Raken wij iets kwijt?
Over schuldbesef (4)
Het zal ons de vorige keer wel duidelijk zijn geworden, dat er vanaf de kansel concreet over de zonde móet worden gesproken.
Een ieder zal begrijpen, dat men iedere persoonlijke aanduiding van de preekstoel moet vermijden.
't Mag niet voorkomen dat na de preek wordt gezegd: dominee heeft deze man òf die vrouw bedoeld en hem òf haar flink op de tabberd gegeven.
Niet de zondaar, maar de zonde moet met naam en toenaam genoemd worden. Anders gezegd: de zonde mag heel concreet worden aangewezen, opdat de zondaar ontmaskerd wordt.
Niet zo eenvoudig
Wie mocht denken, dat het concreet aanwijzen van het kwaad gemakkelijk is, vergist zich.
Wij zullen verstaan, dat zeker niet iedere tekst aanleiding geeft om in de prediking een heel concrete zonde aan te wijzen. Dat wil intussen niet zeggen, dat er dan maar zo vaag en zo algemeen over de zonde gesproken moet worden, dat de zondaar alle gelegenheid krijgt om te ontsnappen. In geen enkele preek mag een soort ontsnappingsclausule schuilen. Niettemin kan de zonde doorgaans concreter worden aangewezen bij de behandeling van de wet Gods dan wanneer er gepreekt wordt over: 'Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids.'
Ook moet men bij iedere tekst niet alles erbij willen halen.
Zo herinner ik mij in de lijdenstijd ooit eens een preek gehoord te hebben over het levenseinde van Judas. Onder andere werd in die preek gezegd, dat wij uitbuiters zijn. Wij buiten onder meer de aarde uit. Zo'n tien minuten ging de preek over de milieuproblematiek. Van alles werd er bij gehaald, hoewel het met de tekst over het levenseinde van Judas niets van doen had. In sommige tijden zijn er bepaalde zaken die een ieder bezighouden. Te denken valt onder andere aan de Godsverduistering. Vrijwel iedere tekst voor de preek scheen enige tijd geleden over de Godsverduistering te spreken. Natuurlijk was dat niet het geval. Toch werd in iedere preek dit verschijnsel te pas en te onpas aangehaald. 't Is zelfs zo vaak gebeurd, dat mensen gingen zeggen: 'wij hopen dat dominee de Godsverduistering vanmorgen op zijn studeerkamer heeft gelaten.'
Ik wil maar zeggen, dat wij ook wel eens te modieus kunnen zijn in de prediking. Wij hollen achter de actualiteit van de dag aan, terwijl wij minder kijken of de tekst wel aanleiding geeft om een bepaald verschijnsel aan te halen.
Zo is het ook met aanwijzen van een bepaalde zonde. Omdat die zonde op de agenda van de wereld of op die van de kerk hoog genoteerd staat, moet er blijkbaar telkens over gesproken worden.
Om kort te gaan: het aanwijzen van concrete zonden in de preek, kan alleen gedaan worden, wanneer dat uit de tekst opkomt.
Terecht heeft H. Jonker ons voorgehouden de tekst voor de preek in het heden te laten spreken en over het heden neer te leggen, doch niet andersom. Dit laatste geeft alleen maar inlegkunde te zien. En inlegkunde zal nooit te horen geven: 'Gij zijt die man'.
Toch is er bij dit alles nog wel iets op te merken. Het zal ons bekend zijn dat er in de karolingische tijd biechtboeken waren. Deze boeken lieten geen zonde onbelicht. Vooral het kwaad op seksueel terrein werd in die boeken uitvoerig omschreven. Geen detail daarvan werd onbelicht gelaten.
't Moet gezegd worden dat deze biechtboeken soms zeer eenzijdig van samenstelling waren. De tweede tafel van Gods wet kreeg veel meer aandacht dan de eerste. Niettemin hadden deze boeken wel waarde. De zonde werd maar niet vaag aangewezen, doch heel concreet gesteld. Een ieder wist waar men schuldig aan was.
't Zelfde vinden wij eigenlijk ook in de zondencatalogus in het formulier van het Heilig Avondmaal. De opstellers hebben de mensen maar niet droog laten zwemmen, maar heel concreet aangewezen wie zich van de tafel des Heeren had te onthouden door een bepaalde zonde aan te wijzen. Ik hoop in een volgend artikel dit nog verder uit te werken.
Wel blijkt reeds, dat vaagheid niet in het woordenboek van de opstellers heeft gestaan. Toch moeten wij niet vergeten, dat de wereld een aantal eeuwen terug niet zo gecompliceerd in elkaar zat als vandaag aan de dag.
Ook hebben wij in onze kontekst weer met andere zonden te maken dan de mensen ten tijde van de reformatie. De zondencatalogus in het Avondmaalsformulier zou daarom niet alleen hier en daar gewijzigd kunnen worden, maar zelfs ook uitgebreid. Toch blijft het concreet zijn in de prediking met name vanwege allerlei pastorale overwegingen een moeilijke bezigheid.
Ik wil een tweetal voorbeelden geven. Iedere dominee wil graag dat de gemeenteleden op zondag naar de kerk komen. Vroeger liepen de gemeenteleden meestal. In onze tijd pakt men al heel snel de fiets òf de auto. Laten wij maar nuchter zijn: bij iedere kerk staat op zondagmorgen een indrukwekkend wagenpark.
Maar als de dominee nu in z'n preek zegt, dat het slecht is voor het milieu dat men op zondag met de auto naar de kerk gaat en dat men op een heel verkeerde manier met Gods schepping bezig is, wat zal er dan gebeuren? Zal dan niet een klein òf een groot deel van de gemeente zeggen: 'wij gaan elders ter kerke, want onze dominee wijst iets als zonde aan wat wij helemaal niet als zonden zien'.
Een ander voorbeeld! Ik hoorde in een preek eens een dienaar van het Woord uithalen naar de agrariërs. Laatstgenoemden deden werkelijk niets goed. Zij waren bij uitstek uitbuiters. Wie veel met agrariërs te maken heeft, zal weten dat zij volstrekt geen uitbuiters zijn, maar dat het in 't algemeen harde werkers zijn. Zij houden van hun land en van hun werk. Het gaat dan ook te ver als er wordt gezegd dat zij alleen de oorzaak zijn van de milieuvervuiling. Aan deze zonde zijn wij allen schuldig.
't Is verkeerd om slechts naar één bevolkingsgroep te wijzen, terwijl wij allen schuldig staan.
Heus, 't is allemaal niet zo gemakkelijk. Men kan wel zeggen dat de intensieve veehouderij niet goed is, maar wij moeten niet vergeten dat wij het dan ook over de boterham van de veehouder hebben. Zo zijn er nog wel meer dingen te noemen. Duidelijk zal zijn dat het pastoraal gezien allemaal nog niet zo eenvoudig is. Zeker niet als het om mensen èn om hun brood gaat. Uitermate grote voorzichtigheid zij daarom geboden als men in de prediking dingen aanwijst als zonde die heel gevoelig zijn. Dominees moeten bovendien beseffen dat zij niet over alles wat behoeven te zeggen. Zij hebben ook niet overal verstand van. Voor predikanten geldt wat er van schoenmakers wordt gezegd: houdt u bij uw leest!
In de dienst?
Moet er in de kerkdienst een plaats worden ingeruimd voor de schuldbelijdenis?
Voorzover mij bekend is, kwam de schuldbelijdenis in de samenkomsten van de eerste christelijke gemeente hoogstwaarschijnlijk niet voor. In de Didachè staat in hoofdstuk 14 : 1: 'belijdt tevoren uw zonden, opdat uw offer heilig zij'. De christenen moesten dus vóór de samenkomst thuis individueel zich voorbereiden tot de dienst.
In de middeleeuwen krijgt de schuldbelijdenis wel een plaats in de kerkdienst. Toch blijkt dat deze schuldbelijdenis een particuliere zaak blijft. Zij is niet zozeer een zaak van de gehele gemeente.
Calvijn heeft in zijn Straatburgse liturgie een plaats ingeruimd voor de schuldbelijdenis, maar hij heeft deze wel uit de particuliere sfeer gehaald en als een schuldbelijdenis van de gemeente laten gelden.
In 'Liturgische Oriëntatie' schrijft H. Jonker dat Calvijn aan deze schuldbelijdenis de genadeverkondiging heeft verbonden. In onze Nederlandse gereformeerde kerken heeft in de daarop volgende eeuwen de schuldbelijdenis en genadeverkondiging niet als een liturgisch moment gefunctioneerd.
In het ontwerp Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk dat in 1955 uitkwam, krijgen de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging weer een plaats in de aanvang van de dienst. Ik krijg niet de indruk dat de orde van dienst waarin dat is opgenomen veelvuldig onder ons wordt gebruikt. Hoewel het geen 'nieuwlichterij' is, wordt het meestal toch wel als zodanig beschouwd wanneer het in de liturgie een plaats krijgt. Echter… wie deze liturgie gebruikt heeft Calvijn en vóór hem de Middeleeuwen aan zijn zijde staan.
Of men in de tijd van de nadere reformatie en daarna bang is geweest voor formalisme om de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging een aparte plaats in de liturgie te schenken is mij niet helemaal bekend. Ik sluit het zeker niet uit. De vorm kan namelijk zoveel gewenning geven dat niemand meer weet wat de inhoud van de vorm is. Alle vormen zijn nu eenmaal aan slijtage onderhevig. Toch is de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging nooit een vergeten zaak geweest in de eredienst ook al zijn die niet geformaliseerd en worden zij onder ons niet in een formule uitgesproken.
Wat te denken van 'het grote gebed'? Daarin komt de schuldbelijdenis zeker aan de orde. De genadeverkondiging wordt in de preek verdisconteerd. Persoonlijk gaat mijn voorkeur uit naar déze vormgeving, hoewel ik mij goed kan voorstellen dat anderen zich bij Calvijn en de Middeleeuwen willen aansluiten. Alle vormen zijn goed als het maar geen versteeende vormen zijn. Bovendien moeten wij elkaar enige ruimte gunnen. Vooral als het om middelmatige zaken gaat. Natuurlijk, schuldbelijdenis en genadeverkondiging zijn op zichzelf geen middelmatige zaken. Zij zijn daarentegen van het hoogste belang, maar de vorm waarin zij vervat zijn die noem ik middelmatig van aard. Wat heel zeker is: men mag nooit òf te nimmer de rechtzinnigheid of de onrechtzinnigheid van iemand dienaangaande beoordelen.
't Voornaamste is als èn de schuldebelijdenis èn de genadeverkondiging door ons beleefd wordt. De vormen worden ons van minder belang naarmate zowel de één als de ander (schuldbelijdenis en genadeverkondiging) een zaak van hart is.
Huisgodsdienst
Ik kom nog even terug op de samenkomsten van de eerste christelijke gemeente. Beter gezegd op de voorbereiding van de samenkomsten. Uit alles is op te maken, dat men ruim de tijd nam alvorens men naar de kerk ging. Men rolde niet z'n bed uit en vervolgens de kerk in. Men bereidde zich behoorlijk voor. Men deed dat zelfs als gezin. Voordat men in de kerk voor Gods aangezicht trad, deed men dit eerst thuis. In het gebed beleed men de zonde. De schuldbelijdenis had daarin een voorname plaats. Toen ik dat overdacht, dacht ik: wat een waardige voorbereiding. Wat kan er al een zegen worden ondervonden alvorens men naar Gods huis gaat. Maar ook: wat is men zich dan bewust van de heiligheid des Heeren en van die van Zijn huis.
'k Denk dat wij hiervan wel wat kunnen leren. 't Verdient zeker navolging. (wordt vervolgd)
G.S.A. de Knegt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's