Profetische getuigen
'Luisteren naar wat God vandaag tot de gemeente zegt' en 'Opwekking' (4)
Als ik dit zeg, weet ik me niet alleen allereerst met de bijbelse getuigen, maar ook in secundaire zin met getuigen uit onze eigen traditie verbonden. Weliswaar moet ik dan niet zozeer zoeken in de tijd van de Reformatie, maar wel van de Nadere Reformatie. Ik denk hierbij o.a. aan Wilhelmus à Brakel, die, wat Calvijn naliet omdat hij het wellicht niet aandurfde en het misschien ook niet zo nodig vond, een verklaring gaf van de Openbaring van Johannes. Brakel volgde hierin Koelman en vele Engelse en Schotse puriteinen. We zien dan, dat Brakel zich gedrongen voelt om de woorden uit de Openbaring concreet in te vullen in de geschiedenis van de kerk en de wereld. Hij is ervan overtuigd, dat ettelijke aankondigingen in de Openbaring reeds in bepaalde historische feiten zijn vervuld. Maar ook heeft hij de vrijmoedigheid om van andere profetieën te zeggen, dat zij nog vervuld moeten worden en dat dit in de (naaste ) toekomst zal gaan gebeuren.
Onze gereformeerde vaderen hebben er dus niet voor teruggedeinsd om het profetische Woord ook actueel profetisch uit te leggen en te concretiseren. Trouwens, dat hebben niet alleen onze vaderen uit de 17e en 18e eeuw gedaan, maar ook uit onze eigen eeuw. Ik denk hierbij aan de tijdredes van professor G. Wisse en ds. G.H. Kersten. Ook ds. H.O. Roscam Abbing kan ik hier noemen. Want in het vandaag gepresenteerde boek zult u kunnen lezen, dat ook hij concreet aankondigde wat God in de naaste toekomst met het Nederlandse volk en de kerk in ons vaderland zal gaan doen, in Zijn oordeel èn ontferming.
Opmerkelijk direct-profetisch zijn dan ook de geformuleerde thema's van zulke tijdredes. 'O land, land, land, hoort des HEEREN Woord!' of 'Hoort de roede en die ze besteld heeft.' Of zoals de titel van het boek van ds. Roscam Abbing luidt: 'Nederland, schik u om uw God te ontmoeten'.
De tijdredes van prof. Wisse trokken een grote interkerkelijke belangstelling. Daar zal wel enige sensatie een rol bij hebben gespeeld, maar niet minder was het ook een uiting van verlangen van het christenvolk om richting en leiding te ontvangen vanuit het Woord in het angstige heden en met een dreigende toekomst voor zich.
Als we hier opnieuw de lijnen doortrekken, moet het ons wel opvallen, dat dit soort profetische prediking weinig meer gevonden wordt, althans in onze eigen kerkelijke kring. Als ze er nog is, dan vindt ze meer plaats buiten de ambtelijke bediening om dan via deze bediening. Is dat een positief teken, of wijst het op een ernstig gebrek in de hedendaagse verkondiging? Het laatste kan, dunkt mij, moeilijk worden ontkend. Ik besef wel, dat er ook hier gevaren zijn. De valse profetie zal ook daarin haar aanwezigheid melden. Daarom is voorzichtigheid en bijbelse nuchterheid en kennis van zaken nodig, ook bij de gemeente. Ik kom daar nog op terug.
Wij profeteren ten dele
Er is echter ook nog iets anders over te zeggen. Ook hier geldt namelijk, dat ons profeteren ten dele is. Ik moet hierbij opnieuw aan W. à Brakel denken. Hij heeft ettelijke concretiseringen gegeven van bijbelse profetieën, die achteraf bezien toch niet juist waren. Dat gold zowel zijn interpretatie van het verleden als van het toenmalige heden en de toekomst. En dat geldt van de andere genoemde 'vaderen' precies zo. Opmerkelijk is daarbij dat W. à Brakel zelfdeze relativering inbouwt en soms erkent, dat hij niet een preciese vervulling kan aangeven. Brakel beseft dan ook, dat het gevaar van een eigenzinnig-profetische uitleg groot is, om 'vele Prophetien ende Voorbeelden te versieren als de herssenen konnen uytleveren (Vgl. zijn uitleg van de Openbaring van Johannes, VI, 1).
Deze tot bescheidenheid nopende beduchtheid heb ik bij de andere genoemden, voorzover ik kan nagaan, vrijwel niet kunnen vinden, althans niet in hun schriftelijke nalatenschap. Profetisch aangedreven predikers en gelovigen zijn meestal (niet altijd) radicaal en hebben de neiging om hun eigen profetieën te verabsoluteren, en dat maakt het contact met de gemeente wel eens moeilijk. Het bovengenoemde wijst dus op de noodzaak van een relativering van het profetisch spreken. Deze komt niet voort uit een afdoen van de waarheid Gods, maar uit een bescheidenheid, die vrucht is van een bijbelse zelfkennis, zoals ook de apostel Paulus kenmerkt. Want, nogmaals, ook van het profetisch spreken vandaag geldt, dat het niet volkomen, maar ten dele is.
Ik moet hier ook op ds. Roscam Abbing wijzen. Verschillende van zijn concrete profetieën zijn niet in vervulling gegaan of althans niet in de vorm zoals hij die had aangekondigd. Moeten we het daarom afwijzen? Zelf ben ik ervan overtuigd, dat alleen maar een afwijzing of zelfs het etiket opplakken van geen echte maar valse profetie, niet juist is, geen adaequate reactie is. Want al laat de vervulling in haar concreetheid de gebrekkigheid van het ten dele zien, dan nog blijft het zaak, dat wij daarin Gods Woord ontdekken en het op ons af laten komen als tot ons, hier en nu, gesproken.
Profeten en profetessen
Ik kom nu tot een volgend aspect. In het voorafgaande wezen wij er al op, dat bovengenoemde profetische prediking in het Nieuwe Testament niet de enige vorm van profetie is. Er wordt ook gesproken over profeten en profetessen, wier profetische spreken niet allereerst gekenmerkt wordt door de uitleg van het profetisch Woord, maar meer door het doorgeven van een direct tot hen en via hen tot de gemeente gericht Godswoord. Heel duidelijk treffen wij dit aan bij de al genoemde Agabus en de dochters van Filippus. Maar ook als we in Luc. 2 lezen, dat Anna een profetes was, mogen wij in die richting denken. En als Paulus in het noemen van de charismata, die aan de gemeente geschonken zijn, uitdrukkelijk op de gave van de profetie wijst, doet ons dat in dezelfde richting denken. In het verlengde daarvan is er reden om ook in 1 Cor. 14 aan dit soort profetie te denken. Omdat in vs. 29 gesproken wordt over twee of drie profeten, die in de samenkomst het woord voeren, en die dan door 'de anderen' (ik neem aan dat Paulus dan de gemeente bedoelt) moeten worden beoordeeld.
Ook zou ik nog willen wijzen op de profetieën, die aangaande Timotheüs zijn uitgesproken, waarschijnlijk toen hem de handen werden opgelegd bij zijn aanvaarding van het ambt van evangelist, hoewel het ook kan wijzen op een profetie bij zijn geboorte. Paulus wijst daar uitdrukkelijk op in o.a. 1 Tim. 1 : 18, waarbij schrijft: Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat gij naar de profetieën, die van u zijn voor-(af)gegaan, in dezelve de goede strijd strijdt.
De eigen plaats van de profetie
De profetie krijgt dan dus min of meer een eigen plaats en ook een eigen vorm binnen de gemeente. De vraag is dan belangrijk, wat wij in al die gevallen onder profetie moeten verstaan.
In de eerste plaats maakt de Schrift ons duidelijk, dat we hier kunnen onderscheiden tussen bijbelse personen, die min of meer als profeet bekend stonden en wier profetische bediening dus een soort permanent karakter droeg, die zij in verschillende gemeenten uitoefenden. Agabus is zo iemand geweest. Hij wordt zonder meer een profeet genoemd. Dat was dus de voor de gemeente bekende en hem toegedeelde functie. We komen hem tegen in Antiochië (Hand. 11 : 27 vv.), maar later ook in Caesarea (Hand. 21 : 10). Uit latere geschriften zoals het vroegchristelijke geschrift Didache en Pastor Hermas blijkt, dat in de vroege kerk veel van die rondreizende profeten waren. Zij droegen dus een soort ambt en hun profetische werkzaamheid droeg een continu en tegelijk ambulant karakter.
Maar daarnaast waren er ook min of meer incidenteel en plaatselijk optredende profeten en profetessen, die bij een bepaalde gebeurtenis, of op een cruciaal moment of (gewoon) in de samenkomst van de gemeente, een openbaringswoord van God aan de gemeente of aan of over bepaalde personen doorgaven. Zo deden de dochters van Filippus dat in Caesarea (Hand. 21 : 9), hoewel wij daar de indruk krijgen, dat zij in die gemeente regelmatig profeteerden. Ook het profetische optreden in de gemeente van Corinthe kan op deze vorm van profetie wijzen. Heel duidelijk geldt dat van de profetieën (Paulus spreekt hier in het meervoud), die over en met betrekking tot Timotheüs zijn uitgesproken. Deze vorm van profetie is er dus vooral op gericht om op bepaalde momenten en op een min of meer directe wijze Gods wil en Woord door te geven.
Verschil tussen profetische Woordbediening en profetie
Wat is nu het verschil tussen de eerder genoemde profetische Woordbediening en deze incidentele maar wel heel directe profetie? De Schrift leert ons, dat hiertussen zowel een verschil in vorm als in inhoud bestaat. Wat de vorm betreft, gaat het in de laatstgenoemde profetie, zoals ik al zei, niet primair om Schriftuitleg, maar om een min of meer direct spreken namens en in opdracht van God. In die zin geldt het van deze profetie dus weer, dat ze zou kunnen worden ingeleid met: alzo spreekt de HEERE, Heere. Zoals we in Hand. 21 : 10 lezen, dat Agabus zijn profetie begint met de woorden: 'dit zegt de Heilige Geest…'.
Profetie als concrete openbaring van God
In de tweede plaats wijst ze op een min of meer nieuwe, concrete openbaring van God. Niet in die zin, dat er een nieuwe heilsopenbaring wordt doorgegeven, maar wel, dat er een concrete openbaring van God betreffende een bepaalde persoon of een bepaalde omstandigheid wordt ontvangen en doorgegeven.
In de derde plaats krijgt deze vorm van profetie vooral, maar niet uitsluitend, haar plaats en functie in de voortgang van de verkondiging, verbonden met de roeping en het lot van hen, die deze verkondiging hebben te behartigen. Zo wijst de profetie van Agabus op wat Paulus in Jeruzalem te wachten staat. Vooral komt dit tot uiting in de profetieën aangaande Timotheüs, die door Paulus direct met de handoplegging en dus met de roeping tot en de taakvolbrenging van evangelist in verband gebracht worden.
Het min of meer vrije karakter van deze vorm van profetie blijkt ook uit het feit, dat Paulus in 1 Cor. 14 erop aandringt, dat de in de gemeente optredende profeten maat zullen houden. Aan de ene kant roept hij tot profeteren op. Vs. 39: 'ijvert om te profeteren'. Aan de andere kant roept hij op tot orde en zelfbeheersing, want de 'geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen' (32).
De orde in en de mate van de profetie
Uit het laatste zal wellicht ook moeten worden verstaan, wat Paulus schrijft in Rom. 12 : 7, waar hij erop wijst, dat de profetie moet worden beoefend naar de mate des geloofs. Dat zou kunnen betekenen, dat er maat gehouden moet worden in het profeteren, en dat die bepaald wordt door de mate van het geloof, dat er op dat moment is. Geloof moet dan verstaan worden als vrijmoedigheid en inhoudelijke motivatie. M.a.w., er moet reden toe zijn om te profeteren, en ook moet er een grens aan gesteld worden. Om naar analogie van het boek Prediker te spreken, wil Paulus er eigenlijk mee zeggen, dat er een tijd is om te profeteren, maar ook een tijd om ermee op te houden. Een profeet wordt geen professional en nog minder een professor in de profetie. In dit verband staat ook, wat Paulus schrijft in 1 Cor. 14 : 29, waarop ik reeds wees. Paulus wil, dat het in het profeteren ordelijk toegaat, en dat betekent, dat er niet te veel of niet te veel tegelijk moeten zijn, die willen profeteren. Laten het er twee of drie zijn, meer liever niet. En de anderen hebben dan de taak om de uitgesproken profetieën te beoordelen.
C. Graafland, Gouda
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's