De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Raken wij iets kwijt?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Raken wij iets kwijt?

Over schuldbesef (3)

10 minuten leestijd

De prediking van de wet is dringend nodig. Men mag maar niet zeggen, dat de wet is afschaft sinds het gebeuren op Golgotha. Wel mag men zeggen, dat de wet is vervuld. Het gezegend lijden en sterven van de Zaligmaker heeft de vloek van de wet weggenomen. Maar dat is iets anders, dan wanneer men zegt dat Zijn borgtochtelijk werk er de oorzaak van is, dat de wet geen functie meer zou hebben en als een antiquiteit in een museum van oudheden bijgezet kan worden.

Uitspelen
Alle eeuwen door heeft men geprobeerd de wet tegen het evangelie uit te spelen en omgekeerd. De wet zou dan behoren tot de oude bedeling en het evangelie tot de nieuwe. Ieder weldenkend mens zal echter weten, dat zowel de wet als het evangelie door beide testamenten heenlopen.
In Genesis 3 is reeds het evangelie te lezen. 't Gehele Oude Testament is vol van Christus. 't Moge dan nog zijn Christus in de belofte, maar dan toch Christus! De kinderen Gods in de oude bedeling zijn op geen andere wijze zalig geworden dan wij anno 1993. Het geloof in het evangelie Gods d.i. Jezus Christus stond èn staat centraal. Buiten Jezus was èn is geen leven… Het is waar dat de nieuwe bedeling vanwege de vervulling van de belofte van de Zoon heerlijker is dan de oude, maar te allen tijde is Christus Dezelfde geweest. Jesaja heeft in geen andere Zaligmaker geloofd dan Johannes, de apostel der liefde. Er was alleen een onderscheid in de heerlijkheid der bedeling en daarom ook in de bediening.
Zoals men het evangelie in heel de Schrift kan lezen, zo ook de wet Gods. Meer dan eens grijpt de Heiland in Zijn prediking op de wet terug. De ontmoeting met de 'rijke jongeling' is één van de vele voorbeelden. Ook de brieven van de apostel Paulus en die van anderen houden ons keer op keer voor dat de wet niet opgaat in het evangelie, maar een eigen en zelfstandige plaats inneemt. Een plaats die men de wet óók moet laten. Dat de wet tot in de eeuwen der eeuwen zelfs een plaats heeft, blijkt overduidelijk als er in het boek Openbaring wordt gezegd, dat in de hemel het lied van Mozes en dat van het Lam te horen zal zijn. Vrij vertaald: het lied van de wet èn dat van het evangelie. Het zal een volmaakt loflied op de wet èn op het evangelie zijn.

Uit de wet
In een vorig artikel ben ik er al even op ingegaan, dat zondekennis wordt opgedaan door de wet.
't Is mij bekend, dat de wet meer dan één functie heeft. De wet heeft ook het een en ander te zeggen in de samenleving. Voor de regelgeving kunnen de tien geboden uitgangspunt zijn. Als zij in de maatschappij worden gehanteerd ten opzichte van de regelgeving, kan dit vaak alleen maar zijn in afgeleide zin.
Ook hebben de geboden Gods in het leven van Zijn kinderen een plaats. De heiliging van het leven gaat niet om buiten de wet des Heeren. Aan het doen van deze geboden wordt geen loon naar verdienste toegekend. Wel mag men spreken van genadeloon. Zij worden gedaan uit dankbaarheid voor het nieuwe leven dat uit genade is geschonken.
Het leven van een èchte christen wordt altijd gekarakteriseerd door een grote liefde tot de wet Gods. Er is een hartelijke begeerte om naar al Gods geboden te leven.
Toch heeft de wet ook nog een andere functie. Zij ontdekt aan de zonde. De apostel Paulus horen wij zeggen: ik kende geen zonde dan door de wet. Ook horen wij hem zeggen, dat de wet is een tuchtmeester tot Christus.
De Heidelberger horen wij vragen: Waaruit kent gij uw ellende? Het antwoord is: uit de wet Gods.
De wet heeft – om het met Calvijn te zeggen – een zonde-onthullende werking. 't Moet gezegd worden: zó is de wet in eerste instantie door God niet bedoeld. De wet is gegeven tot leven. Adam bezat in het paradijs een ingeschapen Godskennis, doch niet minder een ingeschapen kennis van de wet. Als hij zich nauwgezet aan het werkverbod (het onderhouden van de wet) zou houden, zou hij leven, eeuwig leven. De wet zelf en met name de gehoorzaamheid daaraan zou hem tot leven zijn.
Helaas… Adams val en daarmee onze val was duizelingwekkend. Door zijn en onze onze schuld bereikt de wet dat doel, nl. dat zij ons gegeven is ten leven, niet meer. De wet is ons niet meer ten leven. De wet kan ons alleen maar verdoemen. Nooit of te nimmer zal enig werk van de wet ons kunnen behouden. Want wij kunnen de wet niet meer volkomen gehoorzamen.
Het bovenstaande is snel opgeschreven. Vergeet niet: 't móet beleefd worden. Het komt wel voor dat men urenlang op een heel leerstellige manier daarover kan spreken zonder dat men er een levende kennis aan heeft.
Mijn ervaring is, dat men hoe langer hoe minder gaat spreken naarmate men meer gaat verstaan, dat de wet ons niet meer ten leven is. Als er dàn gepraat wordt, is het tussen God en de ziel. Immers als de Heere Zijn wet hanteert en ons laat zien wat zonde is, alsmede hoe schandelijk de zonde is en wij Hem daardoor van Zijn eer beroven, wordt dat meer een zaak tussen Hem en ons dan dat wij op de straten van Askelon breed gaan uitmeten, hoe zondig en slecht wij wel zijn.
Kennis van de zonde door de wet en daaraan gepaard gaande een hartelijke schuldbelijdenis doet ons veeleer smeken: 'Heere, dat de laagste plaats in Uw huis mij zij gegeven; nooit heeft iemand zoveel kwaad tegen zoveel goed bedreven'. Laten anderen er dan een vermaak in vinden om hun zonden en hun bedreven kwaad breed voor anderen uit te meten, zodat er van hen wordt gezegd dat zij er toch wel heel diep onderdoor moeten gaan, wanneer men oprecht wordt voor God wordt men beducht om zijn mond tegenover anderen open te doen, maar zal men des te meer tot de Heere zeggen: 'Heere, mijn zuchten is voor u niet verborgen.' Maar dan mag ook dit ondervonden worden: 'Hij geeft ze moet en krachten, die hopend op Hem wachten.'
Kort samengevat: de wet zegt ons wat wij gedaan hebben. En wanneer door de Heilige Geest zonde zonde wordt en schuld schuld dan komt er een hartelijke schuldbelijdenis. Let er maar eens op in eigen leven of in dat van anderen, hoe er dan ook een hartelijke begeerte komt om met de zonde te breken. Een levend zondebesef zal altijd in ons hart een verlangen doen ontbranden om alle zonden vaarwel te zeggen en tot een nieuw godvruchtig leven te komen. Want wat zijn dat voor christenen, die zeggen vergeving van zonden te hebben ontvangen en in wier leven daarvan niet het geringste is te bespeuren. Houdt het er maar voor, dat tengevolge van die 'vreemde vrijspraak' de wet opnieuw op uw hart gebonden wordt. Anders gezegd: opnieuw in uw ziel wordt afgedrukt, maar dan nu om de wet te doen uit dankbaarheid.

De wet in de prediking
In het voorgaande heb ik het een en ander geschreven, hoe de Heilige Geest de wet hanteert. Min of meer heb ik een exegese gegeven van Romeinen 3 : 20: 'Door de wet is de kennis der zonde'. Door de wet worden wij veroordeeld en leren wij wat het inhoudt dat wij de gerechtigheid missen. Terecht merkt W.H. Velema op dat bij deze exegese geen sprake is van een gedrongen verband. Er wordt uitgelegd wat de wet doet. Juist de veroordelende werking van de wet doet zien, dat er wat anders nodig is om gerechtigheid voor God te verkrijgen. Dat is het evangelie. Paulus spreekt hier (in Romeinen 3 : 20) niet los van Christus. Ik denk dat wij dit laatste goed moeten vasthouden, want anders ontkomen wij niet aan wetticisme.
De wet werkt door de Heilige Geest kennis van zonde. Maar komt die wet ter verkrijging van die kennis dan als het ware als een lawine over ons heen? Moet in de prediking alleen maar het woord 'wet' genoemd worden en ontstaat daardoor zondekennis en schuldbelijdenis? Mijn antwoord is: in géén geval, want zó werkt het niet. Hooguit kan er gezegd worden, dat de dominee het goed heeft gezegd en hij een zeer rechtzinnig man is, maar verder blijft een ieder er koud onder. Men gaat weer over tot de dingen van elke dag!
Natuurlijk ben ik het met een lezer eens als hij mij zegt, dat de ontdekking aan de zonde door de wet een werk van de Heilige Geest is. Ik hoop dat ik dat in dit artikel, maar ook in de vorige, min of meer duidelijk heb gemaakt.
Hoewel het een werk is van Gods Geest, is het toch niet zo dat de Geest in het werk van de ontdekking onordelijk te werk gaat. Nooit of te nimmer wordt een mens direkt aan alle tien geboden schuldig gesteld. Doorgaans laat de Heilige Geest heel geleidelijk een mens ontdekken, wie hij is en dat men nooit één van Gods geboden heeft gehouden.
Maar let wel: die ontdekking begint soms heel eenvoudig en vooral heel concreet. David kreeg heel concreet te doen met de zonde tegen God èn Uria. Nathan horen wij zeggen: 'Gij zijt die man'. Van John Bunyan is bekend, dat het vierde gebod voor hem ging leven. Hij kwam er achter, dat hij zich om zondagsrust noch om zondagsheiliging ooit had bekommerd.
De preek behoort gerelateerd te zijnaan het leven van iedere dag. Waarom wordt er zo weinig schuldbesef gevonden? Waarom dreigen wij dit Bijbels gegeven kwijt te raken? Zou het niet als oorzaak hebben, dat onze preken vaak zo steriel zijn? Alsook dat zij zo ver van het dagelijks leven afstaan.
Niemand zal zeggen dat het verkeerd is als in een preek de gemeente wordt voorgehouden, dat een mens bekeer móet worden. Ik val dat helemaal bij. Maar waarvan moeten wij dan bekeerd worden, en hoe gaat dat in z'n werk? Ik denk dat dit in de preek heel concreet gemaakt moet worden door de zonden aan te wijzen, opdat de Heilige Geest ons kan laten schrikken. En let wel: het moet in de preek dan niet alleen gaan om concrete zonden tegen de tweede tafel van Gods wet, maar niet minder om concrete zonden tegen de eerste tafel van Gods wet. Want het gevaar is niet denkbeeldig, dat wij in de preek druk zijn met concrete zonden tegen de tweede tafel van de wet, d.i. tegenover onze naaste, maar dat de eerste tafel, d.i. tegenover God, wordt vergeten. Schrijf ik te veel neer als ik stel dat alle zonden tegen de tweede tafel van de wet voortkomen, omdat de relatie tegenover God, zoals die ons in de eerste tafel wordt voorgehouden, verbroken is? Een herstelde relatie met de Heere geeft ook een herstelde relatie met de medemens.
Hoe het ook zij: wij mogen de tweede tafel van Gods wet niet isoleren van de eerste. Beide tafels dienen in evenwichtige dosering, geconcretiseerd, aan de orde te komen.
De Heilige Geest bedient zich doorgaans niet van allerlei vage uitspraken over de zonde, maar wel van die waarin duidelijk de zonde wordt aangewezen.
Natuurlijk zal men met het concretiseren voorzichtig moeten zijn. Het zal in de prediking toch altijd een zekere algemeenheid hebben. Het mag niet voorkomen, dat men na de prediking bij het naar huis gaan tegen elkaar zegt: 'dominee heeft het eens goed gezegd en hij heeft die of die flink te grazen gehad, want zij maken zich daaraan schuldig'. Dominees moeten dienaangaande Bijbels maat weten te houden.
(Wordt vervolgd).

G.S.A. de Knegt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Raken wij iets kwijt?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1992

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's