Globaal bekeken
Enkele weken geleden sprak Jac. Overeem, in een serie van drie vraaggesprekken over zijn leven voor EO-radio op zaterdagavond, een gedicht van zijn hand over 'moeder' uit. Het sprak mensen aan. Hier volgt het overgenomen uit de bundel 'Ik hoorde de stem van mijn moeder'.
Mijn moeder
Hij zat op zijn honk bij het smalle raam,
voorbij de bedsteé, onder 't suizen van de linden;
En zocht in 't schrijven zijn vermaak te vinden;
Waar droom en werkelijkheid vloeiden tesaam.
En als dan vader riep door d'achterdeur;
– Waor is die 'stinkerende aop' noe weer gebleven?
En nog een baas riep harder dan zo even…
Dan bloosde moeder met een diepe kleur
Dat was voor haar steeds weer een hachlijk uur.
Dan zei ze: – Jong, lig 'r toch niet te schrieven!
En wilt toch liever bie joe aambacht blieven!
En gaoi toch ievrig waarke in de schuur.
Maar als de wind in d' avond, koud en guur,
gezwind ging om het huis langs alle hoeken,
dan las zij steelsgewijs, maar hongerig zijn boeken,
en zocht naar voedsel voor 't gebluste vuur.
O ja, toen zij nog jong was, frank en vrij,
de poëzie beminde van het zomers leven.
En zij de vlotte jongeling haar hand wou geven,
nog niet bevroedend 's levens barbarij
van werken, zwoegen, sparen om de last
van schulden niet tot ieders leed te zien vermeren.
De harde druk van 't moeitevol begeren…
en de geladen sfeer, die daarom heen wel past.
Eerst was er vreugd in 's levens lentetijd.
Genoot zij 't wenken van de lachende landouwen.
En kon zij elke dag van 't leven houwen,
tot dienen en tot geven steeds bereid.
Maar opgenomen in de wereldstroom
van 's levens moeiten en kommervolle zorgen,
zag zij met schrik de komst der nieuwe morgen.
Geen gave vruchten aan de levensboom.
Er kwam van jaar tot jaar een rimpel bij.
Zij wist, er kon geen nieuwe lente dagen.
Maar rijzen zou de berg van duizend vragen.
Zij vroeg niet meer: – Is er een dag voor mij?
De liefde van het jeugdige begin
was lang vergaan, de eindeloze weken,
waarover 't grauw der zorg kwam neergestreken,
beloofde haar geen blozend hartsgewin.
Slechts één oase troostte haar gemoed…
de zondagmiddag, 't Goddelijk minnestrelen.
Mocht zij de rust van Gods gemeente delen,
en putten uit de milde overvloed.
Dat gaf haar reeds vooruit een blij gevoel.
Dan ging zij als een hinde door de velden,
waar 't klokgelui de komst des Heeren meldde,
langs 't korenwegje en 't begeerde doel.
Oase, ja een rust voor 't strijdend hart.
De dauw des Hemels kwam haar geest verkwikken.
Dat waren voor haar gouden ogenblikken…
Daar werd voor haar de dichte knoop ontward.
De weg terug was dan geen kwelling meer.
Ook dáárvoor had zij kracht en lust ontvangen.
Dáár was haar taak… en met verstild verlangen
keer de z' uitgerust naar d'oude hofsteé weer.
In het kwartaalblad Herdersporen (red. W. Hardeman) stond het volgende over 'Het beroepingswerk in de Nederlandse Hervormde Kerk in 1992':
'Het totaalaantal uitgebrachte beroepen in de Nederlandse Herv. Kerk was bijzonder hoog. In de afgelopen 6 jaren gaf alleen 1989 met 420 beroepen een hoger getal. Tot op dit moment (1 december) is 1992 met 392 beroepen een goede tweede. Hieronder een terugblik:
1984: 360 beroepen 1987: 379 1990: 375
1985: 350 beroepen 1988: 348 1991: 331
1986: 373 beroepen 1989: 420 1992: 392
Cijfers moeten we leren op de goede manier met elkaar te vergelijken of te willen vergelijken. Wel staat het qua aantal vast dat de stijging van het aantal beroepen volledig voor rekening komt van de "rechterflank". Tot nu is het aantal beroepen van midden/links precies even hoog als in 1991.
Cijfermatig heb ik het niet berekend maar ik heb wel het gevoel dat in 1992 meer predikanten en candidaten een beroep naar meer plaatsen tegelijk kregen, en dat houdt in dat maar op 1 beroep ja gezegd kon worden. Dat gebeurt in midden/links niet. De nieuwe predikantsplaatsen kunnen ook een rol spelen.
Percentueel is de vehouding ja/neen er ook. Er veranderde iets. In 1990 en 1991 nam 36% van de beroepen rechtse predikanten het beroep aan. In 1992 was het anders, 43% wilde ja zeggen dus 57% zei neen, bijzonder niet? Dus snijdt mijn veronderstelling van "meer beroepen op dezelfde persoon" geen hout! Het zou het laatste eerder negatief beïnvloeden. In midden/links is het 85% ja en 15% neen.'
Hier volgen enkele anecdotes betreffende de befaamde prediker C.H. Spurgeon, uit een boekje, opnieuw in druk uitgegeven door Jac. Overeem (boekzaal Bogerman, Bennekom).
• Spurgeon's laatste rustplaats
'Spurgeon had den wensch te kennen gegeven om op het kerkhof van Norwoord ter ruste gelegd te worden. Hij bezocht dat kerkhof bij zekere gelegenheid met den heer Mc. Master, die er heenging om eene plek voor een familiegraf uit te kiezen. Spurgeon wees op een plekje, maar zijn metgezel had er op tegen, dat dit te zeer in 't oog viel. "Neen", zeide Spurgeon, "dat Is juist een goede plaats voor u." Men werd het omtrent de plek eens, en toch zeide Spurgeon, zich tot den opzichter van het kerkhof wendende: "Hebt gij nu ook een bescheiden hoekje, waar gij Spurgeon eens zoudt kunnen nederleggen?" Er werd een hoekje aangewezen en Spurgeon zeide: "Dat is goed".
Het hoekje was een deel van een driehoekige plek, waar niet minder dan vier diakenen van den Tabernakel, benevens eenige leden van hunne familie, zijn begraven.'
• Een knevel
'Een Nederlander, die, naar zijn zeer nette hand en zijn afgepaste zinnen te oordelen, een zeer voorbeeldig persoon moet zijn, schreef mij eens een' brief, die een ernstige vermaning inhield. Daar hij mijn gedrukte leerredenen met veel genoegen gelezen had, was hij er toe gekomen om mij als een godzaligen bedienaar des evangelies te beschouwen; weshalve hij zich toen hij eens een' keer in Londen kwam, de gelegenheid om mij te hooren had ten nutte gemaakt. Hiervan echter had hij groote spijt, daar hij nu het vermogen om mijne preeken met genot te lezen, voorgoed verloren had. Wat zoudt gij meenen, dat ik gezegd of gedaan had om de goede gedachte, die een zoo voortreffelijke Hollander van mij had, mij onwaardig te toonen? Laat mij uwe ongerustheid wegnemen door te zeggen, dat hij van gevoelen was, dat ik uitnemend predikte, ook beschuldigde hij mij niet van eenigerlei buitensporigheid in mijne voordracht; maar mijn uiterlijk, dat was het wat hem ergernis gaf. Ik droeg een' baard, en dat was al erg genoeg; maar erger nog: op mijne lip ontdekte hij een' knevel! Hoe strafschuldig dit nu moge zijn, zoo is het toch in werkelijkheid een zoo onbeduidende zaak, dat hij over zulk een nietigen overtreder had kunnen heenzien. Maar neen; hij zeide, dat ik een' knevel droeg evenals een vleeschelijke, wereldschgezinde man! Denk eens aan! In plaats van goed en wel geschoren te zijn, gelijk de heilige man, dien hij gewoon was te hooren, en een flink gesteven boord om mijn' hals te dragen van een' duim of wat breed, was ik zoo bedorven, dat ik geen' boord droeg en van geen scheermes wilde weten. Zijn ideaal was een'prediker met toga en bef en staande boorden en eene vrouwenkin was niet buitensporig; maar omdat ik mijn haar liet groeien zooals de natuur dat verkoos, was ik buitensporig, en lichtzinnig, en vleeschelijk, en wereldschgezind, en alles wat maar leelijk is.'
Wat voor de jeugd leesbaar is kan ook voor ouderen interessant zijn. Op de jeugdpagina van het Nederlands Dagblad het volgende vraaggesprekje met een 'matroos' (W. Dorland). 'Golven van 15 meter', dat is niet niets.
'Wat waren de hoogste golven die u hebt gezien?
Ongeveer vijftien meter. Dat was tijdens een storm op de Noordzee.
Bent u wel eens zeeziek?
Als ik van verlof terugkom, moet ik eerst twee dagen inslingeren. Dat hebben zes van de tien zeelui. Je voelt je katterig. Maar echt zeeziek, nee.
Valt u wel eens in zee?
Nee, maar laatst heb ik wel een ander in zee zien vallen. Het liep gelukkig goed af.
Ziet u ook vliegende vissen?
Als je de oceaan oversteekt, vallen er alle dagen wel een stuk of vier op dek. Ze vliegen dus behoorlijk hoog.
Hoe lang is uw langste zeereis geweest?
Tien maanden, de hele wereld rond. Ik was toen 21 jaar. Het ging van Canada naar de Antillen, toen naar Noorwegen, toen naar Spanje, toen naar India, vandaar naar Nieuw-Zeeland, naar Chili, toen via West-Afrika weer naar IJmuiden.
Wat was uw leukste dag op zee?
Tegenwoordig vaar ik naar platforms in de Noordzee. Dan maak je niet zoveel mee. Maar vroeger… de leukste dag? Dat was bij de kust van India. We hadden weinig te doen. We voeren met een reddingsbootje een rivier op, heel ver. Om aardappels te halen, maar meer voor de lol. Toen kwamen we bij een echt oud dorpje, heel apart.
Wat is uw werk op het schip?
Ik ben machinist. Meestal bevind ik me twaalf uur per dag onder de zeespiegel.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's