De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verantwoord handelen in het groot en in het klein

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verantwoord handelen in het groot en in het klein

Een vierluik

14 minuten leestijd

Het recht zal zijn loop hebben. Het zal recht toegaan onder de mensen, in de menselijke verhoudingen. Daarvan is de Schrift vol. Daarom is er ook rechtspraak, zowel met betrekking tot conflicten in de persóónlijke sfeer als bij kwestieuze zaken in de volkerenwereld.
Als het recht struikelt op de straten kan en zal er geen zegen zijn. Dat mag niet altijd op korte termijn al zichtbaar zijn, soms blijkt het op langere termijn. 'Kijk het nog maar eens na', zeggen we dan. De geschiedenis stelt vaak in het gelijk of in het ongelijk.
In het hiervolgende wil ik in beknopte zin, aanduidenderwijs een viertal zaken in deze voor het voetlicht halen.

Kerk en medewerkers
Ik begin met een kwestie in de kerk. In het laatste nummer van dit blad van het jaar 1992 stond een 'Oproep om de relatie met Israël niet op te offeren'. In deze door vijf personen ondertekende oproep werd kritisch gereageerd op het besluit van de hervormde synode om 'de luisterpost in Jeruzalem', dat wil zeggen de functie van de theologisch adviseur vanwege de Hervormde Kerk in Jeruzalem op te heffen. In plaats van die post zal een in Nederland gestationeerde reizende ambassadeur worden aangesteld, die het vraagstuk Kerk en Israël niet alleen in Israël zèlf maar ook elders in de wereld, waar joden wonen, ter hand gaat nemen.
Nadat dit stuk, ter informatie, in de Waarheidsvriend was geplaatst, vroeg de secretaris van de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël schriftelijk aan ondergetekende om publiekelijk rekenschap te geven van het 'waarom' van opname van dit stuk. Stemt ondergetekende ermee in en durft hij daarmee ook in te gaan tegen een unaniem besluit van de hervormde synode? Dat wilde Vreekamp publiekelijk uitgesproken zien. Dat is dus wel het mes op de keel. Daarom, hoewel node, een openhartig antwoord.


Wie het stuk gelezen heeft moet tot de conclusie komen, dat op de achtergrond vele vragen meespelen. In feite speelt op de achtergrond een rol een diepgaand geschil tussen de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël en de theologisch adviseur in Jeruzalem, dr. G.H. Cohen Stuart.
Hoe zit dat dan precies? Het is verre van mij om hier te treden in alle details van een verstoorde arbeidsverhouding. Het zou zelfs kunnen zijn dat ik er wat voorkennis betreft te dicht bij sta. Maar het lijkt mij onweerspreekbaar, dat de functie, die nu gecreëerd wordt, niet losstaat van het feit, dat dr. Cohen Stuart moet verdwijnen. Nu behoeft niemand mij te verdenken van vooringenomenheid van modalitaire aard als ik zeg, dat ik respect heb voor het werk, dat door Cohen Stuart in Jeruzalem is verricht. Cohen Stuart heeft nimmer blijk er­ van gegeven tot de kring van de Gereformeerde Bond te behoren. Wat niet wegneemt, dat hij door de wijze, waarop hij zijn taak verrichtte, ook – hoewel niet alléén – in de rechterflank van de kerk respect heeft verworven.
Overduidelijk is echter, dat het respect voor zijn werk ook in Israël de jaren door groot is geweest. Mijn inziens moet van die kant de eerste kritiek nog komen. De kritiek, die op zijn werk is geuit in Nederland, had vaak te maken met de duidelijke solidariteit, die hij ten opzichte van Israël toonde in het spanningsveld in het Midden Oosten. Dat zinde niet ieder. Hij bleef er bijvoorbeeld met zijn gezin tijdens de Golfoorlog. En zo zou meer te noemen zijn.
Door het opheffen nu van de post in Jeruzalem, met déze bemanning, wordt dunkt mij schade toegebracht aan een zorgvuldig opgebouwd relatiepatroon. De vraag is ook nog niet beantwoord waarom niet juist Cohen Stuart, in de jaren die hem nog gegeven zijn, zijn grote ervaring dienstbaar mag maken in de nieuw gecreëerde functie. Het zal ons benieuwen wie in staat wordt geacht deze functie nu wereldwijd te gaan uitoefenen met eenzelfde inhoudelijke bagage. De kwestie van de solidariteit met Israël in het Israëlisch palestijnse conflict is daarbij niet van ondergeschikte betekenis. Die overtuiging mag tenminste ook van de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël worden verwacht. Ziehier, beknopt, mijn eerlijke verwoording van de kwestie, waarom het gaat.


Nu mag intussen weliswaar de hervormde synode een unanieme beslissing hebben genomen inzake de nieuwe functie en er mogen aan de kwestie rondom de huidige functie kanten zitten, die binnenskamers moeten blijven, maar de kerk is onkundig gehouden van de werkelijke motieven achter het gewijzigde beleid. De zaak is telkens achter gesloten deuren behandeld. Cohen Stuart heeft niet éénmaal gelegenheid gekregen om zijn zaak in de synode te verdedigen en zijn visie kenbaar te maken. De synode zelf is zo telkens eenzijdig voorgelicht. Naar buiten toe zijn vaak mistgordijnen opgetrokken en gesprekken zijn uit de weg gegaan. Hier liggen ook voor mij wezenlijke vragen. Heeft alles een rechte gang gehad? Het moet toch juist de kerk een zorg zijn zorgvuldig en naar recht met de eigen mensen om te gaan?

Welnu, de toekomst zal het leren. Het recht zal zegevieren. Dr. Vreekamp preste tot een eerlijke verklaring. Die is dan op deze wijze gegeven. De brief van de vijf bevat elementen genoeg, die om opheldering vragen, ook al is naar mijn overtuiging de relatie tussen Cohen Stuart en de Raad onherstelbaar verstoord. En het zal naar mijn overtuiging behoorlijk tijd vergen om de nieuwe weg van de Raad ook metterdaad te bànen.

Israël en de palestijnen
In het bovenstaande tipte ik ook even aan de kwestie Israël en de palestijnen. Het is een kleine stap om daarop nog verder concreet in te gaan. Deze zaak is weer volop aan de orde, nu de Israëlische regering 415 palestijnen het land heeft uitgezet. Een slechter tijdstip was niet denkbaar. Hun verblijf in een tentenkamp in Libanon, onder bepaald niet aangename klimatologische omstandigheden, roept de meewaarigheid van de hele wereld op. Heel de wereld roept hier ach en wee. De vraag wat er eerst was, het ei of de kip, wordt allang niet meer gesteld. Dat concrete daden van terreur, van moord op onschuldige burgers – al gaat het dan in dit geval om de moord op een officier, die zijn taak verrichtte – ten grondslag liggen aan de uitzetting is allang vergeten. Dat is telkens weer in de recente geschiedenis het geval geweest. Terreurdaden van palestijnen tijdens de Olympische Spelen in München of bij overvallen op bussen met schoolkinderen (om maar twee sprekende voorvallen te noemen), zijn telkens in de schaduw gesteld bij daden, die de Israëlische regering stelde om eigen burgers te beschermen. Jarenlang zat Shamir in de beklaagdenbank. Hij heette een harde, onbuigzame rechtse havik te zijn. Nu blijkt evenwel, dat Rabin, de man uit het kamp der socialisten, in feite niet veel anders kan doen dan zijn voorganger.
Bij alle ach-en-wee-geroep in de wereld wordt telkens het volkenrecht erbij gesleept. Dat volkenrecht verbiedt kennelijk een maatregel, zoals die nu door Israël genomen is. Maar hoe zit het dan met terreur? Hoe zal het recht dan zijn loop hebben, wanneer terreur een volk bedreigt? Als ik daarover als eenvoudig burger, levend ver buiten Israël, mijn gedachte laat gaan, lijkt het me alleen maar hard nodig dat Israël orde op zaken stelt. En stel nu, dat Israël deze terroristen had berecht en vervolgens, bij gebleken schuld, had opgesloten? Zou dat enig verschil hebben gemaakt in de wereldopinie? De vooringenomenheid is allerwegen tastbaar en hinderlijk aanwezig. Ook bij een dergelijke procedure zouden de kritische stemmen niet van de lucht zijn geweest.
Misdaad lijkt te lonen. Dat geldt, naar het schijnt, als het gaat om de wandaden der palestijnen. Wie tegen misdaad orde op zaken stelt, komt in de beklaagdenbank.


Toch realiseer ik me, dat ook nog iets anders moet worden gezegd. Van de arabische landen kan moeilijk worden gezegd, dat het rechtstaten zijn. De wandaden zijn er niet van de lucht en worden getolereerd. Overheden zijn zelf deel van het probleem. De wereld kijkt bijvoorbeeld machteloos toe bij de wandaden van Saddam Hoessein. En hij is niet de enige, die daar wandaden pleegt.
Israël echter is wèl een rechtstaat. Dat betekent ook, dat de standaard van het recht hier hoog zal worden opgeheven. Verkeerde daden van Israël mogen ook niet worden weggemoffeld of gekleineerd vanwege érger delicten van anderen. Dezer dagen schreef iemand, niet zonder reden, dat zij zichzelf erop betrapte, dat Israels verkeerde daden harder aankomen dan die van de arabische volkeren. Dat zou dan te maken hebben met het feit, dat Israël zichzelf een hoge norm gesteld mag weten als het gaat om recht en gerechtigheid. Dat is een zaak om over na te denken. Israël kan ook maar niet doen wat het wil met de palestijnse burgers. Ook wanneer die een bedreiging vormen, zal recht(spraak) zegevieren. Dit zij gezegd ten opzichte van al diegenen voor wie Israëls daden bij voorbaat zuiver zijn. Maar anderzijds wordt maar al te zeer vergeten, dat Israël recht moet oefenen in een wereld (van het Midden Oosten) waar onrecht allerminst door gevoelens van recht beteugeld wordt. Dat nu moet wel een torso heten. In arabische landen zouden personen, die zich tegen het regiem keren als nu in Israël het geval was, allen een kopje kleiner zijn gemaakt. In dat licht bezien heeft Israël humaan gehandeld.

Mens en schepping
Op de Shetlandeilanden liep een olietanker vast. Opnieuw diende zich een milieuramp aan van, naar het zich laat aanzien, gigantische omvang. De mens met zijn moderne technieken en middelen blijkt in toenemende mate een bedreiging te zijn voor natuur en milieu, liever nog voor de schepping.
Gaat het nu niet te ver om te zeggen, dat ook híér het recht zijn loop zal hebben? Zulks geldt toch alleen in het intermenselijke verkeer? Alsof ook niet de schepping onder de bizondere hoede van de Schepper staat en het ook tussen mens en schepping derhalve niet naar recht zal toegaan. De rechtvaardige kent het leven van zijn beesten. En de aarde is des Heeren.


Op de concio van G.B.-predikanten, die vorige week in Zeist werd gehouden, heeft prof. J. Kamphuis behartigenswaardige dingen gezegd over schepping en heiliging (zie elders in dit nummer). De vraag mag worden gesteld of we ook binnen de christelijke gemeente soms niet wezenlijke dingen zijn kwijt geraakt als het gaat om het recht der natuur, de wereld van de dieren en de planten. Heeft niet met name het Oude Testament sterke aandacht voor het gelaat des aardrijks? In de discussie werd door ondergetekende de vraag opgeworpen hoe het komt, dat juist in het jodendom het zicht op de aarde en het leven zo sterke nadruk krijgt. Deze vraag heeft niets te maken – zoals door de spreker toen werd verondersteld – met een bepaald 'zicht op Israël' als zodanig, wèl met ons zicht op het Oude Testament. Feit is, dat binnen het religieuze jodendom geen plaats is voor abortus en euthanasie. Er is zelfs ook grote zorgvuldigheid in het omgaan met de lichamen der gestorvenen. Men denke aan protesten bij dreigende schending van graven vanwege bouwwerkzaamheden. Dat steekt alles schril af bij onze moderne, snelle ruiming van graven, om over crematie maar te zwijgen.
Maar er is ook zorg voor de ongerepte natuur. In de woestijn, waar geen blind paard schade kan lopen, wordt ervoor gezorgd, dat alles schoon gehouden wordt. Als het Oude Testament van het volk Israël in de woestijn zegt, dat het de uitwerpselen buiten de legerplaats moest begraven, dan wordt dat ook vandaag in de woestijn toegepast. Alle afval wordt verbrand. De woestijn moet schoon blijven.


Moeten we niet als christenen, in de wetenschap, dat Christus garant staat voor een nieuwe hemel èn een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, integráál eerbied hebben voor de schepping? De praktijk leert, dat in de (wereld)christenheid die eerbied vaak is gehalveerd. Zij, die de strijd aanbinden tegen abortus en euthanasie (pro life), spreken soms in verdachtmakende zin over de milieuactivisten. En diegenen, die zich sterk maken voor het milieu, laten soms, als het over bescherming van leven in de begin- en de eindfase gaat, Gods water over Gods akker lopen. Is hier in beide gevallen niet sprake van een heilloze inconsequentie?

Milieurampen bepalen ons intussen ook bij een collectieve schuld. Hoe vaak gaan niet argumenten van economisch belang uit boven die van beschermwaardigheid van Gods schepping? Wie zou dan ook kunnen en durven zeggen geen deel te hebben aan de schuld van de mens jegens de schepping en daarin jegens de Schepper? Ook hier zal het recht zijn loop hebben. Dat milieuorganisaties hier waakzaam zijn, is niet minder belangrijk dan dat pro life organisaties zich beijveren voor bescherming van leven.

Onze overconsumptie, hang naar luxe en het nummer-één stellen van geldelijk belang, zouden ons kunnen aanklagen als we ter verantwoording worden geroepen met betrekking tot onze omgang met de schepping. De ramp bij de Shetlandeilanden herinnert er ons weer aan. Ook de schepping komt om haar rechten. Zorg voor het milieu is dan ook niet uitsluitend een kwestie van onszelf behoeden tegen rampen van vervuiling. De natuur op zich mag er wezen. Coram Deo, voor Gods Aangezicht. Daaraan zal de economie ook dienstbaar zijn.

Media en slachtoffers
Wanneer mensen afzonderlijk omkomen in het verkeer of bij een bedrijfsongeval brengen de media een kort bericht en daarna gaat het gordijn dicht. Zo hoort het ook. Bij rampen gaat dat anders toe. De laatste tijd bracht weer overduidelijk aan het licht hoe slachtoffers van grote rampen door de media worden geëxploiteerd. De media zijn snel ter plaatse van de ramp en pogen hinderlijk dicht bij het gebeurde te zijn.
De hele dag door pogen de media – radio, tv en dagblad – elkaar af te troeven met gedetailleerde beschrijvingen en nog pikanter mededelingen met betrekking tot de slachtoffers. We leven in een tijd, waarin de media van dag tot dag het leven dichtbij en ver weg in beeld brengen en daartoe behoren ook de rampen.
Eerlijk gezegd wordt deze overspannen aandacht van de media bij rampen, bij het wèl en wéé van de slachtoffers, bepaald hinderlijk en genant. Er lijkt sprake te zijn van voyeurisme. Nog voordat familieleden, laat staan pastores, de kans gekregen hebben bij de slachtoffers te komen, zijn de camera's en de microfoons al in werking. De journalisten verdringen zich om de brancards, pogend nog net een glimp op te vangen en een stukje van het lijden vast te leggen. Deze exploitatie van het leed gaat zo langzamerhand alle perken te buiten.


Er zijn hier, dunkt mij, ook vragen te stellen bij massale herdenkingen, met de lijkkisten als decorum, onder het toeziend oog der media. Hebben niet de slachtoffers een eigen recht op privacy, ook als het gaat om de verwerking van het leed en van de omgang met hun doden, met name ook rondom de plechtigheid van de uitvaart?

Bij de nationale herdenking rondom de vliegramp bij Faro kwam de onpersoonlijke verwerking van het leed dunkt me wel heel pregnant naar voren. Weliswaar hadden diverse families van slachtoffers het bij die herdenking laten afweten, omdat ze kozen voor een eigen gang met hun doden. Dat op zich vraagt al een persoonlijke beslissing van de mensen. Maar dan nòg moeten we zeggen, dat zo'n massale herdenking, waarbij enkele stemmen het leed moeten vertolken, vragen oproept. In het onderhavige geval moest ieder genoegen nemen met een boodschap, die niet verder kwam dan uiting geven aan gevoelens van ongeadresseerde 'woede', zonder dat uitzicht werd geboden. Is het eigenlijk wel mogelijk bij een zo grote verscheidenheid van slachtoffers zo uniform en eenzijdig te gedenken?


Ook nabestaanden van slachtoffers bij rampen hebben recht op persoonlijke verwerking van hun leed, zonder hinderlijke aandacht van de media. Het wordt tijd, dat we ook in dit opzicht tot matiging komen. Een ethiek van rampverwerking is niet overbodig. De uit zijn voegen gebarsten publiciteit via de moderne media exploiteert het leed. Dat is ontoelaatbaar.

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Verantwoord handelen in het groot en in het klein

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's