De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Want anders moest gij uit de wereld gaan

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Want anders moest gij uit de wereld gaan

10 minuten leestijd

In 1 Korinthen 5 vermaant Paulus de Korinthiërs tot een heilig leven. Hun leven zal rein zijn. Ze moeten dan ook 'de oude zuurdesem uitzuiveren'. Ze mogen zich niet vermengen met allerlei soorten concreet genoemde zondaars. Uit de gehele context wordt duidelijk, dat Paulus er op doelt dat het met name binnen de geméénte gaat om die zuiverheid. De leden van de gemeente moeten een heilige levenswandel vertonen. Wanneer mensen in de gemeente zo'n zuivere levenswandel niet hebben dan moeten ze worden vermaand of anderen moeten de gemeenschap met hen verbreken, niet samen met hen tafelen. Maar Paulus bedoelt het niet in het algemeen. Dat blijkt uit vers 10. De Korinthiërs mogen zich niet 'ganselijk' met de goddelozen vermengen. In de gemeente op zich is dat woordje 'ganselijk' overbodig. Daar zal het onvemèngd toegaan. Maar ook de christen lééft nu eenmaal in de wereld. Daar moet hij met anderen samen leven. Dan is het niet onvermengd. 'Want anders moest gij uit de wereld gaan', zegt Paulus.

Naar aanleiding van deze gedachte wil ik nog wat doorgaan op het artikel, dat ik enkele weken geleden schreef over 'teloorgang van de gereformeerde zede', mede naar aanleiding van reacties, die ik daarop ontving. Wat betekent het dan om wel ìn de wereld te leven en toch niet vàn de wereld te zijn?

Niet het klooster
Het is duidelijk, dat in het genoemde hoofdstuk het kloosterideaal de doodsteek krijgt. De christen leeft niet in de afzondering, in de afgeslotenheid, maar heeft zijn of haar roeping in de wereld. Daar leeft hij 'temidden van de doornen' (citeert Calvijn Chrysostomus). De ganse wereld ligt zelfs in het boze (1 Joh. 5 : 19). Er is dan ook niet veel reden om de wereld en de cultuur optimistisch te bekijken. Het kwaad is er aan alle kanten, de verzoekingen en de verleidingen zijn eveneens tastbaar.
Hoe zal een mens dan toch onbesmet leven? Want zodra hij zich door de goddeloosheden in de wereld laat besmetten, draagt hij die besmetting mee de gemeente in en wordt de gemeente op zìch erdoor bezoedeld. Het zal er dan toch op aan komen, dat een christen enerzijds innerlijke weerbaarheid heeft tegen de wereldse verleidingen en anderzijds weet heeft van innerlijke reiniging, die ook tot uiterlijke heiliging dringt. Dat kan alleen als hij deel heeft aan de Geest, die heiligt.


Ieder heeft op enigerlei wijze zijn roeping in het leven te vervullen, hetzij om in het dagelijks levensonderhoud te voorzien, hetzij om een zeer specifieke opdracht te vervullen. Dan krijgt de vraag naar de grenzen van het toelaatbare vlees en bloed: wat kan ik voor God en Zijn gemeente verantwoorden in mijn dagelijkse arbeid, in de omgang met anderen, in de verantwoordelijkheden, waarin ik me begeef?
Zodra het dan gaat om zaken die duidelijk tot het gebied van de zedeloosheid of goddeloosheid behoren, waarover Paulus met name in de Korinthenbrief spreekt, is alles nog wel 'eenvoudig'. Hoewel, een mens zal maar de hele dag door moeten werken in een sfeer, waarin de spot of de vloek, de zedeloosheid of de banaliteit – in woord of muziek – de leefsfeer bepalen.
We mogen ook aannemen, dat christenen hun grenzen weten als het gaat om de zondag en de roeping tot heiliging van die dag. We mogen ook aannemen, dat een christen zich scherp ervan bewust is waar de geboden Gods worden overtreden, als het gaat om stelen (in het groot of in het klein) of liegen, om doodslaan of begeren.


Maar zo eenvoudig ligt het in onze complexe maatschappij toch ook weer niet altijd. Elk beroep heeft vandaag kanten, die in ethisch opzicht gecompliceerd zijn. 'Mag alles wat kan?', is een telkens terugkerende vraag. De dokter en de verpleegkundige, de zakenman en de politicus, de rechter en de psycholoog, allen staan van tijd tot tijd voor de vraag: waar liggen de grenzen van mijn verantwoordelijkheid en waar ben ik in strijd met mijn roeping om mij onbesmet te bewaren van de wereld? Waar zitten bijvoorbeeld de verborgen verleiders?


In de loop der geschiedenis is uiteraard vaak nagedacht over de plaats van engelen en duivelen. Er bestaat – zo las ik dezer dagen – een bepaalde traditie, waarin ten aanzien van de oorlog, die tussen de engelen woedde in de hemel wordt gesteld, dat éénderde deel der engelen zich schaarde aan Gods kant en éénderde deel aan de kant van de duivel, terwijl het overblijvende derde deel neutraal bleef Het waren deze 'niet zo beroerde' en 'niet helemaal te vertrouwen' engelen, die een heilige graal naar de aarde brachten, die de 'gulden middenweg' vertegenwoordigde. Op zich heeft een dergelijke traditie geen grond in de Schrift, maar ze tekent wel ergens een levensrealiteit. Tussen goed en kwaad ligt een gebied, waar het niet zo duidelijk is. Tussen zwart en wit liggen allerlei schakeringen grijs. Tussen licht en donker ligt de schemering.

Zo zijn er kanten van het leven in de wereld, die duidelijk tot het terrein van het kwaad, van de goddeloosheid behoren. Er zijn ook kanten van het leven die door bijbelse vroomheid gekenmerkt zijn. Maar er is ook dàt terrein van de wereld, waar het kwaad sluipend is, waar de ongerechtigheid ongemerkt doorsijpelt, waar de duivel zich als engel des lichts vertoont, of waar een stapje verder toch geen kwaad lijkt te kunnen. Daarom zegt het Schriftwoord, dat we ook de rok moeten haten, die van het vlees is besmet. De 'gulden middenweg' laat ons niet altijd onbesmet.

Het wezenlijke
De tijden dóór zijn er door christenen dan ook zaken aangewezen en afgewezen, die op zich niet zo ingrijpend leken te zijn maar waarvan mensen toch het besef hadden, dat ze daardoor te dicht bij wereldgelijkvormigheid kwamen, te dicht bij levenspatronen van de wereld, waardoor ze niet meer onbesmet bleven. Die zaken kunnen overigens voor christenen heel verschillend uitvallen, afhankelijk van de traditie waaruit ze voortkomen. Men denke aan roken en drinken, aan omgang met de media of sport, de mode en de recreatie. De 'gereformeerde zede' werd er voor een belangrijk deel intussen door gekenmerkt. Intussen mogen we niet vergeten dat, wanneer we staan in de wereld, we vaak veel ingrijpender dingen uit de wereld meenemen dan die we concreet kunnen aanduiden. Niemand, die in het volle leven van elke dag staat, kan zich vrij en losmaken van de geest van de tijd. En dáárin ligt vooral – in ieder geval niet mìnder – het gevaar van de gelijkschakeling met de (denk)patronen van de wereld, van de wereldgelijkvormigheid. Denken we aan de eigen tijd dan gaat het om ik-gerichtheid, mondigheid, vernieuwingsdrang, materialisme. Die geest des tijds neemt de christen, die elke dag midden in de wereld staat, ook ongemerkt mee de gemeente in. Het geestelijk en gemeentelijk leven kan er diepgaand door worden beïnvloed. En om dàn de oude zuurdesem, waarvan Paulus spreekt, uit te zuiveren is geen sinecure. Dat vraagt geestelijk onderscheidingsvermogen. Dat vraagt katharsis, innerlijke reiniging. Juist hier geldt, dat men zich niet 'ganselijk' met de wereld vermengen zal. En juist hier geldt ook, dat dat zo eenvóúdig niet is, 'want anders moest ge uit de wereld gaan'.


Op zich is het een goede zaak als de gemeente gekenmerkt is door wat we wel noemen innerweltliche askese, door onthouding van dingen, die een naam hebben in de wereld of die algemeen gangbaar zijn. Dan kan men nog wel met sterk roepingsbesef midden in de wereld staan. In onze tijd zou meer onthouding zeker geen luxe zijn. Maar de echte innerweltliche askese is méér dan het zich onthouden van bepaalde vormen van recreatie, dan het zich distantiëren van de moderne modetrends, dan het uitbannen van zaken, die klaarblìjkelijk tot de wereldgelijkvormigheid gerekend moeten worden. Het komt vooral ook aan op onderscheidingsvermogen ten aanzien van díé zaken, die kenmerkend zijn voor de godloosheid van de tijd(geest). Die dienen te worden onderkend bij Geesteslicht, ook waar ze al ver soms het persoonlijk en gemeentelijk leven zijn binnengedrongen. En ten diepste gaat het dan altijd weer om de oervraag: 'Is het ook dat God gezegd heeft?' De mens wil altijd weer als God zijn.

Roeping
In Joh. 17 : 15 zegt Christus, dat hij de Vader niet bidt, dat Hij de Zijnen wegneemt uit de wereld maar dat Hij hen verlost van de boze. Dat is veelzeggend. De wereld is hier 'het tegenwoordige leven' zegt Calvijn. Zolang we dit leven, leven we in déze wereld. Er is geen andere wereld om in te leven dan déze wereld. Geen schijnwereld maar een concrete wereld, die in het boze ligt en waar nochtans onze roeping ligt.
Wil een mens dit leven doorkomen, dan ontvangt hij allerlei vorming voor zijn beroep en voor zijn roeping. Die vorming is eigentijds bepaald. Maar in die vorming komt ook een heel stuk geest des tijds mee. Aan die vorming, zoals die op school en cursus, aan universiteit en hogeschool plaatsvindt, is in niet geringe mate een stuk eigentijdse filosofie verbonden. Mensen ondergaan die geleidelijk, haast onmerkbaar, slikken die met huid en haar. Maar het bepaalt intussen allemaal wel hun hele habitus, hun wijze van leven, hun dagelijkse gedachten en overleggingen.


Elk mens wordt vandaag modem gevormd, met alle ideologieën en filosifieën daaraan verbonden. Ook hier geldt, dat dit geestelijk onderkend moet worden. Overigens mag voorop worden gesteld, dat het de Heere behaagt om in Zijn algemene goedheid nog vele goede dingen te geven in het leven, ook in de ontwikkelingen der dingen, zonder dat die direct een christelijk of bijbels stempel behoeven te dragen of ook door christenen op gang zijn gebracht. Deze wereld mag in haar voortgang in de geschiedenis ook nog de bewarende en leidende hand des Heeren ervaren. Daarom is niet alles slecht wat de wereld biedt. Er is ons ook veel schoons gelaten in literatuur en kunst, in wetenschap en techniek. Ook in uitvindingen en vorderingen van wetenschap en techniek ligt vaak zegen opgesloten. Het is echter het boze hart van de mens, waardoor de mooiste dingen in hun tegendeel worden verkeerd.

Maar om nog één keer op de verzoekingen daarin terug te komen: we onderkennen veel gemakkelijker de openlijke verleiding dan de verborgen verleiding. Het is bijvoorbeeld heel eenvoudig om in de moderne literatuur de spot en hoon, de zedeloosheid en banaliteit te ontwaren. Het is veel moeilijker om in literatuur of lectuur, die van dat alles verschoond blijft, nochtans de verborgen verleiding, bijvoorbeeld van ik-gerichtheid of individualisme, van eigentijdse mondigheid of materialisme, vooral van 'neutrale' godloosheid te ontwaren. En daarom zou wel eens veel meer wereldgelijkvormigheid in de gemeente kunnen worden ingedragen langs wegen, die we niet direct onderkennen dan langs kanalen, waarop een taboe ligt.


We worden desalniettemin geroepen om, vandáág levend in de wereld, ons integraal onbesmet van de wereld te bewaren. Dat zal nooit helemaal lukken. 'Want anders moest ge uit de wereld gaan'. Maar we hebben wel een geestelijke antenne nodig om de geest van de tijd te onderkennen. Innerweltliche askese gaat dan dieper dan onthouding van dingen die klaarblijkelijk wereldgelijkvormig zijn.

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Want anders moest gij uit de wereld gaan

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's