerde kring. De vraag is hoe het nu verder in de kerk als geheel zal toegaan. En hoe zal de Hervormde Kerk dan, gegeven haar sterke verdeeldheid in deze, met deze gewichtige zaak op zich omgaan?
Eind 1993 komt er een definitief voorstel van de commissie, die het ontwerp samenstelde, voor behandeling in de synode en vervolgens in de classes. Dan is het: erop of eronder.
Ons oordeel
Wat is ons oordeel over het ontwerp, dat gereed is gekomen? Na alles wat erover gezegd is en geschreven, zouden we er kort over kunnen zijn. Met name het grondslagartikel (II, 4) kan de toets van de Schrift en de gereformeerde belijdenis niet doorstaan. Dat heeft te maken met het feit, dat in dit artikel elkaar tegensprekende belijdenissen of belijdende formuleringen met één accolade worden omvat. Met name de Konkordie van Leuenberg en de onveranderde Augsburgse Confessie, opgenomen vanwege de deelname van de Evangelisch Lutherse Kerk, zijn niet in één adem te noemen met de gereformeerde belijdenisgeschriften, met name niet met de Dordtse Leerregels.
We moeten hier wel onze redenering en onze argumentatie zuiver houden. We moeten er namelijk voor waken, dat we dit grondslagartikel niet tegen het licht houden van de vigerende hervormde kerkorde, met name tegen artikel X daarin. We moeten niet te snel en te ondoordacht zeggen, dat we onder die kerkorde nog wel konden leven, omdat daarin uitsluitend de oud-christelijke en de gereformeerde belijdenissen worden genoemd. Dan zouden we vergeten de hartstochtelijke strijd, die vóór en in 1951 is gevoerd, toen deze kerkorde op de synode in behandeling was. De hervormd gereformeerden waren, met één enkele uitzondering, toen tégen. 'Gemeenschap met de belijdenis der vaderen', zoals toen is geformuleerd, betekende immers niet, dat de kerk zou in- en uitademen datgene wat door de vaderen naar de Schriften beleden was. Wie de verklaringen leest van de afzonderlijke synodeleden, met de vaak bewogen motivering van hum stemgedrag, komt onder de indruk van de strijd, die brandde in menig hart.
En laten we ook niet onderschatten de gewetensnood, die mensen daarna hebben gehad. Dat geldt ook voor sommigen, die in die tijd grote verantwoordelijkheid droegen. Dezer dagen kwam mij nog weer eens onder ogen het indrukwekkende woord, dat dr. K.H.E. Gravemeyer op zaterdag 22 februari 1964 sprak als meditatieve opening op de bijeenkomst van de 'Kring van vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge', Hij had, als secretaris-generaal van de Nederlandse Hervormde Kerk, een sterk aandeel gehad in de naoorlogse gemeenteopbouw en in de totstandkoming van de nieuwe kerkorde. Hier zegt hij – en ik citeer maar zo uitvoerig mogelijk:
'En de kerk verloopt zich in raden en commissies en allerlei verordeningen, waardoor hoe langer hoe meer alles pasklaar gemaakt wordt aan de situatie, de deformatie, waarin wij leven. De reorganisatie is niet gepaard gegaan met reformatie. Ik denk dikwijls met schrik aan het woord van de Heere Jezus als het huis met bezemen is gekeerd (en we hebben inderdaad het huis met bezemen gekeerd) en er komt niet een andere bewoner, dan ontstaat er een vacuüm, een leegte, en dan vult deze zich met boze geesten, zeven maal erger dan de eerste keer.
Daarom meen ik, dat we een diepe indruk moeten hebben van de situatie, waarin onze Hervormde Kerk onder veel uiterlijk lawaai leeft of sterft, hoe wilt ge het zeggen. Een tijdlang ben ik zó ver geweest, dat ik mij los voelde van de Hervormde Kerk. Ik heb erover gedacht om ervoor te bedanken, omdat de schrikkelijkste dwalingen openlijk van de preekstoel worden verkondigd. En de leiding der kerk doet daartegen niets. Toch ben ik er niet uitgegaan, want dat zou hoogmoed zijn. Wij moeten erin blijven en getuigen.
Bij het tot-stand-komen van de nieuwe kerkorde heb ik dikwijls gezegd: "Ik mis er veel in. Ik mis de mandaten van de classicale vergaderingen voor de synodeleden. Maar ik heb vertrouwen in de regeling van de waarlijk christelijke tuchtoefening, ook over de leer. Daar verwacht ik grote zegeningen van".
En nu is juist één van de nieuwste voorstellen om het typisch kerkelijke van de kerkelijke tucht te veranderen en haar van haar geheel eigen karakter te beroven, door haar de juridische kant op te schuiven. Neen, we hadden moeten bidden om een hervorming, zoals uit de tijd van koning Josia. Ge weet, toen werd het wetboek gevonden en het werd de koning en het volk voorgelezen. De koning werd er door ontroerd en het volk erdoor aangegrepen. En dan wordt de tempel gereinigd van al de ongerechtigheid, die erin was gebracht.
Als het Woord Gods weer heerschappij heeft in de kerk, dan moet veel eigenwilligs, dat valse vroomheid erin gebracht heeft, er uit. Zó zal het ook in onze kerk moeten gebeuren. Wij moeten bidden om reformatie, terug naar het. Woord en dan met het Woord vooruit.
Er zal veel moeten worden uitgeworpen aan dwaalleer, aan allerlei vals idealisme. De kerk moet weer leren te leven bij het Woord.
Zó alleen zal onze kerk haar opdracht vervullen temidden van ons volk en van de wereld. Zij zal de overheid het Woord Gods moeten voorhouden en tegen allerlei verheerlijking van democratie en andere "cratieën" moeten getuigen, dat er maar één juiste vorm van bestaan is voor de staat, het volk en de kerk, gelijk het uitgedrukt is in artikel 36 van onze belijdenis: De Theocratie, de Godsregering, die over alle dingen gaat en waarvan niets kan worden uitgezonderd.'
Ook later heeft Gravemeyer schuld beleden omtrent zijn aandeel in de nieuwe kerkorde. Zo hebben we geleefd, onder een kerkorde, waaronder we zeiden te kùnnen leven, maar waaronder intussen het belijden der kerk soms met voeten werd getreden. Ik heb deze weken me ook nog weer eens verdiept in geschriften van mensen, die, vanwege hun zielestrijd om de dwalingen in de kerk, alléén kwamen te staan. Ik heb me nog weer eens beziggehouden met de Open Brief van 1968 en het Getuigenis van 1971. Hartekreten vanwege een ontspoorde theologie en een overeenkomstig kerkelijk beleid! We mogen eruit leren, dat we niet en nooit mogen wennen aan ongoddelijke situaties, aan leringen en praktijken, waarbij de eer van Christus op het spel staat.
Toen de Gereformeerde Bond in 1909 werd hèr-opgericht, werd van meet af in haar grondslagartikel opgenomen, dat verbreiding en verdediging van de waarheid in de Nederlandse Hervormde Kerk betekende de oprichting van de kerk uit haar diep verval. Daaraan heeft 1951, hoezeer de nieuwe kerkorde ook een breuk betekende met het synodale juk van 1816, ten principale niets veranderd. Ik zeg dit ondanks het vele goede, waarmee de Heere onze Kerk wilde zegenen in de naoorlogse jaren.
Ik zeg dit alles echter om te waarschuwen tegen een te rooskleurige belichting van de kerkorde, waaronder we nu leven. Hoe onze kerk met haar eigen belijdenissen omging, is gebleken uit naoorlogse synodale geschriften, met name ook in het geschrift over de Uitverkiezing. Toen, in 1964, is door de hoogste ambtelijke vergadering van onze kerk de gereformeerde belijdenis inzake de verkiezing al terzijde gezet. Het geschrift over de Uitverkiezing is de hervòrmde leesregel voor de Dordtse Leerregels.
Het gaat overigens bepaald veel dieper wanneer nu, in de grondslagtekst van de nieuwe kerkorde, een dergelijke leesregel officieel wordt opgenomen. Daaruit wordt duidelijk hoe 'gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht' nu definitief en principieel moet worden verstaan. Een historische verwijzing naar de kerkelijke stukken. Méér niet!
Nee.
Ik heb al gezegd, dat in 1986 door veertig procent van de hervormde gemeenten nee of nee-tenzij is gezegd tegen de intentieverklaring, waarin de noodzakelijke voortgang van het Samen op Weg-proces werd uitgesproken. Als toen van hervormd gereformeerde zijde ook nee-tenzij is gezegd, bijvoorbeeld in een verklaring vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, dan was dat 'tenzij' ingegeven door de hoop en de bede, dat er in de verdere voortgang sprake zou kunnen en mogen zijn van waarachtige nieuwe Reformatie, van toewending van de kerk tot haar eigen belijdenis.
Nu de stukken voorliggen, waarin de kerk van de toekomst principieel wordt geregeld, is er géén aanleiding meer om dit tenzij te laten staan. Als dìt de nieuwe kerk wordt, moet uitdrukkelijk 'neen', zonder voorbehoud, worden gezegd tegen deze kerkorde met haar grondleggende bepalingen. Dit kan geen kerkorde zijn voor een hervormde, want gereformeerde kerk. Zo is deze kerk niet op de gereformeerde belijdenis aan te spreken.
Dit alles is dan intussen ook wel tekenend voor de wijze, waarop de Gereformeerde Kerken hun aandeel leveren in de eenwording. Zij brengen het integraal-gereformeerde belijden niet (meer) mee in. We moeten zelfs zeggen, dat de intolerantie ten aanzien van hun eigen confessionele verleden ons, als hervormd gereformeerden, in onze bezwaren minstens zo zwaar weegt als de gelatenheid, die we in de Hervormde Kerk terzake tegen komen.
Ik waag – gegeven deze ontwikkelingen – intussen de stelling, dat zo de Hervormde Kerk bezig is zich los te maken van haar eigen wortels. Dat vraagt nadere uitleg.
Bliksemafleider
Dat heeft niet alleen te maken met het feit, dat bijvoorbeeld de Konkordie van Leuenberg in de grondslag is opgenomen. Dat is ingrijpend, maar het is niet het enige. We moeten zelfs oppassen, dat deze kwestie niet als bliksemafleider gaat dienen voor een minstens zo diep liggende kwestie. Waar ligt namelijk verder óók ons geding met de Gereformeerde Kerken?
Onze liefde tot de vaderlandse kerk – ik zeg nu heel bewust onze liefde; onze, in de zin van hervormd gereformeerde – was en is gelegen in de liefde tot haar belijdenis. Die belijdenis is ons geschonken in de historische worsteling om kerk en staat in dit land. Het gemenebest ontstond zelfs in de worsteling om de kerk, liever nog om de gereformeerde religie. En.daarom heeft onze liefde tot de gereformeerde belijdenis ook consequenties naar het hele volk toe. We weten best, dat we de oude volkskerkgedachte vandaag niet zo meer kunnen volhouden als in het verleden het geval was, gezien de smaldeling van de kerk. Het gaat meer om de gerichtheid òp, dan om het omvatten vàn het volk. Maar we moeten niet vergeten, dat al onze hervormde gemeenten een diepe verworteling hebben in de geschiedenis van kerk en staat in dit land en ten diepste ook vandaag nog ten volle volkskerkgemeenten zijn. Ons zicht daarop was en is ten diepste gefundeerd in het verbond. Geen van de gemeenten, waar u als hervormd gereformeerde ambtsdragers arbeidt, is een voluit gereforméérde gemeente. U hebt het slechts in hope.
Daarom past geen enkele bestaande hervormde gemeente bij wèlke kerk van de Afscheiding dan ook. Tenzij eerst orde op zaken wordt gesteld in die eigen gemeente en grenzen worden afgebakend, zoals in afgescheiden gemeenten gebruikelijk is.
Maar hervormd gereformeerd zijn, gisteren en vandaag, betekent toch: vanuit Schrift en belijdenis hoop hebben op een doorgaande reformatie van de héle kerk, in alle gemeenten, waarin we onze verantwoordelijkheid dragen, en in de volle breedte van die gemeenten. Liefde tot de belijdenis heeft ook alles te maken met het zicht op het volk. Vandaar ook onze kerkelijke belijdenis van het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Die kerk van de belijdenis nu dreigt te verdwijnen. Voor die kerk van de belijdenis, diep geworteld in onze geschiedenis, willen we ook vandaag opkomen. Wanneer we louter congregationalistisch denken, dat wil zeggen: vanuit de gedachte van her en der nog voorkomende groepen getrouwen, kunnen we hier vandaag geen boodschap hebben. Als we dan maar een plaatsje krijgen, waar we ons gemeentewerk kunnen doen, is het wel. Een los-verband kerk van elkaar-vrij-latende gemeenten is dan principieel aanvaard. Maar hartstocht om de gereformeerde belijdenis is hartstocht om een hervormde kèrk, geworteld in de door God geschreven historie.
In wat ik nu ga zeggen sla ik – ik besef dat – enigszins aangezette tonen aan. Maar de ernst van het moment dringt ons ertoe het zo te zeggen. Van die historische verworteling van de Hervormde Kerk hebben de gereformeerden in het algemeen weinig moeten weten. Ze hebben er ook weinig of niets van begrepen. Dat heeft te maken met de weg, waarop Kuyper de Gereformeerde Kerken heeft geplaatst. Met achterlating van Jan Rap en zijn maat heeft hij een nieuwe, niet in de geschiedenis van ons land gewortelde kerk gesticht; zonder schuldbelijdenis om het volk, om de hele kerk en het hele volk.
En als de plannen doorgaan, gaan we nu niet hèrenigen maar vèrenigen. Twee kerken met hun eigen, als gelijkwaardig erkende plaats in de geschiedenis – ik beperk me even tot de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken – gaan samen. En we helen vandaag de breuk op het lichtst.
Ook vandaag nog begrijpen gereformeerden er niets van waarom hervormd gereformeerden in het verleden bleven en tot vandaag gebleven zijn in een kerk, die ze principieel in haar uitingen vaak niet konden verdragen. Dat zit 'm in een manco aan historisch denken.
Recent voegde mij een gereformeerd predikant-lid van de triosynode toe: wij begrijpen jullie, hervormd gereformeerden niet. Als wij, gereformeerden, kerkelijk iets aangenomen hebben, gaan we er allemaal in mee, de één blij, de ander schoorvoetend, wéér een ander morrend, maar toch… En jullie blijven in de Hervormde Kerk maar 'nee' zeggen.
Dat is inderdaad ons spanningsveld als gereformeerden in de historische Hervormde Kerk. We kunnen niet weg en we kunnen niet méé.
Gereformeerden gingen ooit wèg en intussen gingen ze massaal méé. Wie het vatten kan, vatte het. De deformatie, waarover dr. Gravemeyer sprak, heeft daar, al mogen we niet generaliseren, toch aangrijpend om zich heengegrepen. Dat breekt ons hart.
Afgescheidenen hebben het altijd veel beter begrepen. In de loop van de tijd zijn dan ook telkens weer afgescheidenen teruggekomen van de weg, die hun vaderen gingen. Ze hebben zich weer gevoegd in het spoor van de kerk der vaderen. Juist aan hun boompje wordt vandaag ook geschud. Naar welke kerk gaat het toe? Is die kerk nog verworteld in de geschiedenis, vanwege haar belijdenis?
Nieuwe kerk
Zoals de zaken er nu voor staan gaat het naar een geheel nieuwe kerk. Een kerk zonder echt accoord van kerkelijke gemeenschap. Wanneer een kerk echter haar belijdenis niet meer duidelijk in het vizier heeft, als accoord van kerkelijke gemeenschap, is het uitgesloten, dat van enige tucht nog sprake kan zijn. Misschien komt dat nog wel het meest tot uitdrukking in de wijze, waarop het ambt van de ouderling is geformuleerd. De ouderling zit niet meer op de leer. In het 'opzicht' heeft hij geen speciale functie. Het opzicht is bovendien uitsluitend in de barmhartigheid en niet óók in de gerechtigheid van Christus gefundeerd. Het zou hier dan ook zelfs wel eens zo kunnen zijn, dat tucht zich richten gaat tegen diegenen, die het nieuwe vrijheidsprincipe van vandaag, dat geënt is op de menselijke mondigheid, verwerpen.
Hoewel dan ook formeel wordt uitgegaan van het presbyteriaal-synodale karakter van de kerk – de presbyter, de ouderling dus voorop! – is deze kerkorde niet ècht presbyteriaal-synodaal.
Een niet onvermaard hervormd kerkhistoricus schreef mij kort geleden: 'in naam reformatorisch, maar in feite vigeert een ander kerkbegrip dan in de reformatorische belijdenisgeschriften. In de formeel-organisatorische structuur zegt men presbyteriaal-synodaal te zijn, maar in feite wordt een knieval gedaan voor het congregationalisme.'
Dit laatste is een niet geringe uitspraak. Maar feit is inderdaad, dat het ambtsbegrip in reformatorische zin danig is uitgehold. Vandaar dat het bijvoorbeeld in principe mogelijk wordt om ambtsdrager te worden zonder dat belijdenis des geloofs is afgelegd. Zoals er ook een ontkoppeling plaatsvindt van de openbare geloofsbelijdenis en het sacrament van het avondmaal.
Een congregationalistisch kerkbegrip? Ja! Hoewel de visie van prof. dr. G.J. Dingemans in zijn boekje 'Een huis om in te wonen' – we spraken er in mei van dit jaar over op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond – niet is overgenomen, is de gedachte eruit volop present: een kerk met ruimte voor elk type gemeente. En daarin mag dan ook plaats blijven voor hervormde gemeenten, lutherse gemeenten en gereformeerde kerken. Wie een belijdende kerk voorstaat, moet dan ook tegen deze orde nee zeggen.
Maar intussen wordt nu wel een kerk-van-onderop geregeld. Genoemde kerkhistoricus zegt: 'het kerklidmaatschap berust niet meer op het geheimenis van Gods verbond en verkiezing, maar op vrije keuze van leden, een keuze welke… naar believen door volwassendoop of kinderdoop is bevestigd. De hele ondertoon van deze artikelen is het denken van beneden, van de autonome mens… Deze ontwerp-orde is een voetval voor de moderne ontwikkelingen, waarin de behoeften van groepen en de gedragswetenschappen de toon aangeven'.
Het is veelzeggend, dat op de triosynode met name gereformeerde vertegenwoordigers, die in niet mis te verstane woorden afscheid namen van hun confessioneel verleden, ook als om strijd dit ontwerp prezen, omdat het zoveel ruimte biedt voor vernieuwing.
Wie zou niet snakken naar vernieuwing! Maar dan wel naar een vernieuwing des Geestes, niet naar een vernieuwing van onderop, die dáárdoor gekenmerkt is, dat de autonome mens tót en òm z'n rechten komt, van welke vrijheden hij zich dan ook bedienen moge. Vernieuwing vraagt echter om doorgaande Reformatie.
Het recente boek van prof. dr. H.M. Kuitert Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, tot heden on-weersproken in de Gereformeerde Kerken, is hier een teken aan de wand. De kerk-van-onderop wordt bij hem zelfs gelegitimeerd door een bijbelvan-onderop. Nogmaals, dat breekt ons hart.
Angst en macht
In dit verband wil ik nu enige aandacht geven aan een verwijt, dat telkens in onze richting wordt geuit in verband met ons verzet tegen Samen op Weg. We zouden daarbij door gevoelens van angst worden geleid. De minderheidspositie, die we vandaag innemen in de Hervormde Kerk, zou, bij voortgang van het proces, nog worden verscherpt. Dàt nu is een onuitroeibaar misverstand. We zouden – ik heb het vaker gezegd – ons hart mogen vasthouden als we ooit als hervormd gereformeerden van minderheid meerderheid werden. Zouden we de geestelijke kracht en de geestelijke eenheid hebben om dan echt leiding te geven? Maar waar ligt eigenlijk – zo mogen we toch vragen – het centrum van de macht?
Het is niet angst, die ons hier bijeenbrengt. Wel zorg, zorg om de gemeenten. Dat allereerst. We komen met onze gemeenten in een kerk, die wij niet hebben gekozen en die in het verleden ook niet vóór ons gekozen is. We hebben daarom zorg voor de gemeenten, omdat de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken van de laatste tientallen jaren leert hoe ze massaal zijn meegezogen in een dynamisch proces van wat heette 'voortgaande vernieuwing'.
Het is allemaal zo verschrikkelijk hard toegegaan in de Gereformeerde Kerken. En we hebben er zorg om, dat uiteindelijk de Doleantie toch nog, honderd jaar na datum, een greep doet op die hervormde gemeenten, die in het verleden niet meegingen met Abraham Kuyper. Situaties, waar SoW al vergevorderd is, geven daar de symptomen van.
Het gaat bij dit alles ten diepste om de voortgang van de verkondiging naar Schrift en belijdenis in de kerk, die ons lief was en is.
Onze diepste zorg is intussen, dat we in een kerk terechtkomen, die onze kerk niet meer is. Zulke gevoelens, namelijk opnieuw en alsnog meegenomen te worden met de geest der doleantie, leven breder, véél breder in de Hervormde Kerk dan binnen de kring van de Gereformeerde Bond alléén. Mij is diverse malen gezegd of geschreven: jullie hebben een podium, waarop je dit alles samen zeggen kunt, wij hebben dat niet.
Wie beslist?
Dit brengt mij op nog iets anders. Prof. dr. G. Dekker, de godsdienstsocioloog, heeft er recent zijn verbazing over uitgesproken, dat een dergelijk ingrijpend proces helemaal van bovenaf wordt gestuurd zonder dat de gemeenten er echt bij worden betrokken. Dat brengt mij op de sturing en stuwing van het proces. Een kerk van onderop wordt geregeld van bovenaf. Toen in 1986 de intentieverklaring werd aangenomen, werd de suggestie gewekt, dat er voorlopig alleen op federatie zou worden aangewerkt. Fusie zou pas dan in het blikveld komen, wanneer de federatie in de gemeenten voldoende gevorderd en geworteld zou zijn. Welnu, met deze gedachte is later volstrekt geen rekening meer gehouden. Ik heb u toegelicht waarom er een kerkorde-ineens kwam. Nu er een ontwerp voorligt, moet echter ook kennelijk op korte termijn de kogel door de kerk. Terwijl nog slechts enkele honderden gemeenten in staat van hereniging zijn, wordt het fusienet over alle gemeenten gespannen. Als dit geen dwang mag heten. Hier heerst de macht van het synodale getal, in die zin, dat een numerieke meerderheid ter synode beslist over een numerieke meerderheid aan de basis.
Wij zijn, niet zonder reden, altijd beducht de factor van het getal te laten gelden in de kerk. De kerk is geen democratie. En hantering van het getal riekt teveel naar macht en is dus vleselijk besmet. Dat zal waar wezen. Maar toen op de triosynode was besloten, dat het ontwerp-kerkorde de kerken zou worden ingestuurd ter bespreking, werd allerwegen wel triomfantelijk geconstateerd, dat slechts een handjevol, een kleine twintig synodeleden, tègen was. En dan te bedenken, dat hervormden en gereformeerden evenveel afgevaardigden telden en dat de lutheranen voor hun dertigduizend leden met dertig synodeleden vertegenwoordigd waren.
Zo blijft macht in één hand. Betekent het Samen op Weg-proces eigenlijk niet, dat de middenorthodoxie het centrum van de macht voorlopig veilig heeft gesteld?
Maar laat de Hervormde Kerk als 't u blieft beseffen wat het betekent, dat een zo groot deel van haar eigen gemeenten onder grote dwang komt te staan en in gewetensnood komt. Laat ze deze cri de coeur ernstig nemen.
Begrip
Ook wij beseffen zeer wel, dat er gemeenten zijn, waar het proces wel is begeerd of noodzakelijk was. Wat dit laatste betreft – de noodzakelijkheid dus –, Samen op Weg heeft in brede delen van de kerk ook alles te maken met overleving. Een groot sterven is kerkelijk gezien gaande. Wie zou niet huiveren? In allerlei situaties biedt samengaan van gemeenten nog de enige overlevingskans. In ieder geval is dat ook de drijfveer bij het meedoen en meegaan van de Evangelisch-Lutherse Kerk Dat deze kerk in zo korte tijd in de kring is opgenomen, heeft ermee te maken, dat men binnenkort niet meer zelfstandig verder zou kunnen bestaan. We onderschatten de grote nood van de kerkelijke neergang, die zo aangrijpend aan het licht treedt in Nederland, zeker niet. Geen enkele gemeente en geen enkele kerk is er te goed voor om niet in ditzelfde proces van neergang terecht te komen. Dat te beseffen betekent ook, dat we onze gedachten niet alleen laten bepalen vanuit gemeenten, waar het 'zover' nog niet is, maar dat we het geheel op het oog blijven hebben. Het gaat om de profetische roep, de priesterlijke zorg en de koninklijke heerschappij van Christus over de hele kerk.
Dat mag dan intussen ook de leiding der kerk wel beseffen. De over-organisatie echter, die we nu zien, terwille van een kleine minderheid van gemeenten, waar het proces wordt begeerd of nodig is, doet vrezen, dat elk zicht op de realiteit van de kerkelijke verhoudingen uit het oog wordt verloren. Deze reorganisatie zal de kerk niet redden. Ze lijkt in allerlei situaties bepaald te worden door een verstervingsproces. Daarom moet het net aan de andere zijde worden uitgeworpen.
Ik las dezer dagen een uitspraak van Heinrich Bullinger, die zei, dat men nooit aan een veréniging moet beginnen, als dat een andere opdeling teweeg zal brengen. Terwille van het binnenkomen van de één zou men ook vandaag de zonen buiten kunnen sluiten.
Al bij de oprichting van de Gereformeerde Bond zei ds. J.H.F. Remme: 'bij de gratie der indringers vinden ook de zonen der vaderen nog een bescheiden plek in het vaderlijk huis, waar zij mogen wonen als zij stille zijn.' Dat woord is vandaag niet minder, zeker niet minder van toepassing.
Een begaanbare weg?
Welke weg hebben we in de toekomst te gaan? Dat is een vraag, die intussen in alle toonaarden is gesteld en die ons ook vandaag op de lippen brandt. Welke weg zal een begaanbare weg zijn?
De voorzitter heeft in zijn opening gezegd, dat we hier vandaag geen strategie ontwikkelen. Daaraan ligt ten grondsdlag onze afkerigheid van elk program, dat uit verstandsoverwegingen is en wordt ontworpen. Zulk een program heeft naar onze overtuiging ten grondslag gelegen aan de Doleantie in de vorige eeuw. Daarom is onzerzijds de weg van de Doleantie – anders dan die van de Afscheiding – nog wel eens getypeerd is als verstandswerk. We geven ons dan ook vandaag liever over in de Hand des Heeren, Die Zijn kerk hééft geleid, léídt en leiden zàl, dan dat we ons overgeven aan dergelijke verstandsoverwegingen. Ook in de diepste momenten van onze Nederlandse Hervormde Kerk hebben onze hervormd gereformeerde vaderen geen program ontworpen. Ze hebben op God vertrouwd en zijn uitgeholpen.
Dat alles liet echter onverlet, dat ze intussen wel duidelijk hebben aangegeven: hier staan we, onverminderd op de bodem van de Schrift en de belijdenis, maar verder afhankelijk van de leiding des Geestes.
Dus ook vandaag ontwerpen we geen program. Maar, nu de laatste beslissingen genomen gaan worden en we de fase ingaan van breed beraad in de kerken met betrekking tot de beoogde samenvoeging, is het ook vandaag nodig, dat de kerk, op een beslissend kruispunt staande, wèl weet waar we als hervormd gereformeerden staan.
Hervormd
In de vorige eeuw, in de tijd tussen Afscheiding en Doleantie, heeft Groen van Prinsterer zijn pleidooien gevoerd voor het recht van de gereformeerde gezindheid. Hij sprak toen, mutatis mutandis, over het recht van de hervòrmde gezindheid. Hij had toen het oog op al diegenen, die 'onbekrompen en ondubbelzinnig' het spoor van de gereformeerde belijdenis wilden volgen, in en buiten het hervormd genootschap van zijn dagen. Vanuit het zicht op de bakermat van de Hervormde Kerk in dit land – híj́ vooral gebruikte de naam vaderlandse kerk – trok hij de lijnen verder naar de toekomst.
We moeten vandaag eerlijk en duidelijk zeggen, dat de weg van Samen op Weg niet de weg van die hervormde gezindheid kan zijn, die Groen beoogde. Daarvoor ontbreekt de èchte affiniteit met het gereformeerd belijden.
Intussen moeten we eveneens zeggen, dat de weg van de gereformeerde gezindheid buiten de vaderlandse kerk geen begaanbare is gebleken.
Juist in dit jaar, nu de hereniging van kerken uit de Doleantie en de Afscheiding (1892) wordt herdacht, en daarbij tevens wordt herdacht hoe kerken terzijde van die hereniging bleven, moeten we dit zeggen. Het is beschamend te moeten constateren, dat gereformeerde belijders elkaar geen millimeter genaderd zijn en metterdaad elkaar ook geen millimeter naderen. Ds. J. Westerink, praeses van de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken, trok dezer dagen een conclusie uit het moeizame synodale beraad over de zogeheten 'kleine oecumene'. 'Liever géén kerkelijke eenheid dan nog eens vijf en twintig jaar moeite', zei hij. Hun weg is kennelijk tot vandaag geen begaanbare voor kerkherstel in gereformeerde zin. Dat zeggen we, hoezeer we ons ook vandaag van harte verbonden weten met allen, die met Groen van Prinsterer de gereformeerde belijdenis liefhebben, daaruit en daarnaar van harte en onbekrompen leven willen en zo mede de gereformeerde gezindheid uitmaken.
Nu de Hervormde Kerk echter zèlf duidelijk een stap terzijde zet, en zij het spoor van de vaderlandse kerk dreigt te verlaten, moeten we – vanwege de belijdenis en vanwege de geschiedenis – zeggen, dat we onze hervormde plaats wensen te blijven innemen. Met welk recht zal men ons daarvan wegdringen? Onze weg zal, naar het zich laat aanzien, dat wil zeggen wanneer de plannen ten uitvoer worden gelegd, in de toekomst de oud-hervormde weg zijn. Zoals de zaken er nu voorstaan, zullen hervormde gemeenten blijven voortbestaan. Ik leg de nadruk op: blijven. Maar wat zijn hervormde gemeenten zonder een hervormd kerkelijk verband?
Daarom zullen zeker al die gemeenten, die in het hervormde spoor verder zullen gaan, zoeken naar een kerkelijk kader om in het uitgezette spoor van de vaderen te blijven, hoe dat verder ook gestalte zal krijgen. De naam van de Gereformeerde Bond – tot verbreiding en verdediging van de waarheid in de Nederlandse Hervormde (geref.) Kerk – zal voorlopig dan ook nog niet veranderd worden.
Samen
Die 'oud-hervormde' weg zal betekenen, dat de plaats midden in het volk in het oog gehouden blijft.
Dáár zal het Woord Gods opklinken.
Dáár zal de dienst aan het Evangelie tot hen, die buiten staan, plaatsvinden.
Dáár zal blijken of het gereformeerd belijden ook onder ons nog zodanig saambindende kracht heeft, dat we zoutend zout zullen zijn in de samenleving. Als we dit zo zeggen, denken we met name ook aan hervormde gemeenten of hervormde wijkgemeenten in situaties, waarin nu al het proces ver is gevorderd. In bepaalde situaties blijkt nu al, dat er van een soms onhoudbare positie sprake is.
De plaats, waar onze roeping ligt, kan dan ook niet die van isolement zijn, louter om eigen gemeente veilig te stellen. Die plaats leidt onherroepelijk tot gemeentelijke verknussing.
Maar wel ligt ook vandaag in het isolement van ons gereformeerd beginsel – want dat beSoelde Groen van Prinsterer – onze kracht. Vanuit de saambindende kracht van de gereformeerde belijdenis en de religie ervan zullen we nochtans verder gaan.
Zoals de kerk zelf nu echter verder wil gaan, zó kan het niet. Dat zeggen we nadrukkelijk. Zo kunnen we niet mee.
Ik ga afsluiten. Toen in de vorige eeuw de Afscheiding zich voltrok, maakte ds. Bernard Moorrees, toen predikant in Wijk, naar buiten kenbaar hoe hij, niet meegegaan zijnde met de afscheidingskaravaan, 's zondags zo gezegend avondmaal had gevierd met zijn gemeente.
Ook wanneer we vandaag het avondmaal vieren, kan er diezelfde beleving zijn. In gemeenschap met de Koning der Kerk wordt de gemeenschap met het voorgeslacht soms diep beleefd. Wij maken ons niet los van de stoet van getuigen, die ons voorgingen en die een even dierbaar geloof deelachtig waren.
Die bevinding van de gemeenschap der geslachten laat zich niet in daden uitwerken. Ze laat zich wel in een gestalte vertalen, namelijk die van inwachting van het doorbrekende, voortleidende werk van de Heilige Geest.
Intussen zijn we wel Evangeliebelijders. Daarom gaat het ten diepste.
J. van der Graaf, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's