Maar gij…?
'Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.'Matth. 16 : 15, 16
We willen nog een keer letten op een moment uit het leven van Petrus. Het is één van de hoogtepunten in het leven van deze discipel van Jezus. Klaar en helder horen we hem getuigen en belijden, dat Jezus de Christus is, de beloofde Verlosser en Zaligmaker. Dat is niet zomaar iets. De apostel der liefde schrijft in zijn eerste brief, dat een ieder, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren.
Maar gij…? We kunnen en mogen niet in algemeenheden blijven steken. Jezus stak ook af naar de diepte in het gesprek met Zijn jongeren, waarin deze vraag gesteld werd door Hem. Hij had het gevraagd, wat de mensen van Hem zeiden. Het lijkt heel informatief en prompt komen de discipelen dan ook met enkele namen aandragen, die onder de mensen leefden. Zo werd er over Jezus gesproken. Want er werd nogal over Hem gepraat. Johannes de Doper, Elias, Jeremia of een andere profeet. Eigenlijk is het heel triest, heel bedroevend, dat dat nu over is gebleven onder het volk. Meer niet. Zeker wel een groot figuur. Maar meer niet. Is dat nu de vrucht op de prediking van Johannes de Doper, die in volle klaarheid het had uitgeroepen: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt!
Blijft er nu niet meer over dan dit negatieve saldo van de prediking van Jezus zelf te Nazareth uit de profeet Jesaja: De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden om de armen het evangelie te verkondigen. Waarop Hij sprak dat, heden dïze Schrift in hun oren vervuld was!
'Men' was niet verder gekomen dan het denken aan profeten, weliswaar grote profetennamen. Hoe kan het ook bij ons soms zo leven. Jaren onder de prediking gezeten, waarin Christus werd aangewezen als het Lam Gods, en toch blijven steken in het denken aan Jezus als ons grote voorbeeld. Daarom is deze vraag van Jezus zo indringend, naar Petrus toe, naar de andere discipelen toe, naar u, naar jou en mij. Maar gij…? Wel eens over nagedacht? Ook nu, nu we de adventstijd weer zijn ingegaan? Nu we leven in zulke donkere tijden wat de kerk betreft? Maar gij…? Schaart u zich in de grote stoet en de massa, die het best vindt hoe u over Jezus denkt, als ik het maar op mijn eigen wijze mag doen! Wie zal zeggen, wat de ware Jezus is?!
Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Het is niet zomaar een vraag om over te discussiëren. Het antwoord op deze vraag beslist over uw leven en sterven. Over uw eeuwige toekomst. Over uw eeuwig wel of uw eeuwig wee. Ik, de Zoon des mensen. Zo komt Christus naar ons toe en dringt op geloof aan. Zoekt erkenning als de beloofde Zaligmaker. Waar dat gemist wordt in ons leven missen we ten enemale het licht van de Heilige Geest. Daar zijn we blind voor Hem, Die door de Vader gezonden is in deze wereld, om te lijden en te sterven vanwege uw en mijn zonden. Zolang we het antwoord niet bevindelijk hebben geleerd in ons leven op de vraag: Maar gij…? Wie zegt gij, dat IK ben? Zijn we blind, zijn we nog niet verlost? Ja, ten diepste miskennen we Hem dan, zoals 'men' ook deed in Israël. Hoe nodig hebben we het om niet alleen maar te praten over ons verdorven hart en over onze zonden, maar dat we zondaar voor God worden. De kracht van de heilige wet slaat ons temeer, maar door de kracht van de Heilige Geest zal de wet ons niet anders doen, dan slaan naar Christus, omdat in Hem alleen zaligheid is. Maar gij…?
Deze vraagt dringt, ja roept om een antwoord. We kunnen maar niet vrijblijvend over Jezus praten. We kunnen niet blijven steken in het zoete gepraat over een lieve Jezus als mijn grote Vriend. Dan missen we de diepe betekenis van Jezus' komst in ons vlees en bloed. Maar gij…?
Terwijl velen van de volksgenoten en bloedverwanten Jezus als de Christus miskennen, komen de discipelen tot de erkenning. Bij monde van Simon Petrus zeggen ze het, belijden ze het: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!
Op deze erkenning heeft Jezus recht. Hij is de Gezalfde des Heeren. In deze ene belijdenis grijpen de dingen heerlijk in elkaar. Christus had Zich in Zijn vraag aangeduid als de Zoon des mensen. Uit ons geslacht. En toch was Hij zo anders. Hij was immers ook de Zoon van de levende God. Door de Vader gezalfd tot Verlosser. Hier is de Immanuël. God met ons. In deze Christus ligt alleen en volkomen de verlossing van al onze zonden. In deze Christus ligt van het begin af aan de voldoening van onze schuld voor God. Hij is het. Dat belijdt Petrus hier. Is dat ook uw antwoord op de zo indringende vraag: maar gij…? Wie is Hij voor u? Heeft u Hem reeds erkend als de Christus? Met niets en niemand minder kunt u toe voor God. Alleen Hij redt van de eeuwige verlorenheid.
Daarvoor ging Hij de weg, zoals Hij dat heeft voorzegd in vers 21. Zeker staat er nog veel tussen deze belijdenis van Petrus en de voorzegging van Zijn lijden in.
De belijdenis van Petrus was voor Christus een toegang om heerlijke dingen te verkondigen over de toekomst van Zijn Kerk. Deze toekomst wordt realiteit door de weg van het kruis te gaan. Dat wordt in deze belijdenis erkend. Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Het kon niet anders. Wilde er redding zijn van onze zonden, dan moest het Lam Gods sterven aan het vloekhout op Golgotha. Want God gaat niet om de zonde en Zijn heilig recht heen. Het woord is aan u! Erkenning of miskenning.
Als we afgaan op hetgeen 'men' zegt, dan zijn we verloren mensen en blijven dat. Waar de Heilige Geest in onze harten werkt, daar brengt Hij ons tot deze gelovige erkenning. Het geloof is niet uit ons. Ook voor Petrus gold dat. Wat een houvast en zekerheid schenkt Christus Jezus hier aan Zijn discipelen. De zaligheid voor hen, want vlees en bloed heeft hun dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Ook de vurige Petrus werd niet geworpen op zichzelf, maar op God, de Vader. Het is des Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven. Heerlijk en aanbiddelijk welbehagen. Hoezeer het antwoord op de vraag van Christus: maar gij…? onmiskenbaar een antwoord moet krijgen in ons leven, we zijn daarvoor niet afhankelijk van onze eigen krachten en inzet, maar de Vader openbaart het. Hij schenkt het aan mensen, die in zichzelf even grote tegenstanders zijn tegen de vrije genade in Christus als ieder ander. Daarom ligt de zaligheid in Christus zo vast. Vanwege de openbaring van de Vader is het, dat de belijdenis van Christus zalig maakt. Zo roemen we niet in ons, niet in ons geloof, niet in onze bevindingen en ervaringen, maar in God-Drieënig.
Maar gij…?
Joh. Post, Ederveen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's