De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Raken wij iets kwijt?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Raken wij iets kwijt?

Over schuldbesef (2)

10 minuten leestijd

Hoe men het ook keert of wendt, doch in de Schrift neemt de schuldbelijdenis een centrale plaats in. Dit is een notie die niet uit de Bijbel is weg te denken!
Wel moeten wij goed in 't oog houden dat de schuldbelijdenis en het berouw niet de grond zijn van Gods vergeving. Zo'n gedachte als zou dit wel het geval zijn dient krachtig van de hand gewezen te worden. De grond van de vergeving der zonden ligt in het welbehagen Gods. Nooit of te nimmer in de schuldbelijdenis en het berouw. Een bepaald lied zegt daarom terecht: 'Ofschoon ik ganse nachten ween, kunnen redden Gij alleen'. Het zijn niet de tranen die ik pleng om wat ik tegenover de Heere heb misdreven, tengevolge waarvan Hij vergeving schenkt. 't Heeft alles te maken met Zijn ontferming!

Wel nodig
Helaas wordt er een prediking gevonden waarin over een persoonlijke schuldbelijdenis niet meer wordt gesproken. Met name niet meer over de belijdenis van zonden tegenover God. Terecht heeft het 'Getuigenis' in de zeventiger jaren daartegen stelling genomen. Heel duidelijk was het geschrift tégen een 'verpolitisering' van de prediking. Als er al van schuldbesef sprake was moest dat méér gezocht worden in het feit dat de structuren verkeerd waren dan dat wij tegen God gezondigd hadden.
Naar mijn mening heeft het 'Getuigenis' hier en daar op de prediking invloed gehad. Zeker in onze tijd is de 'politieke prediking' minder geworden. Maar hebben wij daarvoor een prediking naar Schrift en belijdenis teruggekregen. Functioneert in de prediking de schuldbelijdenis?
Ik kan niet aan de indruk ontkomen, dat in menig prediking de persoonlijke schuldbelijdenis enigszins wordt weggemoffeld. Dit is niet zo vreemd als wij wellicht denken. Men wil een gemakkelijk leven. Om die reden wordt het pad naar de hemel breed en aangenaam gemaakt. 't Zal hopelijk duidelijk zijn dat er van geen vergeving sprake kan zijn, wanneer er geen schuldbelijdenis wordt gevonden. Vergeving wordt er alleen gezocht, wanneer men eigen zonde leert kennen. De ontdekking aan de zonde leert schuld belijden en werkt een hartstochtelijke begeerte naar de uitdelging van alle zonden.
Die persoonlijke schuldbelijdenis kan gepaard gaan met een groot berouw, met vele tranen en gebeden. Ook kunnen er vele werkzaamheden zijn. Toch zijn al deze zaken geen grond voor Gods genade. Berouw is – om het nogmaals duidelijk te zeggen – niet de grond van de vergeving, doch de weg, waarin zij verkregen wordt.
Aangaande de vraagd hoe groot òf hoe diep berouw kan/moet zijn kom ik later nog terug. Nu schrijf ik reeds neer, dat het berouw zo groot en zo diep is dat men zich niet anders dan kan laten zinken en zakken zoals men is op het borgtochtelijk werk van Christus. De maat van het berouw wordt evenwel door de Heere bepaald. 't Zelfde geldt van de vergeving.

De Schrift
Wat zegt de Bijbel aangaande de schuldbelijdenis? In Jesaja 66 : 2 lezen wij: 'Op dezen zal Ik zien: de arme, de verslagene van geest en die voor Mijn Woord beeft'. In Jeremia 3 lezen wij de oproep tot bekering. Ook hoor ik er de Heere zeggen: 'Want Ik ben goedertieren spreekt de Heere, Ik zal de troon niet in eeuwigheid behouden'. Dat de Heere goedertieren wil zijn is niet 'zomaar'. Dat is Hij niet zonder schuldbesef van de kant van Zijn volk. Want in Jeremia 3 : 13 lezen wij: 'Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere, uw God hebt overtreden'.
Er wordt geen vergeving geschonken zonder schuldbesef. Naast het bovenstaande voorbeeld haal ik nog aan wat er in Psalm 51 : 4 en 5 staat geschreven: 'Was mij wel van mijn ongerechtigheid en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen en mijn zonde is steeds voor mij'. 't Lijkt alsof David hier zegt: 'omdat ik mijn overtredingen ken, moet U, o God, mij vergeven'. Natuurlijk bedoelt de dichter het zo niet. De grond voor de vergeving zou dan rusten in zijn kennis van de overtredingen. Zoals reeds eerder gezegd kan dat nooit de grond zijn. Toch staat er in de tekst die ik heb overgeschreven het motiverende 'want': 'Want ik ken mijn overtredingen'. Hoe zit het dan? Welke motieven of redenen voert David aan? Wel, allereerst zijn nood en ook het besef van zijn nood. Hij zegt: ik ken mijn overtredingen. Hij doet met deze belijdenis geen beroep op zijn recht, maar op Gods erbarmen en belofte. Wij mogen stellig aannemen dat David er mee bekend is wat door de profeet Jeremia later is uitgesproken: 'Alleen ken uw ongerechtigheid'. Gods waarheid is de geslachten door dezelfde. En nu is de rede die David opgeeft als volgt te interpreteren: 'Heere, verlos mij, want ik ken mijn ongerechtigheid en dat is toch het enige, wat Gij van een zondaar vraagt. In deze weg schenkt Gij genade'.

Eerst berouw
Een algemene stelling, opgediept uit de Schrift en de belijdenis van de kerk is: eerst berouw en dan vergeving. 't Kan zijn dat niet een ieder het met deze stelling eens is. Men werpt mij tegen, dat God reeds lief heeft, voordat ervan enig berouw sprake is. Als bewijsvoering daarvoor kan men Efeze 2 citeren: 'Maar God die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waardoor Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus: (uit genade zijt gij zalig geworden)'. Wanneer men deze tekst goed leest, kan men niet anders zeggen dan dat er van berouw geen sprake is. Echter… hoe kan ik dan de algemene stelregel neerschrijven: eerst berouw, dan vergeving? Omdat Efeze 2, met deze stelregel niet veel te maken heeft. Want waarom gaat het in Efeze 2. Het gaat in dit hoofdstuk over de uitverkiezing. Er staat niet dat God met grote liefde ieder mens hoofd voor hoofd heeft liefgehad. De apostel Paulus spreekt heel uitdrukkelijk over ons. In Efeze 2 : 4 wordt gesproken over de geadresseerden, dat zijn de heiligen die te Efeze zijn en gelovigen in Christus Jezus. Toen zij nog dood waren heeft God ze liefgehad. Hij had ze immers liefgehad van vóór de grondlegging der wereld (Efeze 1 : 4). Dat was niet om hun voorgezien berouw òf geloof òf liefde òf werkzaamheden. Uit genade zijn ze zalig geworden. Maar de verkiezing is iets anders dan de toepassing.
In de toepassing hebben wij met Gods levendmakende Geest te doen. Als Deze in de uitverkorenen werkt gaat het berouw en het gemis aan God voorop. Men kan dit lezen in Handelingen 2 : 37: 'En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: wat zullen wij doen, mannen broeders?' De harten van die eerste bekeerlingen werden doorpriemd. Dat ging aan het geloof vooraf. Bij de stokbewaarder is het al niet anders. Zou het er anders aan toe zijn gegaan bij een Lydia, ook al worden er van haar geen schokkende mededelingen gedaan zoals bij de stokbewaarder?
Als laatste voorbeeld denk ik aan de bekende gelijkenis in Lukas 18. De farizeër uit de gelijkenis had schuldbesef noch berouw.
Wie beweert dat schuldbesef niet nodig is om de gerechtigheid van God en de vergeving der zonden te verkrijgen, moet toch wel even de ogen dicht doen als men deze bekende gelijkenis leest.
De tollenaar kende schuldbesef. Van hem lezen wij in tegenstelling tot de farizeër dat hij gerechtvaardigd naar huis ging. In de weg van berouw ontving hij vergeving van zonden.
Wat zegt Calvijn van dit alles? Wel, bij Lukas 18 : 13 tekent hij het volgende aan: 'De tollenaar om gunst te verkrijgen, erkent dat hij deze onwaardig is. En inderdaad, dewijl het niet anders is dan de vergeving der zonden, die ons aangenaam maakt bij God, is het nodig dat wij daar beginnen, indien wij willen dat Hij onze gebeden aanneemt. Maar het is ook zo, dat hij, die zich schuldig en van zonde overtuigd weet, desalniettemin vraagt om vergeving en afstand doet van alle vertrouwen op de werken. En dit heeft Christus willen zeggen, dat God Zich niet vergevingsgezind zal tonen, tenzij tegenover hen, die beven ter oorzake van een waar gevoel hunner zonden en de toevlucht nemen tot Zijn genade alleen'.

Prediking en schuldbelijdenis
Na in het bovenstaande aangetoond te hebben, dat er geen vergeving van zonden is zonder berouw, wil ik nu ingaan op de vraag hoe dit alles in de prediking behoort te functioneren. Moet er in de prediking veel of weinig over het belijden van de zonde worden gesproken? En als het gebeurt, tot hoe ver mag en moet een prediker dan gaan?
Een antwoord op deze laatste vraag wordt ons door Calvijn gegeven. Hij schrijft: 'En de strengheid van dat oordeel en onderzoek moet zo ver voortgaan, totdat wij daardoor tot een volslagen verslagenheid gebracht en alzo tot het ontvangen van Christus' genade bekwaam gemaakt zijn. Want hij is bedrogen, die zich laat voorstaan, dat hij bekwaam is om dezelve te genieten, zo hij niet eerst alle hoogheid des harten heeft afgelegd. Het is een bekend gezegde: God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade'.
De prediking moet dus aanwerken op volkomen verslagenheid. Steeds opnieuw moet daardoor de mens voor Gods aangezicht gedaagd worden. De vraag is wel, hoe moet de prediking dit doen? Het is niet voldoende als er zware woorden worden gebruikt om de totale verdorvenheid en verdoemelijkheid van ons mensen te onderstrepen. Men kan zich zelfs afvragen of het wel enig effect heeft. Een uitwerking daarvan in het dagelijks leven is er niet altijd te zien. Men hoort het aan, maar het zegt verder niets. Hooguit wordt er gezegd, dat dominee het goed heeft gezegd en een rechtzinnig prediker is, maar van een oprechte schuldbelijdenis kan niet gesproken worden en dus dan ook niet van een doorbraak tot op Christus.
Maar er is nog iets. In de prediking gunnen wij als dienaren zware woorden gebruiken, terwijl wij toch de zonden niet voorhouden en dientengevolge de wet door ons niet scherpelijk wordt gepreekt.
Als er over zonde en schuld gesproken wordt in de prediker, gaat het maar niet over beschouwelijke zaken, maar dan gaat het heel concreet om de mens die zonde en schuld heeft. Hoe wordt die mens daaraan ontdekt? In geen geval door een eindeloze repetitie. Als men iedere zondag dezelfde dingen hoort, valt men ook in slaap.
De zonde moet heel concreet worden aangewezen. Kennis van de zonde wordt alleen opgedaan als men er ook achter komt waaraan men heel concreet schuldig staat. Wanneer hoogmoed de wortel van alle kwaad is, moet er concreet gezegd worden, hoe dit in ons leven tot uiting komt, zowel naar God als naar de naaste toe.
Het gaat er dus om dat de prediking concreet en direkt is. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de preek van Nathan tot David. Heel duidelijk en heel gericht zegt Nathan zonder omwegen tot de koning: 'gij zijt die man'. Heel concreet werd hij gewezen op het overspel dat hij had begaan alsmede op de moord. Nathan hield David Gods wet voor!
Om tot schuldbelijdenis te komen pleit ik voor de prediking van de wet. Deze verkondiging is dringend nodig. Waarom die dringend nodig is, daarover een volgend keer. (Wordt vervolgd.)

G.S.A. de Knegt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Raken wij iets kwijt?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's