Globaal bekeken
In De Zondagsbode schreef ds. P. van den Heuvel onder zijn wijkbericht (Vlaardingen) het volgende:
'Onlangs verscheen In de Waarheidsvriend een korte typering van de hervormde gemeente Vlaardingen. Ik schreef daarin dat het vissersverleden nog sterk aanwezig ís, en noemde als voorbeeld een artikel uit "Groot Vlaardingen" onder de titel "De VL 46 Copernicus kwam niet meer terug". Als reactie daarop kreeg ik een brief van een lezer uit Marken, die schreef dat er bij die ramp ook zeven Markers waren omgekomen. Hij zond daarbij het volgende gedicht dat ik graag aan u doorgeef.
Het vergaan van de VL 46
De zee kookt en bruist in de woedende golven
bestormen het scheepje in donkere nacht.
Zij werpen 't omhoog en dan weer ten afgrond
als wilden ze tonen haar gruwelijken macht.
Ze tieren en gieren en hollen en stormen
en dondrend werpen ze zich op de schuit.
Ze beuken en smijten haar henen en weder
de golven zij schreeuwen en huilen om buit.
De zee zingt haar strijdzang, het scheepje
gaat onder in woedende strijd.
De zeezangen klinken, de mensen zij zinken
zij zingen, zij zinken naar de eeuwigheid.
En verder, al verder rollen de golven
en alsmaar blijft strijden de ontketende zee.
En zij neemt in haar strijden loggers en pinken
en zij neemt kostbare levens mee.
Daar worstelen twee mensen de strijd met de baren,
ze worstelen om 't leven; 't zijn vader en zoon.
Ze grijpen een luik en ze zullen zich redden,
het leven behouden als hulp wordt geboon.
Maar hulp komt niet dagen, de vader voelt 't einde
het eind van zijn tobbende vissersbestaan.
Als 't zoontje gered wordt dan zal hij 't moeten melden:
mijn vader die is in de golven vergaan.
De vader gaat zinken en zinkende zegt hij
mijn jongen, als jij soms gered worden mag
Zeg dan maar je moeder en broertjes en zusjes
zeg ze allemaal dan maar van je vader gedag.
Houd moed maar mijn jongen. God geve je redding
maar redding komt voor je vader te laat.
Geef ze allen een zoen en zeg je moeder
dat vader naar de hemel gaat.
Toen ging in de golven de vader ten onder
en dieper, al dieper zonk hij naar beneen
Naar beneen? Ja en neen, want hij ging naar de hemel
En daarom naar boven ging vader nu heen.
Zijn schip was verbrijzeld, maar 't scheepje zijns levens
dat was niet verbrijzeld, dat was niet vergaan.
Want weldra bereikte 't de veilige haven
het ging op de hemelse ankerplaats aan.
Aan de recent verschenen tweeling-uitgave van prof. dr. W. Balke, Heel het Woord en heel de Kerk en Omgang met de Reformatoren (Kok, Kampen) ontlenen we het volgende Klaaglied over de ondergang van Antwerpen.
'Wij lezen in een Claech-liedt over den onderganck vande vermaerde coopstadt Antwerpen hoezeer de dichter de ernst van de situatie gepeild heeft. Het is een echt geuzenlied in de versvorm van Psalm 79. Antwerpen is arm geheel in de lijn van deze psalm: de lichamen van Gods trouwe dienaren werden aas voor de vogels. De stad deed de verkeerde keus voor het valse geloof en de gevolgen blijven dan ook niet uit.
Antwerpen arm,
O desolate stede
Met zwaer ghekarm
Vergaet nu uwen vrede
U hooghen moet,
Die leyt nu heel int assen:
't Uwen onspoet,
Soo komt u nu verrassen,
Den Spaengiaert wrect den Fel,
Met bloetglerich voorstel,
Om u heel t'onderdrucken
Met roof, moordt end met brant,
En u, o kostelijck pant
Verscheuren heel ontslucken.
Ghy waert eens Rijck,
Ten Hemel toe verheven:
Van uws ghelijck
En vantmen niet beschreven
In heerlijckheydt,
Een Consten veelderhanden,
U Naem verbreydt
Die vlood' in alle landen,
Van u cracht en ghewelt,
Wert over al vertelt,
Van u schoone ghestichten,
Helaes nu leyt u noot
Al in der Hoeren schoot
Acharen gy moet u zwichten.
Men heeft wel eer,
in u wreed'lijc sien vergieten
Nae Babels Leer,
Doch t'moest God eens verdrieten,
t'Onschuldich bloedt
van Gods trouwe Dienaren:
Godts kindren vroet
Bracht ghy al int bezwaren,
Haer Lichamen aylaes
Werden der Vogh'len aes,
Maer ist den groenen boomen
In u alsoo vergaen
Hoe salt t'dor hout bestaen,
Voorwaer ghy moocht wel schroomen
Ghedencket vry,
Aenden tijdt der ghenaden,
Dewijl dat ghy
Ter waerheyt wort geraden
Door t'Godlijck woort,
Van zijn trouwe dienaren
Die rechtevoort
Schriftuer wouden verclaren
Ten heeft u niet behaecht
Maer hebtse wech gejaecht
En hebt voor u vercoren
Het ongelooff onreyn,
Met Nemroth den vileyn,
En alle zijn gheschoren.
Maer noch ist tijt
Soo ghy u laet berouwen,
Ende met vlijt
Wilt uwen God aenschouwen
In uwen noot,
Want hy sal niet begheeren,
Des Sondaers doot,
Maer datse hun bekeeren,
En leven na den geest,
So sal het zwaer tempeest
Den Heere van u wenden
Verstuyvende als kaff
Assur des gramschaps staff,
Soo eynden u ellenden.
Deze verzen uit het oude Geuzenliedboek zijn van calvinistische oorsprong en tegelijk van een doperse gloed doortrokken. Het bloedgetuigenis van de dopers te Antwerpen is niet tevergeefs geweest'
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1992
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's