Raken wij iets kwijt?
Over schuldbesef (5)
In een vorig artikel schreef ik dat wij voorzichtig moeten zijn om de schuldbelijdenis en de genadeverkondiging te formaliseren. Hoewel men wat betreft de formalisering daarvan in de liturgie Calvijn aan z'n kant heeft staan, houdt dit niet in dat er geen gewenning kan ontstaan tengevolge waarvan ieder effect verdwijnt.
Naar mijn bescheiden mening kan de schuldbelijdenis in de liturgie 't best een plaats innemen in wat wij noemen het 'grote gebed' en de genadeverkondiging in de prediking. Wordt men dan voor gewenning bewaard? Dat geloof ik niet. Wel is het zo dat de genadeverkondiging in de prediking niet alleen met andere woorden zal worden gezegd alsook dat die van een andere zijde wordt belicht. Dit laatste houdt verband met de tekst voor de preek. Daaruit komt immers de genadeverkondiging op? Hoewel het om dezelfde zaak gaat, spelen tekst en kontekst steeds een andere rol. Het verrassend element is althans sterker aanwezig dan wanneer steeds opnieuw dezelfde formule voor de genadeverkondiging wordt gebruikt.
Schuld- en zondebesef
In de Schrift en in 't bijzonder in de Psalmen lezen wij van mensen niet een diep schuldbesef. Behalve David zijn er ook anderen te noemen. Ik schrijf dit opzettelijk om reden dat men soms denkt dat alleen David voor God schuld heeft beleden. De schuldbelijdenis van een Jacob en die van een Jesaja is niet anders en zeker niet minder geweest dan die van David.
Nu moeten wij er wel op letten, dat schuldbelijdenis iets anders is dan zondebesef. In het zondebesef komt tot uiting dat men zich bewust is van z'n onreinheid. Men is niet zoals men zijn moet. Graag zou men anders willen zijn.
Zondebesef is er ook bij de heidenen. Wellicht in een andere mate dan bij een christen, maar een zeker zondebesef is aan de heidenen niet te ontzeggen. Dat is onder andere op te maken aan de pogingen om zich van de zonde te reinigen. Er wordt een sterke drang gevonden om een ander en nieuw leven te leiden.
't Zelfde kan ook van een christen gezegd worden. In het pastoraat ontmoet iedere ambtsdrager mensen, die een zeer sterk zondebesef hebben. Zij gaan er onder gebukt. Zij worstelen en strijden vaak om tot een ander leven te komen. Hun begeerte is om van dit zondebesef verlost te worden, want dit zondebesef legt een zware druk op hun leven.
Toch gaat schuldbesef en een daarmee gepaard gaande schuldbelijdenis verder en dieper. J.G. Woelderink schrijft terecht: 'Schuldbesef daarentegen veronderstelt onmiddellijk de betrekking tot de levende God. Het is niet enkel een besef, dat men onrein is, maar dat men tegen God gezondigd heeft, dat men Zijn geboden niet gehouden heeft, maar die vrij en moedwillig heeft overtreden' ('Van den Heilige Geest en van zijn werk', tweede druk; pag. 65).
Bij schuldbesef komt men niet alleen in aanraking met een God, die van verre staat vanwege onze onreinheid, maar met een God, die op ons toornt vanwege onze zonden. De gramschap Gods wordt in mindere of meerdere mate ervaren.
Als men mij vraagt wat het verschil is tussen zonde- en schuldbesef, geef ik als antwoord, dat men bij zondebesef zichzelf nog goed kan helpen, maar dat men bij schuldbesef geholpen móet worden.
Bij zondebesef kan men zichzelf nog aardig op de been houden. Men wordt wel als het ware door de wet achtervolgd en men hoort de wet wel zeggen: 'betaal mij, wat u mij schuldig bent', maar men is nog altijd de mening toegedaan, dat men zelf door hard te werken zich van de zonde kan verlossen.
Zondebesef op zich verwacht geen oplossing van de levende God. Men blijft wroeten in en met zichzelf om zich te helpen. Zondebesef móet (en dat is een werk van de Heilige Geest) overgaan in schuldbesef en resulteren in een hartelijke schuldbelijdenis voor God.
Hoe diep?
Wil men de schapen van de kudde leren kennen, dan moet de herder erop uitgaan om die schapen op te zoeken.
De verkondiging moge het eerste zijn in de beroepsbrief van een herder en leraar, niettemin wordt het pastoraat daarna al heel snel genoemd; Voor het effect van de verkondiging zal de dienaar des Woords daarom zijn schapen hebben te bezoeken, zodat hij erachter komt waar zijn schapen gelegerd zijn.
Pastoraat mag in geen geval verwaarloosd worden. Bovendien zal ieder die getrouw pastoraat verricht er achter zijn gekomen, dat men in het pastoraat soms meer ontvangt dan men bij wijze van spreken geeft. Ook gebeurt het wel, dat men al een halve preek krijgt aangereikt voor de komende zondag. Dit laatste is vanzelfsprekend niet iedere week het geval, maar 't komt werkelijk wel eens voor.
Nu wordt men als pastor met allerlei problemen geconfronteerd. Soms gebeurt het dat driekwart van de week wordt besteed aan relatieproblemen, die men voorgelegd krijgt. Problemen, waarvan men in zijn agenda schrijft 'wordt vervolgd'. Want zolang er van geen zonde- en schuldbesef sprake is, kan men praten als Brugman, maar relaties worden niet geheeld, hooguit gelijmd waarin na verloop van tijd zich weer barsten vertonen.
Daarom is het voor een pastor een verademing als men eens rustig met iemand kan spreken over 'zijn/haar staat' voor God. De mooiste gesprekken zijn dan die waarin gesproken mag worden door de pastorant van een doorbraak tot op Christus. Hoe men door genade heeft mogen zeggen: 'Ik zal mijn hand op Jezus leggen; amen op Zijn offer zeggen'. Wat een zegen als die doorbraak tot op Christus heeft plaatsgevonden en men mag weten: 'Ik ben vrij, voor eeuwig vrij; ik leef niet meer, doch Christus leeft in mij'.
Alleen… wat wordt juist die zekerheid des geloofs weinig aangetroffen. Wat wordt er weinig gesproken over het doorbrekend werk van Christus. Soms krijgt men de indruk, dat de onzekerheid van het geloof veel meer een echt kenmerk van het geloof is dan de zekerheid. Echter… wij dienen niet te vergeten dat de zekerheid niet behoort tot het welwezen van het geloof, maar tot het wezen. Men kan het niet missen. Beter gezegd: men kan Jezus Christus niet missen. Immers, wie in de Zoon gelooft (het wezen van het geloof) heeft het eeuwige leven
'k Wil met dit alles maar zeggen: niet ons zuchten, niet ons kermen, niet onze armoe maakt ons zalig. Jezus Christus maakt ons zalig. Hij is de zekerheid van het geloof. In Hem vinden wij vergeving van onze zonden en in Hem worden wij verzoend met God.
Ik schreef reeds dat helaas over de zekerheid des geloofs niet zoveel wordt vernomen. Soms lijkt die verdacht.
Maar waar zijn de schapen dan gelegerd? Als zij de zekerheid van geloof zeggen te missen, wat hebben zij dan? 't Is triest om neer te schrijven, maar heel vaak is er niets. Van zondebesef is geen sprake en van schuldbesef helemaal niet.
De preek wordt aangehoord op zondag. Men stemt er mee in òf men doet dit niet. Maar verder komt men niet. Op maandag gaat men weer rustig aan het werk of naar de universiteit alsof het geen zondag is geweest. Het lijkt wel alsof de hemel (in de preek) ze niet heeft verkwikt en de hel ze niet heeft verschrikt. Vroeger werd hiervan onder ons wel gezegd: 'een doodstaat om bij te wenen'. Dat is zeer zéker het geval, maar er wordt niet geweend.
Men zal begrijpen dat het voor een dominee of voor een ouderling dan nog niet zo gemakkelijk is om over zonde- en schuldbesef te spreken als men weliswaar trouw naar de kerk komt, maar verder blijk geeft dat men een beestachtige liefde tot deze wereld heeft (Calvijn). Toch zal het pastoraat juist dan 'ontmaskerend' moeten zijn. 't Gaat om die man òf die vrouw, die nog altijd voor eigen rekening staat. Zonder Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.
Toch ontmoet men als ambtsdrager op zieken- en huisbezoek ook anderen, dan die ik hierboven schetste. Er zijn zeer ernstige mensen. Zij weten van zondebesef. Maar dat niet alleen. Zij weten er ook geen raad mee, evenals Luther zijn ze aan 't werk geslagen. Zij worstelen om van dit zondebesef los te komen. Hoewel het vaak niet eens de slechtste gemeenteleden zijn (hun trouw en liefde voor de kerk is bijzonder groot), toch moet de pastor op een pastorale wijze ze aan het verstand proberen te brengen, dat al hun werken ze niets zal baten. Pastoraal kan het dan zijn om het mes er diep in te zetten. Vooral als er wordt bemerkt dat men zich tevreden stelt met dat zondebesef, zodat er een grond van wordt gemaakt. Men wiegt zich daarmee in slaap.
Vanuit het Woord moet de pastor deze valse rust wegnemen. Zijn bezoek moet als het ware 'onrust' achterlaten. Nu weet ik ook wel dat 'onrust' een werk van de Geest Gods is, maar wij moeten niet vergeten dat de Geest doorgaans middellijk werkt en daarvoor 'mannetjes uit het stof verrezen' voor gebruikt (Calvijn).
Er zijn echter nog andere gemeenteleden, die in verband met de vergeving met hele andere vragen zitten. Eén van die vragen, die men bij hen op bezoek kan horen, is: 'Zou ik wel genoeg kennis van zonde hebben? Zou het bij mij wel diep genoeg zitten?'
Deze vraag is een heel wezenlijke vraag. Over zo'n vraag kun je als pastor òf ouderling maar niet heenwalsen. Vooral niet als deze vraag oprecht wordt gesteld. Dan is het een 'dooddoener' als er wordt gezegd dat men zich over zo'n vraag niet druk moet maken, terwijl de pastorant (de persoon die bezocht wordt) juist wel met deze vraag druk bezig is.
Echt zondebesef heeft altijd met geloof te maken. Nu kan het zijn, dat bij zo'n vraag òf de zondekennis wel voldoende is, het gevoel de overhand heeft. Opvallend is namelijk dat men een gemeentelid nogal eens hoort zeggen: 'ik voel de zonde niet zó; òf ik gevoel de grootheid van het kwaad niet zo. Ik weet niet of het wel voldoende is, want de ene dag denk ik van wel, maar de andere dag niet.' Inderdaad, zó werkt het als het gevoel de overhand heeft op het geloof. De ene dag heeft men wat, de andere dag is het weer helemaal mis. Wat is de remedie, het middel tot genezing? Alleen het Woord! Met allerlei aanwijzingen vanuit het Woord zal men de ander op de weg des geloofs helpen. En de weg des geloofs is, dat men met alle zonden de toevlucht tot de Heere neemt. Wij moeten maar niet vergeten, dat niet het gevoel, maar het zonde- en schuldbesef ons onze schuld voor God doet belijden en ons om vergeving en verzoening doet smeken.
Maar er is nog iets anders! Er zijn ook gemeenteleden bij wie het gevoel niet zo de overhand heeft. Toch zeggen zij op huisbezoek tegen de ambtsdrager, wanneer hij vraagt, of men ook weet van de vergeving der zonden: 'ik denk niet dat ik mijn zonden diep genoeg ken. Als het wat dieper zou zijn, zou de Heere mij wel genadig willen zijn.' Ook over zo'n opmerking moet niet heengewalst worden. Wie van genade leeft, weet van deze opmerking in eigen leven. Toch moet tegen zo'n opmerking krachtig stelling worden genomen. Waarom? Wel, men zoekt in de grootte van zonde- en schuldbesef een grond. Bovendien bepaalt men zelf de grootte als men zegt: 'als het maar dieper zou zitten, dan zou het wel kunnen'. Laten wij echter niet vergeten: de trap en de maat van de kennis der ellende bepaalt de Heere. Wij móeten niet de grootte bepalen, maar zien òf die kennis ons uitdrijft tot Jezus Christus.
(Wordt vervolgd)
G.S.A. de Knegt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's