De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Isaäc da Costa over Gods welbehagen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Isaäc da Costa over Gods welbehagen

7 minuten leestijd

Van wanhoop naar rust
Het was op zondag 20 oktober 1822 een heel bijzondere dag voor de kerkgangers van de Nederlandsche Hervormde Kerk te Leiden.
Een heel bijzondere dag ook en vooral voor drie joodse bekeerlingen die op die dag in de ochtenddienst in de Pieterskerk werden gedoopt: Isaäc da Costa, zijn vrouw Hanna Belmonte en zijn vriend Abraham Capadose. De dienst in de stampvolle kerk werd geleid door ds. Lucas Egeling, de predikant bij wie ze op aanraden van Bilderdijk eerst een korte belijdeniscatechisatie hadden gevolgd. Een kleine kring van vrienden – onder wie Dirk van Hogendorp, Willem de Clercq en Bilderdijk – woonde de dienst bij. Ook Guillaume Groen van Prinsterer was aanwezig en hij was als zovele anderen diep ontroerd toen hij staande bij het doophek het sacrament van de doop zag bedienen.
De dienst vond niet plaats in Amsterdam, waar de drie woonden, maar in Leiden – dit om niet te veel opschudding te wekken.
Isaäc da Costa, die na zijn bekering zo'n belangrijke rol zou spelen in het Nederlandse Réveil – met name in de Amsterdamse tak daarvan –, had Christus gevonden. Van Christus getuigt sindsdien een groot deel van zijn poëzie. De jood Da Costa was christen-jood geworden.
Als Da Costa in 1826 zijn gedicht 'God met ons' schrijft, ziet hij terug op zijn overgang naar het christendom. 'Dit gedicht geeft ons de geschiedenis van Da Costa's bekering' zo schrijft mevrouw Kluit in haar studie Het protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865.
Op de periode vóór zijn bekering slaan regels als:

In diepten verzonken van leed en ellende,
het hart in bedwelmende dromen verward,
door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende,
gedreven, gefolterd tot eindloze smart,
heeft de aarde mij lang in mijn dorheid gedragen,
in morrende wanhoop aan wereld en lot:

En ook:

In diepten des onheils verzonken, verloren,
versmachtte mijn ziel naar den levenden God!
Maar ach! in de blindheid der zonde geboren,
bleef rusteloze woeling mijn pijnigend lot!

Toen vond hij 'den levenden God', die eerst hem had gezien:

O God des ontfermens! Gij zaagt op mij neder,
en 'k werd tot een nieuwe bevatting herteeld!
In d'Eniggeboren keert God tot ons weder,
in d'Eniggeboren, Zijn uitgedrukt Beeld!

En zo kon hij schrijven:

Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken;
de hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel!

Davids grote Zoon
Da Costa, de bekeerde jood, schreef vele verzen – Tijdzangen – waarin hij reageert op de gebeurtenissen van zijn tijd en vooral op het geestelijk klimaat van zijn eeuw, de tijdgeest. Zo bezien zijn ze een – doorgaans wat milder – vervolg op zijn toen nogal geruchtmakende geschrift Bezwaren tegen den Geest der Eeuw, in 1823 geschreven, kort na zijn overgang naar het christendom. Maar zijn verzen zijn bovenal vervuld van zijn geloof in Jezus Christus, de Heiland die hij gevonden heeft. De profetie van de Messias in het Oude Testament is vervuld in Bethlehem. In Bethlehem is Davids grote Zoon geboren:

Aan Davids Zoon, aan Davids Heer
lof en aanbidding, eeuwige eer,
bij heel Zijns volks Hosanna-galmen,
waarvan in Bethlehem
der Englen vreugdestem
den aanhef horen deed in loutre hemelpsalmen!

En elders dicht hij:

O Kerstnacht! verwachting der vroegste geslachten,
bij 't rijpen der eeuwen in vreugde gebaard!
Bij 't smeltende licht van uw sterrengewemel
ontwake de Kerkbruid met Hallelujah!
En zegge: Hosanna zij Gode in den hemel:
en Vrede over de aarde! door vrije Gena!

De bijbel als profetisch boek
Da Costa was in sterke mate geboeid door de profetische passages in het Oude Testament. Daarom staan er boven zijn gedichten zo vaak teksten uit de Profeten of de Psalmen. Daarin las hij steeds weer de voorspelling van de komst van de Messias.
Zo dichtte hij ook de volgende strofen of coupletten naar aanleiding van de bekende tekst in Jesaja: 'En men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst.

Op 't geluid der hemelchoren,
op 't gelei van Jacobs ster,
dat wij 't Kindeke, ons geboren,
biddend naadren, schoon van verr'!
Gods- en mensenzoon te zaam,
WONDERLIJK! dat is Zijn naam!

In die nederige woning
ligt, van zichtbren glans ontbloot,
Gods Gezalfde, Sions Koning!
de Eéngeboome in 's Vaders schoot!
die van ouds genoemd werd RAAD,
't Woord, door Wien de wereld staat!

Laat ons blijde, maar met beven,
lof en prijs, en hulde biên
aan den Zoon, van God gegeven,
arm en klein, op moeders kniên! –
want Zijn hand bestiert ons lot,
en Zijn Naam is STERKE God!

In den tijd werd Hij geboren,
aan Zijn eigen woord getrouw;
de Eerstgeboren, de Uitverkoren,
als 't beloofde Zaad der Vrouw
aan de Vaadren toegezeid,
VADER, zelf DER EEUWIGHEID.

Eeuwig moet dat Kind regeren,
spruit en Hoofd van Davids Huis!
Alles zal Hij overheren,
door de zwakheid van een kruis!
Schoon Hij aanstoot brengt, en 't zwaard,
VREDEKONING toch op de aard!

Echter, met de geboorte van Christus waren voor Da Costa niet alle profetieën vervuld. Er bleef nog de 'onvervulde rest'. Vurig hoopte hij op de bekering der joden en hij keek daarnaar uit. Ook Paulus immers spreekt in zijn brieven vaak van: 'eerst den Jood, en óók den Griek' (bijvoorbeeld in Rom. 1 en 2). En diezelfde Paulus zegt van het volk Israël dat het Mozes nog steeds leest met 'een bedekking op hun hart' (2 Cor. 3 : 15). Nog wel een 'bedekking', maar Paulus gaat dan verder met de woorden: 'Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt de bedekking afgenomen'.
Deze en andere profetische teksten uit het O.T. en N.T. boeiden Da Costa in hoge mate. Zo ook het profetische boek bij uitstek in het N.T., de Apocalyps, het laatste bijbelboek. Een constante lijn in zijn denken en exegetiseren is het apocalyptische en chiliastische, de verwachting van het duizendjarig vrederijk op aarde met een geketende Satan en een heersende Christus (op grond van Openb. 20 : 2-7).

De God des heils
De God des heils God heeft in Zijn welbehagen een weg gebaand tot vrede met Hem. Hij is de God van het 'Vreêverbond'. De 'trouwe God der vaadren' heeft in Bethlehem het nieuwe rijk doen beginnen. Hem komt de lof toe, die in Jezus Christus mensen 'vergunt' tot Hem te naderen. Het zijn deze gedachten die Da Costa uitspreekt in zijn gedicht 'Lofzegging', dat te zingen is op de wijs van Psalm 89.

LOFZEGGING
Wij loven U, o God! o Vader! Gij, wiens schoot
den Raad des Vreêverbonds van eeuwigheid besloot!
Gij geeft Uw eigen Zoon, ten Vorst en Eerstgeboren
van 't volk door smaad en kruis, tot zaligheid verkoren!
Opdat aan 's hemels lof 't gebed der kerk zich huwe;
het koninkrijk, de kracht, de heerlijkheid, is UWE!

Ook Uwe, o eeuwig Woord, Zijn uitgedrukte Beeld!
Verlosser, Schepper, Heer! en God uit God geteeld!
Ja, Uwe is 't Koninkrijk, Gij Bouwheer-zelf des huises!
uw Kracht verheerlijkt zich in 't smaadlijk zwak' des kruises!
en 's Vaders Heerlijkheid, uit U gestraald, u eigen,
doet voor Uw Bethlehem zich alle heemlen neigen!

U mede aanbidden wij, der kerke onzichtbaar Hoofd,
Gij Zalver van dien Heer, door wien Gij wordt beloofd!
't Is in Uw nederkomst, dat ons de Godheid nadert!
Het Koninkrijk des Zoons wordt door Uw wil vergaderd!
Gij zijt des Vaders Kracht, o Geest en Bron des levens!
en beider Heerlijkheid woont in Uw volheid tevens!

Wij loven U, o Heer! en God des heilverbonds!
o Vader van genade, o Koning Gods met ons!
o Trooster vol van liefde! o trouwe God der vaadren,
die ook de kinderen vergunt tot U te naadren!
U, Vader, Zoon, en Geest, God, drie en Eén te zamen,
zij 't rijk, de kracht, en de eer, tot in geslachten, AMEN.

Gods welbehagen
God is in Jezus Christus naar deze wereld, naar ons zondige mensen toegekomen. Het heil, de vrede met Hem, is geen menselijke verdienste. Het is louter en alleen Gods welbehagen.
Daarvan zongen de engelen en Da Costa roept de Kerk van Christus op met de engelen mee te zingen. De 'stem der Bruid' moet zich paren aan de stem der engelen in Bethlehems dreven:

Looft den Vader, looft den Zoon,
looft den Geest, op Englentoon!
Dat de stem der Bruid zich paar'
aan 't gejuich der Geestenschaar!
Laat de Kerk alom gewagen
van 't Besluit, aan haar verklaard!
Ere aan God, en Vrede op aard,
en in mensen Welbehagen!

J. de Gier, Ede

Tekst foto: Israël

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1992

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Isaäc da Costa over Gods welbehagen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1992

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's