De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

10 minuten leestijd

Bloknoot
Sinds een jaar bestaat er een nieuw christelijk literair tijdschrift: Bloknoot (red. Dirk Zwart, Noordsingel 51a, 3035 EJ Rotterdam, tel. 010-4666862). In het redactioneel van het eerste nummer (november 1991) begint Zwart als volgt: 'Het christelijk literair tijdschrift Bloknoot wil literair werk publiceren van christen-auteurs, wil zich bezighouden met literair werk van christen-auteurs uit heden en verleden en wil literatuur benaderen vanuit christelijk perspektief'.
Dirk Zwart schrijft als literair criticus vooral in het gereformeerde Centraal Weekblad, hoewel hij kortgeleden ook een bijdrage over de 19e eeuw verzorgde in De Reformatie (21 november 1992). De naam Bloknoot geeft aan dat de pretenties van Zwart niet in verheven sferen liggen. We laten hem zelf zeggen wat hij beoogt:

Twee woorden komen bij me op, als ik de beoogde literatuurbenadering van Bloknoot zou moeten duiden: openheid en confrontatie. Openheid voor de schoonheid van en de ideeën in alle literatuur, of ze nu door christenen of niet-christenen gemaakt is. Maar ook confrontatie: juist niet in de eerste plaats in antithetische zin, maar met betrokkenheid, inlevingsvermogen.

Naar twee kanten wil hij zich weren. Een streng orthodox-christelijke benadering acht hij onvruchtbaar. Daarin wordt de antithese tezeer vooropgesteld en wordt moderne literatuur al te haastig gelijkgesteld met goddeloze literatuur. Er wordt alleen maar een vinger opgeheven en gewaarschuwd: een cultuur-ascetische benadering. Aan de andere kant wil hij laten zien dat het niet waar is dat een christelijke benadering van moderne literatuur altijd een moralistische manier van oordelen zou zijn.

In Hervormd Nederland van 21 november 1992 geeft Michiel van Diggelen een aankondiging en voorlopige beoordeling van Bloknoot in de volgende woorden:

Zwart heeft geen emancipatie-doelstelling met zijn blad en ook ziet hij in zijn blad geen laatste redmiddel tegen het verval van onze cultuur. Wel pleit hij voor het goed recht van een christelijke literatuurbeschouwing. Hij schept er genoegen in om een blad te maken waarin hij zijn eigen opvattingen kwijt kan en daar is niks op tegen. Hij staat voor een literaire confrontatie vanuit het christendom en dat is even bekrompen of ruimdenkend als iedere andere literaire invalshoek. Ieder mens leest namelijk wat hij ziet staan en heeft zijn eigen blinde vlekken. Voor de oorlog was een woord als 'drommels' voor sommige christenen al reden het boek weg te leggen. In de oorlog waren de Duitsers uiterst gevoelig voor kritiek, zelfs als het onbedoeld was zoals in het jongensboek Dik Trom. In onze tijd zijn we ongevoelig voor seksuele drieletterwoorden of vloeken in een roman, maar staan we wel op de achterste benen als er door één van de romanfiguren een racistische uitspraak gedaan wordt. ledere cultuur heeft haar gevoeligheden. Alleen christelijke gevoeligheden worden niet geaccepteerd omdat ze uit de tijd zouden zijn.

Intussen zijn er drie nummers van Bloknoot verschenen. Als interessante bijdragen zijn te noemen een briefwisseling tussen Jan H. Eekhout en Gerrit Kamphuis, 1940-1941, Herinneringen aan en een biografische schets over de dichter Hein de Bruin (1899-1947), een bijdrage over Henk van Randwijk als bevindelijk protestant, uiteraard poëzie en poëzierecensies etc.
Naast het al tien jaar bestaande Woordwerk een moedig initiatief. Voor hen die belang stellen in essays over eigentijdse maar ook over literatuur uit vorige eeuwen een verblijdend initiatief. Zwart hoopt in de komende jaargang een Van Koetsveldnummer te kunnen brengen (n.a.v. ds. C.A. van Koetsveld 1807-1893, bekend o.a. door zijn 'De Pastorie van Mastland').

Stichten met gedichten
Dat schrijft de neerlandicus S. Post boven zijn bijdrage aan het Tijdschrift over Nederlandse Letterkunde Literatuur (jaargang 9, november-december). Hij geeft daarbij als neventitel 'Over piëtistische dichtkunst in het achttiende-eeuwse Middelburg'.
Hij stelt dat piëtistische dichters uit de zeventiende eeuw een redelijke bekendheid genieten: Lodenstein, Sluiters, Boekholt), maar rond de achttiende-eeuwse vertegenwoordigers blijft het altijd heel stil. Toch moeten er in de eerste helft van de achttiende eeuw minimaal honderddertig nieuwe piëtistische gedichtenbundels zijn verschenen, waarvan een groot aantal in de stad Middelburg, aldus Post.
We kunnen uit het tamelijk uitvoerige artikel van S. Post slechts een enkel citaat geven. Hij stelt o.a. de vraag aan de orde in zijn onderzoek: hoe functioneerden deze gedichten? Dan blijkt dat het piëtistisch gedicht gezien wordt als een effectief middel om onbekeerden op te roepen tot bekering en Gods volk tot heiligmaking en godsvertrouwen en kerk en staat tot reformatie. Binnen een bevindelijke kring in Middelburg blijkt werkelijk het gedicht een diep geestelijke betekenis te hebben gehad. Post geeft enkele fragmenten door uit een dagboek van Pieter de la Ruë (1695-1770), lid van van de Magistraat.

En dan is er zaterdagavond de wekelijkse stichtelijke samenkomst, een conventikel. Op deze avond van 27 januari waren alle negen leden aanwezig. Ze waren allen van het mannelijk geslacht en kwamen uit de gegoede burgerij. Er was één predikant bij, de voetiaan Henricus de Frein. De andere leden waren naast De la Ruë, Boddaert en Swanke: Johan Assuerus Schorer, rechter bij het Hof van Vlaanderen; Johannes Boudewijns, een neef van Swanke en secretaris van de stad Middelburg; Jacob du Bon, hij volgde Boudewijns op als stadssecretaris en werd later staatssecretaris; Joan Huige, echtgenoot van de dichteres Vincentius en koopman en Herman Okkermans, een voetiaans ouderling. Bij toerbeurt werd de avond bij een van de leden thuis gehouden. De gastheer bepaalde het onderwerp en opende de bijeenkomst. Deze avond werd gehouden bij Johan Schorer en had strikt literair gezien een teleurstellend verloop. Er kwamen geen gedichten aan de orde, er werd zelfs geen Lodenstein gezongen, zoals Myseras in een van zijn werkjes aanbeval. Tijdens de oefening werd naar aanleiding van een bijbelgedeelte een aantal vragen over het bevindelijk leven behandeld.
Een week later, 3 februari, leverde de avond oor de begerige literair-historicus heel wat meer op. Deze keer moest De la Ruë naar de oning van de heer Okkermans op de Pottemarkt. Toen alle leden aanwezig waren en de avond geopend was, reciteerde Swanke een gedicht, dat hij speciaal voor deze gelegenheid gemaakt had ter gelegenheid van het feit dat het juist een jaar geleden was dat Boddaert bekeerd werd. Vervolgens las Swanke 'met approbatie van een ieder' de berijmde correspondentie voor, die hij de week daarvoor met De la Ruë had gevoerd. Voor zover na te gaan werden er tijdens deze zaterdagse oefeningen alleen psalmen gezongen en gedichten voorgelezen.

Dichten en de Heilige Geest
De Heilige Geest geeft sommige mensen een bijzondere gave, vond men, als men tot het maken van geestelijke gedichten kon komen.

Je kunt je naar aanleiding van deze gegevens, die afkomstig zijn uit een dagboek, afvragen waarom de communicatie tussen de gelovigen onderling, maar ook tussen de gelovigen en God onder meer via gedichten verliep. Mensen als De la Ruë en Boddaert waren er vast van overtuigd dat het berijmen een extra dimensie geeft aan de boodschap. Ik citeer Boddaert:
't Aanminnig kleed der poëzij
Zet aan de waarheid luister bij
En printze diep in 's menschen zinnen:
Ja, door een heimelyk geweld
Wint waarheid door de dichtkunst veld.
Veelzeggend is in dit verband ook de aantekening die De la Ruë maakte, toen hij op zondag 10 maart, nog steeds in 1720, het godsdienstig werkje De heilstaat der bekeerden las. Hij schreef: 'Om deze kragtiger onder 's Heeren genade mijne ziele in te prenten ontwierp ik die in digtmaat.'

Het vermogen om te dichten werd dan ook als een bijzondere gave van de Heilige Gees gezien. Er was een predikant in Middelburg, die in zijn jeugd graag dichter had willen worden, maar het vermogen daartoe miste. Op zijn veertigste werd deze predikant – mogelijk Willemsen – ernstig ziek. Hij nam boekje en een potlood, op doktersadvies was inkt hem onthouden, en maakte aanstonds een gedicht. Voortaan zou hij bij elke preek een gedicht maken. Deze predikant bezocht een zieke. Die man had nog nooit een gedicht op papier gezet. Maar toen deze zieke uit een zachte sluimering was gekomen, sprak hij, nadat hij de predikant gevraagd had op te schrijven hetgeen hij 'uitboezemen' zou, een 'cierlijk' gedicht uit op de wijs van psalm 68. De la Ruë tekent hier nog bij aan, dat het gedicht zo vol verheven gedachten en hemelse uitdrukkingen was, dat het bijna onnavolgbaar scheen voor het menselijk vernuft. In zijn eigen familie had De la Ruë zoiets ook al eens met een zus meegemaakt.
Hij concludeerde: 'Dichtkunst is een middel, waardoor God op de wonderlijkste wijze geloofd en geprezen wordt.' En elders vermeldt hij niet zonder trots dat een in Middelburg zeer geacht godgeleerde van de oude studie poëzie de hoogste geestesgave noemde, die God de mens geschonken heeft.

Gedichten sloten aan bij het kerkelijk streven naar Nadere Reformatie. Sommige Middelburgse predikanten citeerden op de kansel stukken uit de Stichtelijke gedigten van Pieter Boddaert. Post komt dan tot een samenvatting van zijn onderzoek.

Samenvattend kan het volgende gezegd worden over het functioneren van het piëtistische gedicht in Middelburg:
1. Het schrijven en lezen van gedichten werd naast bijbellezing, gebed en het lezen van andere stichtelijke werken gezien als onderdeel van de private devotie.
2. De gedichten fungeerden in Middelburg binnen de bevindelijke kring als communicatiemiddel, waarbij aan dit medium een duidelijke meerwaarde werd toegekend.
3. Het is duidelijk dat ook de conventikels een belangrijke rol gespeeld hebben als een soort podium voor de piëtistische dichtkunst. Er zijn gedichten die speciaal geschreven zijn voor de gezelschapsavonden. Het blijkt dat we zeker niet alleen moeten denken aan het zingen van piëtistische liederen, maar ook aan het lezen en bespreken ervan.
4. Het gedicht heeft in Middelburg gefunctioneerd als propagandamiddel voor ethische opvattingen, die binnen de piëtistische stroming leefden.

Opmerkelijk is, aldus Post, dat je de namen van al deze bekende persoonlijkheden in Middelburgs stratenplan nergens tegenkomt.

Al met al lijkt de conclusie gewettigd dat deze dichtersgroep enigszins ter zijde van het literaire leven opereerde (waarmee overigens geen uitspraak gedaan wordt over de receptie van hun werk). Deze constatering lijkt de straatnaamgeving in Middelburg in het gelijk te stellen. Evenwel, laten de straatnamen van Middelburg gespeend zijn van vrijwel iedere herinnering aan het bloeiend gereformeerd piëtisme in die stad, het straatbeeld is dat niet. Nog steeds lopoen er in Middelburg honderden mensen rond, die zich verwant voelen met de zeventiende- en achttiende-eeuwse piëtisten en die zich van hun medeburgers in 'praat, daad en gewaad' onderscheiden. Ze sturen hun kinderen naar reformatorische scholen, die getooid zijn met namen van Middelburgse predikanten en worden zondags in de kerk tijdens leesdiensten gesticht door preken van de zogenaamde 'Oude Schrijvers', al dan niet herschreven door medewerkers van de in Middelburg gevestigde Reveilstichting.
Dit alles neemt niet weg, dat ook bij hen de namen van de onderhavige dichters grotendeels vergeten zijn. En niet alleen hun namen, ook hun liederen. Er is wel eens gesuggereerd, dat de teloorgang van het piëtistische lied in deze kringen te maken heeft met het onder dwang invoeren van de Evangelische gezangen (1807). Dit zou een aversie tegen gezangen in het algemeen opgeroepen hebben.
Sommige aforismen uit de piëtistische gedichten uit de zeventiende en achttiende eeuw hebben evenwel een vaste plaats verworven binnen de tale Kanaans. En wie een van de afgescheiden kerken binnenstapt, hoeft niet vreemd op te kijken als tijdens de preek de volgende strofe gereciteerd wordt, waarin Pieter Boddaert zijn verwondering uitspreekt over Gods bemoeienis met hem bij zijn bekering:
Waarom hebt gij mij verkoren?
Waarom was op mij gemunt,
Daar 'er duizend gaan verloren
Die gij geen ontfermming gunt;
Schoon gij ruim zo grote zonden
Hebt in mij als hun gevonden?

Wie verder geïnteresseerd is in het complete artikel van S. Post, kan het blad Literatuur in de meeste kiosken vinden. Dit nummer is nog een uitgave van HES Uitgevers BV, Postbus 129, 3500 AC Utrecht en kost ƒ 12,–.

J. Maasland, Kootwijkerbroek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's