Globaal bekeken
Dr. O.J. van der Ploeg, hervormd predikant te Rotterdam-Kralingen, stelde mij de volgende pennevrucht van zijn hand ter hand onder de titel 'Lisette ging uit eten':
"t Was al wat later op de avond, toen ik nog even aanbelde. Een meelevend gezin, man, vrouw en een aardige dochter Lisette van een jaar of twintig, zou er niet van opkijken dat ik nog binnen wilde komen. Het waren hartelijke, trouwe mensen. Na alles wat een dag huisbezoeken aan problemen kan opleveren, is het prettig zo'n adres achter de hand te hebben. Dat is goed voor de nachtrust. Dan heb je kans, dat de dag nog positief wordt afgesloten voor je gevoel.
Een dringende reden om er op bezoek te gaan was er eigenlijk niet. Het gaf me dan ook een onbestemd, gemengd gevoel. Thuis lag nog belangrijk werk te wachten. Kon ik mijn tijd niet nuttiger besteden? De twijfels kregen de overhand. Toch moest ik er op de een of andere manier even heen. Waarom eigenlijk? Het enige motief waarmee een rechtvaardiging leek ie zijn gevonden was dat mevrouw zondag meer haast leek te hebben gehad dan gewoonlijk bij het afscheidnemen na de dienst. Hoe het ook zij, de vriendelijkheid waarmee de deur werd geopend, maakte aan alle tweestrijd een einde.
Het ging allemaal naar omstandigheden uitstekend met het gezin. Open en ontspannen kwam van alles aan de orde. Ze hadden niets te verbergen en dat praat gemakkelijk. Bijna kwam mijn schuldgevoel weer boven. Had ik niet nog ergens anders heen gemoeten?
Lisette was niet thuis. Voor mij was dat niet zo bijzonder, maar het zat de ouders kennelijk hoog. Waren er misschien problemen doordat de dochter gaandeweg haar eigen gangetje is gegaan? Daarvoor behoeven ouders zich toch niet te schamen? Het is schering en inslag in deze tijd. Het lijkt wel of het in de lucht zit. Uiteindelijk moet het er trouwens toch een keer van komen. "Veel zorgen baart het niet", zo klonk de verzekering van man en vrouw tegelijkertijd, "maar de reden kunnen wij niet begrijpen". Benieuwd wachtte ik op het vervolg van hun relaas. Dat kwam na een tijdje. "Weet u, tegenwoordig eet ze 's avonds bij een vriendin. Dat maakt ons eerlijk gezegd boos, of liever… het stelt ons teleur en maakt ons verdrietig. En als u eens wist waarom…" Nu behoefde ik niet lang meer te wachten. Voordat ik ook maar met de wenkbrauwen kon fronsen, kwam het eruit: "Mijn vrouw kookt volgens haar vandaag te zout en morgen weer te flauw. Het eten is altijd hetzelfde, niet lekker meer en met weinig fantasie klaargemaakt. Daarom gaat ze elders eten". Wat moest ik daar nu toch mee aan? 'k Had me van het laatste bezoek op deze dag wel iets anders voorgesteld.
Die nacht kon ik niet slapen. Tientallen "Lisettes' zag ik in mijn dromen. Als ik ze aan zou spreken, zou ik hun antwoord al tevoren weten: "Is dat nou zo erg? Waarom maken ze zich zo druk? Ik kan en mag toch zelf wel kiezen?' Waar had ik dat nu toch meer gehoord?
De preek is hun te lang of te concreet. De liturgie te strak of anders weer te vrij. Juist daarom wist ik ook geen antwoord. Misschien, zo dacht ik, gaat het vanzelf wel over op den duur. Verwijten maken helpt hier niet. Ik woelde in mijn bed. Op alle mogelijke manieren probeerde Ik een goede oplossing te bedenken. Ik wist geen raad.
Gelukkig schrok ik wakker. Een nieuwe dag vol ontmoetingen met trouwe en minder trouwe mensen lag open. Ook zag ik uit het raam de kerk nog staan. Daar had ik niet voor kunnen zorgen. Ik wreef mijn ogen uit. Ja zeker, een paar van mijn Lisettes zag ik al weer gaan. Ze gingen binnen onder vrolijk klokgelui.'
Het verhaal van Luthers 'appelboompje', dat hij nog geplant zou hebben als hij wist dat Christus vandaag wederkomt, is allang als fabeltje ontzenuwd. Een predikant-lezer ontdekte in 'een bewaarbijlage over bossen' in het blad Panda (Wereld Natuurfonds) een soortgelijk verhaal uit de talmoed (naar de vindplaats zoeken we nog). Hier volgt het in wat breder kader.
'Symbolentaal vormt een erkenning van de waarde van bomen. Zo wijst een oud islamitisch gezegde erop, dat de mensheid van de wieg tot het graf door hout wordt verzorgd. Een talmoedische tekst beweert dat, als een man een boom plant op het moment dat de Messias verschijnt, hij die taak moet voltooien voordat hij naar Hem toegaat. "Hij die slechts één enkele boom plant, gaat rechtstreeks naar de hemel", zei de Matsya Poerana 1500 jaar geleden tegen de Hindoes. "Hij die bomen plant, heeft naast zichzelf ook anderen lief", schreef de Romein Caccilius Statius nog 700 jaar eerder.
De Oglain Sioux in Zuid-Dakota zeggen dat de wereld bijeen wordt gehouden door een bloeiende boom. Sommige Afrikaanse stammen denken dat de wereld werd geschapen onder een machtige apebroodboom. De Arunta uit Midden-Australië droegen een stok met zich mee ter ere van de gomboom van waaruit hun god de hemel in klom: brak de stok van een man, dan stierf hij.
Onze eigen voorouders vonden echter dat de beschaving eindigde aan de rand van het bos. Dit komt tot uiting in onze talen: het Duitse "Wald" en "wild", hebben evenals hun Nederlandse equivalenten "woud" en "wild" dezelfde oorsprong. En het Engelse "savage" (wilde) stamt van het Latijnse "sylva" (woud). Is het toevallig dat bossen van het Sherwood Forest en de groene wouden van Shakespeare's Arden tot aan Orissa in India een schuilplaats vormden voor vogelvrijen en bandieten? In Nederland was het niet anders. In onze bossen wemelde het immers van de struikrovers.
De behoefte aan ontwikkeling, ten behoeve van voedsel, onderdak en bescherming tegen de duistere kant van de natuur, vormde de bijl aan de wortels van de bomen. De dichter William Blake verwoordde dat in 1799 aldus: "De boom die iemand tot vreugdetranen toe roert, is in de ogen van anderen slechts een groen ding dat in de weg staat".'
Hier volgt een nasleep van Globaal bekeken d.d. 17 september, toen een artikeltje van mr. W. Aantjes werd doorgegeven, waarin hij inging op een in Bleskensgraaf gehouden preek van wijlen ds. P. Zandt over de bede 'Uw Koninkrijk kome' in de Heidelbergse Catechismus. Mr. Aantjes ging positief in op aspecten van die preek maar zei intussen ook dat 'nadat wij allemaal de poort wijd open hadden zien staan en ons een ruime blik in de heerlijkheid was gegund, die poort na de tussenzang weer degelijk toegesloten en dichtgemetseld werd. Op een kier na, een heel klein kiertje…'. Verwanten van ds. P. Zandt namen dit laatste ernstig op en zonden de in hun bezit zijnde handgeschreven preek. Hier volgt genoemde toepassing gehéél, waarbij slechts aanpassingen in de spelling zijn doorgevoerd. Kan ieder ook nagaan hoe ds. P. Zandt preekte. Zijn preek was degelijk uitgeschreven.
'Terecht stelt de catechismus, dat de bede des Heeren "Uw koninkrijk kome" voornamelijk behelst: regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons langs zo meer U onderwerpen. Want Gods koninkrijk komt door Gods Geest en Woord. Aan dat Woord Gods moet elke ondervinding, die de ziel van binnen heeft, getoetst worden. Want buiten dat Woord om kan het koninkrijk Gods niet uitgebreid worden. Alle bevinding, die tegen het geopenbaarde Woord is, dient weg gedaan te worden. Alleen: wat op dat Woord steunt en gegrond is, kan als gegrond heten. Nevens dat Woord komt mede het koninkrijk Gods door de Geest Gods. Want het is Gods Heilige Geest, welke het verstand van een zondaar door het Woord verlicht. Zo door Woord en Geest beide werd het koninkrijk der hemelen hier op aarde uitgebreid. En wanneer nu een bidder om de uitbreiding van 's Heeren koninkrijk bidt, zo wenst hij vurig, dat Gods Geest zijn verstand verlichte om Zijn Woord recht te verstaan en hem reinige en hem heilige opdat hij hoe langer hoe meer aan de Heere onderworpen mag zijn. Aanvankelijk heeft hij de dienst des Heeren gekozen en de dienst van zonde en satan vaarwel gezegd, maar ziende nog zo veel verdorvenheid en zwakheid, bidt hij, dat de Heere hem maar meer en meer mag regeren. Hij smeekt de Heere dat deze hem in de weg der zelfverloochening mag leiden opdat hij de Heere meer en meer moge volgen, waar hij ook heen gaat. Hij vraagt dat Christus door het geloof in zijn hart mag wonen en dat hij in de liefde mag geworteld en gegrond raken. Verder smeekt hij, dat hij ten volle mag kunnen begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij en aldus de liefde van Christus moge bekennen, welke alle verstand te boven gaat. Meer nog, hij vraagt ook, wanneer hij bidt "Uw koninkrijk kome": werp alle eigen liefde ter neer, doe mij dagelijks aan de zonde en hare verleiding sterven, dood in mij hebzucht en verkeerde begeerten.
Terecht stelt de Catechismus voorop dat de bede "Uw koninkrijk kome" inzonderheid personeel Is. Eerst bedoelt zij het welzijn van het eigen hart van de rechte bidder, daarna dat van de kerk. Hij, die in geest en waarheid "Uw koninkrijk kome" bidt, vraagt meteen de zegen af over de bloei van Gods kerk op aarde. Hij begeert, dat het koninkrijk in de kerk luisterrijk moge gezien worden, de kerk in alles zich naar Gods ordinantie moge inrichten en zich op de zuivere grondslag van Gods Woord moge stellen. Maar meer nog. Hij zoekt in den gebede ook uitbreiding en vermeerdering dier kerk hier op aarde van de Heere te verkrijgen. Ziende, dat de Heere het zo overwaardig is dat Hij gediend wordt, is zijn dringende bede, „bewaar en vermeerder Uw kerk". Bewaar die kerk voor leugenachtige en verderfelijke leer. Bewaar ze voor de Geest der wereld. Bewaar ze voor de valse profeten en valse Christussen, welke er in het laatst der dagen zullen zijn. Behoed ze voor de aanslagen van de satan, die rondgaat als een briesende leeuw. Stel ze tot een licht en tot verlichting voor degenen, die verre zijn. Laat ze zijn een stad op de berg. Maar het gebed "Uw koninkrijk kome" behelst meer nog. Het vraagt meteen: "verstoor de werken des duivels en alle geweld, hetwelk zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden". Het behelst de wens, dat alle boze en vijandige macht, welke zich tegen de Heere en Zijn Woord kant, moge verstoord en verdelgd worden. Hij uit het verlangen dat de aarde gerechtigheid en recht moge voortbrengen. Hij heeft dit sterk verlangen, dat de heerlijkheid des Heeren aan allen en aan alle plaatsen moge gezien worden. Het vraagt met de dichter "loof de Heere uit de hemelen; looft Hem in de hoge plaatsen, looft hem al zijne engelen! Looft hem al zijne heir scharen! Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren. Looft Hem, gij hemelen der hemelen en gij wateren die boven de hemelen zijt. Looft de Heere vanwege Zijne mogendheden: looft Hem naar de menigvuldigheid zijner grootheid. Alles wat adem heeft, love den Heere.
Ja: een iegelijk die bidt "Uw koninkrijk kome", die vraagt dat 's Heeren luister en Naam moge worden uitgebreid, dat er moge worden toegebracht tot de gemeente, die zalig zal worden. En niet minder, dat het koninkrijk Gods spoedig moge komen, waarin de Heere alles in allen zal zijn. Want naar de morgen dier luisterrijke dageraad, waarin geen zonde en overtreding meer zal zijn, gaat het verlangen van alle kinderen Gods uit. Ja: naar dien dag, waarop kaffer, moor en indiaan, de Filistijn, de Syriër gezamenlijk het nieuwe Jeruzalem zullen bewonen, gaat het heimwee uit van al wat uit God geboren is. Naar dat huis, waarin het goede van Uw woning verzaden zal reis op reis, naar het heilig deel van uw geducht paleis is het uitzicht; zij het dan ook in vreze van alles wat God hier op aarde vreest.
Naar dat oord van herstelde gerechtigheid, naar dat koninkrijk, waarin men blij zal zingen van het heil ons bereid is de begeerte van een iegelijk, die rechtvaardig voor God leeft. Ontslagen te worden van het lichaam der zonde en des doods te trekken uit het land der vreemdelingschappen; verlost te zijn van inwonende zonde en ongeloof; een inwoner te mogen zijn van het koninkrijk Gods – ziedaar de begeerte, die op den bodem van het hart van Gods kinderen bij allen in meerdere of mindere mate leeft.
Is het uw begeerte reeds, mijn kinderen, "Uw koninkrijk kome?" Is het reeds de begeerte des harten? Want velen willen een gedeeld koninkrijk: Gods wat en Mammon wat de wereld iets en Christus iets. Zo ja; dan zult gij niet met enige koude plichten meer kunnen volstaan, maar dan zal er het gebed zijn dat de Heere gedurig en dagelijks zich meester make van uw hart. Dàn zult gij de verdorvenheid van eigen bestuur levendig ingezien hebben; dàn zult gij gedurig tot gebed hebben: och Heere, breid Uw koninkrijk in mijn hart uit, geef mij lust om U onder goed en kwaad gerucht te volgen. Laat mij mogen toenemen in meerder heiligmaking en U, Gode aangename werken.
Gij dan, o mens, die tot heden toe buiten het enig fundament Christus gebouwd hebt o zoek dan toch van voren aan te beginnen, buig uw knieën voor koning Jezus, opdat deze gewillige en vriendelijke opperkoning u aan u zelf mag ontdekken en behouden en voor eeuwig over u mag regeren.
Gij volk des Heeren, dien uw koning, die u zo duur kocht: wees Zijn bevelen gehoorzaam, verkeer gedurig met Hem; maak Hem uw begeren met smekingen en dankzeggingen bekend; leef aan Zijn zijde – en heb met de eerste Christengemeente tot dagelijkse bede "kom, Heere Jezus, ja kom haastelijk Heere. Amen".'
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's