Een onmogelijke mogelijkheid
Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft hem trekke…Joh. 6 : 44a
Tot Christus komen… Mag dat wel? Mag een schuldige, onreine zondaar tot Christus komen? Jawel, Hij nodigt Zelf: komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt. Wendt u naar Mij toe en wordt behouden. En Hij geeft er zelfs een belofte bij: wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.
En nu horen we hier: niemand kan tot Mij komen. Neemt Hij nu met de andere hand terug wat Hij met de ene heeft gegeven?
Ja, en toch is het waar. Vele mensen weten het ook goed. Wij kunnen niet. Welnu, ze krijgen gelijk van de Heere Jezus Zelf. Niemand kan tot Mij komen. We hebben geen ogen om Hem te zien. Geen voeten om tot Hem te gaan. Geen handen om Hem aan te grijpen. Er is niet één uitzondering die deze verschrikkelijke regel bevestigt: niemand kan tot Mij komen.
Maar als we dat zo gemakkelijk uitspreken, zouden we dan de ernst van de toestand wel verstaan? Want zonder Christus zijn we verloren. In Hem is het leven. Maar buiten Hem is niets anders dan de dood! Maar dezelfde Jezus die hier zegt: Niemand kan tot Mij komen. Die heeft bij een andere gelegenheid gezegd: Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben. En wanneer Hij straks wenend voor de poorten van Jeruzalem staat, dan zegt Hij wéér: hoe menigmaal heb Ik… maar gij hebt niet gewild.
Dus als we dit woord van de Heere Jezus willen gebruiken als camouflage van onze onmacht, dan hebben we geen been om op te staan. Want Hij zegt het niet om ons te verontschuldigen, maar om ons te beschuldigen. Wij mogen wel komen, we worden zelfs geroepen te komen, maar niemand wìl komen.
Wat een wonder dat hier geen punt staat! Want als de Heere Jezus nu eens gezegd had: niemand kan tot Mij komen. Punt, uit. Dan was het voor ons allen een verloren zaak geweest. En dan had ook niemand van ons iets te zeggen gehad. Eigen schuld. We mochten immers komen, maar we wilden niet.
Maar nu zegt Hij er iets bij: tenzij… En dat woord bevat het ganse Evangelie. Daarin ligt de kracht voor machtelozen en de hulp voor hulpelozen.
Tenzij de Vader hem trekke. En trekken – daar komt kracht aan te pas. Trekken doe je aan iets dat niet van z'n plaats te krijgen is. Een log voorwerp, een onwillig dier, daar moet aan getrokken worden, met man en macht. Dat kost moeite, inspanning, zweetdruppels.
Ja, er moet een almachtige kracht aangewend worden eer die zondaar in beweging komt. Hij moet getrokken worden uit de duisternis. Uit de macht van de satan en de zonde. Uit die diepe kuil waar geen water in is. En daarbij biedt hij ook nog tegenstand, hij wìl helemaal niet getrokken worden!
Maar het is, met eerbied gesproken, geen domme kracht. De Heere trekt wel, maar Hij overweldigt ons niet. Hij maakt ons gewillig. Hij verlicht het verstand dat duister is. Hij breekt de wil die verkeerd is. Hij vermurwt het hart dat hard is. Hij trekt geleidelijk, Hij trekt verborgen. Hij trekt zacht, en toch trekt Hij onweerstaanbaar. Dat móet ook wel, want van de andere kant wordt ook getrokken. De satan en de wereld en de zonde laten zómaar niet los. Maar Híj is sterker. Hij geeft het niet op. En die onmachtige en onwillige zondaar komt aan Zijn voeten terecht en vraagt: 'Leer mij naar Uw wil te handelen'.
De Vader trekt, door Zijn Geest en Woord. De Vader, zegt Christus, Die Mij gezonden heeft.
Daar staat het weer, zoals zovele keren. En daarin is nu al de genade, al de liefde, al de barmhartigheid van de Heere uitgesproken. Hij heeft Zijn Zoon gezonden naar deze wereld, gegeven aan deze wereld. Opdat zondaren zouden worden verlost van het verderf. Maar ook – want Hij doet geen half werk! – opdat zondaren zouden getrokken worden tot Christus.
De zending van Zijn Zoon naar deze wereld en het trekken van zondaren tot Christus zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Omdat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft, dáárom kunnen zondaren tot Christus komen. Zou Hij Die deze wereld zó lief heeft gehad, niet willen dat u tot Christus komt? Zou Hij u niet willen trekken tot Hem?
Nu is het toch wel duidelijk dat we dit woord van de Heere Jezus niet mogen zien als een hinderpaal op de weg naar Christus, maar veeleer als een aansporing om tot Hem te komen. Kom maar, want de Vader wil zo graag dat u komt. Hij heeft er Zijn Zoon voor gezonden naar deze wereld.
Wie dat ziet, die zegt niet langer: ik kan immers niet? Die gaat vragen: trek mij, Heere, en ik zal U nalopen. Dan blijft er niets dan verwondering over: Dankende de Vader, Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde…
W. van Gorsel, Schoonhoven
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's