De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uitvoerige weergave en enkele persoonlijke impressies van de vrijdagavondvergadering

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uitvoerige weergave en enkele persoonlijke impressies van de vrijdagavondvergadering

47 minuten leestijd

Opening
Vrijdag 21 januari kwamen 's middags om half vijf in de kapel van het landgoed Hydepark de synodeleden en adviseurs van de Nederlandse Hervormde Kerk en tevens verschillende andere belangstellenden bijeen ter voorbereiding op de extra synodevergadering. Het samenzijn werd geleid door ds. P.M. Breugem, Barneveld, die de aanwezigen bepaalde bij de belijdenis van Petrus als de Zoon van de levende God. Na de indringende opening begaf het gezelschap zich naar de synodezaal waar onder leiding van ds. Breugem naar de orde van de kerk voor het nieuwe synodejaar een moderamen verkozen werd. Dr. H. v.d. Graaf werd als voorzitter herkozen, dr. J. Hoek werd gekozen tot assessor 1, mevr. L.C.C. van Bergen-Meijers, tot assessor 2 en ds. W. Beekman tot assessor 3. Tevens koos de synode de leden voor het Breed-Moderamen.

Afgeladen zaal
Na het avondeten werd om zeven uur de zitting heropend. De synodezaal was afgeladen vol. Niet alleen voor het voltallige hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond (verder resp. H.B. en G.B.), maar ook voor vele belangstellenden die zich opgegeven hadden, waren vele stoelen bijgezet. De gasten, waaronder ook twee van mijn ouderlingen uit Soest, hadden ook de (koude) vensterbanken nodig om een plaatsje te hebben. Het was verblijdend dat beide dagen verschillende hervormd-gereformeerde (verder: herv. ger.) ambtsdragers deze extra synodevergadering bijwoonden. Ik zelf ben nu zeven jaar primus-afgevaardigde ter synode en ik heb in deze functie nog wel eens het meeleven en meebidden van het grondvlak gemist, terwijl ter synode toch de directe belangen van de kerk in haar geheel en van de gemeenten afzonderlijk behartigd en soms ook heel stevig verdedigd moeten worden. Ik weet: enerzijds draagt de synode zelf hier schuld aan, omdat er zoveel papieren rompslomp de brievenbus binnenkomt die vaak direct verhuizen kan naar de oudpapier afdeling, maar anderzijds ligt hier ook een stuk schuld waarvoor wij ons als herv. geref. ambtsdragers te verootmoedigen hebben. Het deed mij dan ook erg goed, toen ik zondag 17 januari elders voorging, dat de dienstdoende ouderling de a.s. synodevergadering en ook de afgevaardigden opdroeg aan de troon der genade. Ditzelfde gebeurde ook de zondag na de synode. Mag ik deze zaken bij de voortduur in uw voorbede aanbevelen? Wij hebben ook de komende jaren deze dringend nodig. Om dat meeleven te bevorderen wordt er trouwens steeds weer een verslag van de vergaderingen gemaakt voor de Waarheidsvriend.

Inleiding
Om klokslag zeven uur begon dr. H. v.d. Graaf aan zijn inleidend openingswoord en heette hij het H.B. van de G.B. welkom. 'Bewogenheid om elkaar heeft ons hier samengebracht.' De voorzitter zei er zich bewust van te zijn, dat er in deze ogenblikken biddend meegeleefd werd in heel het land en zelfs daarbuiten, zoals hem onlangs nog in Roemenië was verzekerd. Hij sprak uit tegelijk vol zorg te zijn 'om de talloos velen die het niets/niet meer kan schelen wat hier gebeurt, omdat zij afgehaakt hebben vanwege een tekort aan belijden.'
Hierna tekende hij de directe aanleiding tot deze synodezitting. Voordat de hervormde synode het besluit van de combi-synode om de aangeboden ontwerp-kerkorde kon ratificeren spraken 1600 herv. ger. ambtsdragers in Putten hun néé uit tegen dit concept en boden dit nee in de vorm van een adres aan de synode aan. Dat dit adres in deze synode besproken zou worden werd in november bij de ratificatie meegenomen. 'Een ongewone zaak, maar ongewone situaties vragen om ongewone maatregelen.' Hierna wees hij ook op enkele andere synodevergaderingen, waarin de Hervormde synode ook apart aandacht besteed had aan de problemen die herv.geref. gemeenten met SoW hebben. Hij verwees onder andere naar de bespreking van de zgn. Knelpuntennota die volgde op het Manifest. Bovendien wees de Hervormde synode destijds ten koste van grote spanningen de weg van de zogenaamde 'Legehuls' af om zich in te zetten voor een belijdende kerk. 'Deze maatregelen waren soms wel moeilijk verteerbaar voor de SoW-partners, maar deze moeten bedenken, dat een partner die naar binnen betrouwbaar is, dat ook zal zijn naar buiten.'
Hierna lanceerde de praeses de opmerking, dat het hem voorkwam alsof de vragen vanuit herv.ger. hoek steeds weer anders geformuleerd werden. Dat doet men wellicht niet bewust, maar veel meer vanuit de onmacht om te verwoorden waarop het ten diepste steekt.
Hij wilde het gebeuren van Putten enerzijds en de uitnodiging van de synode om als H.B. van de G.B. ter synode te komen anderzijds, duiden als wederzijdse aanhankelijkheidsbetuigingen. Toch wekte Putten ook iets van een vertrouwenscrisis en hij sprak de hoop uit, dat voor een ieder de eerste doelstelling mocht zijn elkaar zo goed mogelijk te horen. Wie het zou gaan om eigen gelijk of partijbelangen was bij de synode aan het verkeerde adres. 'U hebt echter aan de noodrem willen trekken. Daarom moeten wij nu met elkaar bespreken 'hoe verder?'. Het is niet juist om in SoW-verband te redeneren vanuit aantallen. Het gaat ten diepste om een proces van gezamenlijke verootmoediging en gezamenlijk lijden aan de verbrokenheid van de eenheid van de kerk. De vraag aan de G.B. is nu: 'hoe verder?' U hebt uitgesproken niet mee te kunnen en niet weg te kunnen en tegelijk dat u geen program hebt en deze ook niet wilt maken. Maar het kan toch niet uw gedachte zijn om gewoon te blijven en ondertussen alle synodebesluiten naast u neer te leggen. Dat zou te congregationalistisch zijn. Maar wat wilt u dan wel? Daar gaat het deze synode over. Deze discussie kan alleen gevoerd worden in Gods bewogenheid.'

Sprekers G.B.
Na deze inleidende toespraak gaf de voorzitter allereerst het woord aan ds. C. v.d. Bergh, de voorzitter van de G.B. en vervolgens aan ir. J. van der Graaf. Hun toespraken versla ik niet, omdat u deze elders in dit nummer kunt vinden.
Als impressie geef ik door, dat ik verwonderd was voor de wijze waarop de spanning van hen werd weggenomen en zij frank en vrij in het midden van de synode hun reden mochten houden. Dat was voor mij een wonder, want het was niet niets om in een geladen atmosfeer met helderheid, met vastberadenheid en tegelijk met bewogenheid de zaken te verwoorden. Het was als tastbaar dat er met spanning geluisterd werd. Sommige synodeleden keken elkaar af en toe aan, ondertussen een gebaar van verbazing en onbegrip niet verhelend. Er was niet alleen sprake van een ingespannen luisteren, maar ook van een luisteren met de spanning van opgekropte emoties als verontwaardiging, teleurstelling, angst.
Verschillende synodeleden vertelden in de op deze verhalen volgende sprekersronde dan ook, dat zij zeer gespannen naar Hydepark gekomen waren. Bij sommigen werd uit de vraagstelling ook duidelijk, dat zij Putten en de uitstraling daarvan wel heel anders beleefd hadden dan de betrokkenen zelf, wat voor mij alleen maar de noodzaak van deze synodezitting sterk onderstreepte. Als ik goed geteld hebben gaven zich 31 synodeleden voor de sprekersronde op! De voorzitter stelde de sprekerstijd vast op vier minuten.

Ds. Sj. v.d. Zee, Oosterhout opende de rij. Hij verwees naar een ontmoeting die Karl Barth na de vaststelling van de Barmer Thesen had in januari 1934 met een predikant van de Deutsche Christen. Barth zei tegen die predikant: 'Wij hebben een ander geloof, een andere Geest, een andere God.' 'Soms bekruipt mij het gevoel, het inzicht dat wij binnen onze synode anders geloven en een andere God hebben. ledere synode worden wij weer door bepaalde afgevaardigden teruggeroepen naar Schrift en Belijdenis. Ik hoor dat welwillend aan. Maar het is voor mij een slogan. Ik kan er niet veel mee.' Ds. v.d. Zee gaf te kennen een studie van de Leuenberger Konkordie gemaakt te hebben en kon geen andere conclusie maken dan dat Leuenberg in het verlengde van Dordt gezien moet worden, omdat Leuenberg zich alleen verzet tegen de leer van de verwerping. Hij had ook de notulen bestudeerd uit 1960. Ook bij het geschrift over 'De uitverkiezing' ging het ten diepste over de leer van de verwerping.
'U houdt echter vast aan Schrift en Belijdenis. U claimt teveel de Schrift vanuit het gezichtspunt van de belijdenis. Als het om het punt van de verwerping gaat dan denk ik toch dat wij misschien 'einen anderen Gott' hebben. Maar dat is niet mijn laatste woord. Ik wil een gesprek over de hermeneutische vragen.'

Oud. M. Burggraaf, Ede gaf te kennen dat in het adres hem vooral de relatie tussen het verbond en de kerk en de wijze waarop dit in historisch perspectief gezet was, zeer aansprak. 'Het gaat daarbij om twee ijkpunten, zoals eerder door dr. Hoek verwoord: historische continuïteit en confessionele integriteit.' De fundamentele kritiek van het adres werd door hem onderschreven, maar hij wilde toch ook zeggen, dat er z.i. veel goeds in deze nieuwe kerkorde gevonden werd. Zijn kritiek was, dat er sprake is van elkaar tegensprekende belijdenisgeschriften. Het zou hem heel wat waard zijn, wanneer de synode de zorgpunten overnam. Deze zaken waren z.i. ook zo zwaarwegend, dat zij zouden moeten worden meegegeven aan de commissie kerkorde.
'Het laatste deel van het adres valt mij echter moeilijk, namelijk waar er sprake is van het veranderen van het 'neen-tenzij' in enkel 'nee'. Er is bij mij herkenning maar tegelijk is er volgens mij meer nuancering nodig.' Dhr. Burggraaf wees op vier punten.
1. Hij miste in het adres de verwoording van het gebod tot en verlangen naar eenheid.
2. Hij vroeg of het nee van Putten niet te laat kwam. 'Had het niet in 1986 uitgesproken moeten worden bij de totstandkoming van de staat van hereniging? Toen had een nee op z'n plaats kunnen zijn. Maar dat is niet gebeurd.'
3. Anderzijds wilde Burggraaf de vraag stellen of dit nee nu niet te vroeg kwam, omdat het concept kerkorde nog niet de definitieve versie is: 'Serieuze en terechte kritiek kan toch nog leiden tot bijstelling?'
4. Tenslotte vroeg hij: 'Wat komt er na het nee? U hebt geen program, maar welk zicht hebt u op de 'oud-hervormde weg'? U kunt toch niet denken aan een G.B.kerk? De gereformeerde beweging heeft altijd de ruimte nodig gehad voor haar getuigenis. Opgesloten in zichzelf gaat de geref. beweging tenonder aan interne tegenstellingen.'
Hij besloot met de opmerking, dat het hem veel waard zou zijn, als de synode in gezamenlijke verantwoordelijkheid het adres naar de SoW-partners zou sturen met het dringende verzoek de genoemde ijkpunten voluit tot hun recht te laten komen.

Ds. S.de Jong, Oss begon met te zeggen, dat hij geen herhaling wilde van de Knelpuntennota. Hij vroeg aan het H.B. wat de Bond verhinderde haar taak te verrichten in de verbrede situatie van de SoW-kerk. 'Wat beweegt de G.B.-leiding om zo mobiliserend op te treden? Is dat niet dezelfde geest als van A. Kuyper?'
De Bond sprak steeds weer over solidariteit inzake de schuld, maar hij proefde dat bij de Bond alleen als de schuld van anderen. 'Door het adres zo aan te nemen kunnen wij de Bond versterken in het gevoel de enige bewaarster te zijn van de reformatie in Nederland. Maar een kerk die echt leeft in omgang met de Schrift, verstaat dat de Schrift echter verschillende getuigen en verschillende gaven van de Geest kent. Belijden wij tekort geschoten te zijn wat betreft het beklemtonen van het geestelijk karakter van SoW?'

Ds. J. Blom, Elburg bracht naar voren, dat het in het adres gaat om het welzijn van de kerk. 'Hoe is er heil voor de kerk te verwachten? Niet van het SoW-proces als zodanig maar van de Geest. Het zal de nodige tijd vergen dat uit te spreken. Het gaat hier om een diepe ervaring. Er dreigt een geweldige breuk in het geheel van de kerk. Hoe komt dat? Omdat de werkgroep onverenigbare dingen heeft willen combineren: Dordt en Leuenberg. Zo worden onze belijdenisgeschriften tot een gepasseerd station in het verleden.' Hierop onderbrak ds. van der Zee via een interruptiemicrofoon ds. Blom en vroeg: 'Waarom stelt u Dordt en Leuenberg niet op één lijn? Leuenberg zegt alleen iets ten aanzien van de uitleg van Dordt en vraagt waarop de leer van de verwerping gegrond is.' Ds. Blom antwoordde dat er alleen heil voor de kerk te verwachten is, als deze zich in alles laat leiden door de Schrift. 'Zo moeten wij een uitweg uit deze impasse vinden en wij moeten daarom de fundamentele punten van kritiek die het adres aan de orde stelt doorsluizen naar de werkgroep Kerkorde.'

Ds. J.G. Barnhoom, Strijen wilde een stel vragen aan het H.B. kwijt. Verschillende punten van kritiek speelde hij op grond van persoonlijke ervaringen terug naar de G.B. zelf 'Streeft u naar doorgaande reformatie? U houdt die tegen, want u hebt de Heilige Geest na de psalmberijming van 1773 met pensioen gestuurd. U zegt niet zonder reden beducht te zijn voor het getal. Maar in het contact met de G.B. ontmoet ik juist de macht van het getal. Ir. van der Graaf beroept zich op andere collega's, als Hoedemaker en Van Ruler, maar dat stuit mij tegen de borst, want deze collega's hadden geen toegang tot uw kansels.'

Ds. L. den Besten, Zevenaar zette in met de opmerking, dat het gemis aan confessionele overeenstemming niet alleen een probleem is tussen de G.B. en de Gereformeerde Kerken, maar ook in de Hervormde Kerk zelf. Hij zei zich verbonden te voelen met diverse mensen uit de G.B., maar tevens vaak ook het gevoel te hebben van een onoverbrugbare kloof wat betreft de visie op God, het geloof, de wereld, etc. Z.i. ging het om het verschil in paradigma. 'De een heeft een reformatorisch paradigma, de ander een post-modern paradigma wat gepaard gaat met een geheel ander spreken en handelen. Voor de een is eenvormigheid in leer en leven een teken van geestelijk leven en voor de ander juist een teken van de dood in de pot. Dit verschil van paradigma en grondhouding moeten wij onderkennen en erkennen om van daaruit elkaar de ruimte te geven. Ons gesprek moet niet verzanden in oppervlakkige verdraagzaamheid en herhaling van standpunten. Onze vragen moeten eerlijk op tafel komen.'

Diaken Th.C. Allis, Kerkenveld memoreerde enige zinsneden van Putten met de daardoor bij hem opgeroepen vragen en gevoelens. Hij vroeg of de belijdenisstukken van andere kerken niet echt waren. 'U noemt onze kerk een planting Gods onder het verbond, maar zijn de andere kerken geen planting van God en is het verbond van God met Israël alleen maar doorgegaan met de vaderlandse kerk?' Hij verklaarde echt geprobeerd te hebben het Adres te begrijpen, maar moest bekennen dat het hem niet gelukt was. Hij sprak de wens uit, dat aan het einde van deze vergadering het begrijpen dichterbij gekomen zou zijn.

Diaken J. Eits, Maartensdijk wilde een boodschap in drie punten doorgeven:
1. de onderlinge eenheid van de belijdenisgeschriften. 'Er zijn in de diverse kerken van Europa wel vijftig reformatorische belijdenisgeschriften. In Nederland hebben wij de drie formulieren van enigheid. Deze hebben een innerlijke gelijkheid inzake verkiezing en verwerping. Om die reden verzet ik mij graag tegen ieder toevoeging.'
2. 'Er wordt gevreesd voor een situatie walarin de gereformeerde richting de meerderheid heeft. Schrift en belijdenis zullen niet tot machtsmisbruik leiden. Het is goed om bang te zijn voor onszelf, maar laten wij vertrouwen in de kracht van Schrift en belijdenis. Na Dordt kwam er geen ruzie tussen infra- en supralapsaristen.'
3. In de derde plaats kwam hij op voor de historiciteit en de actualiteit van de belijdenis. 'Het licht van de reformatie is onder ons niet aanwezig. Laten wij voorzichtig en bescheiden zijn en ons houden aan de beproefde belijdenis.'

Ds. S.W. Bijl, Markelo verklaarde vervuld te zijn van zeer gemengde gevoelens. Hij zei niet te weten hoe hij mensen uit eigen gemeente moest duidelijk maken waarover er op de extra synode vergaderd werd. Hij verklaarde het adres en de gehouden toespraken verschrikkelijk klein en eng te vinden. Het deed hem zeer hoe er over de gereformeerden gesproken werd. Vanuit eigen ervaring en samenwerking met gereformeerden kende hij vele oprechte en integere mensen. Alle dingen zouden veelkleuriger zijn dan de Bond betoogde. De kerk in de Schrift, de reformatie, Dordt, de vaderlandse kerk waren allemaal kleurrijker. Ook in de Verenigde Reformatorische Kerk zouden wij aan elkaar kunnen leren en lijden. Hij zei binnen die veelkleurigheid ook de Christelijk Gereformeerden te willen uitnodigen.

Ds. J. te Winkel, Emmen begon met op te merken, dat de synode van november getoond had de noodkreet van Putten gehoord en ernstig genomen te hebben. Hij zei, dat de Hervormde Kerk zonder G.B. geen Hervormde Kerk meer zou zijn. 'God verhoede, dat wij voor een heilloze keus gesteld worden.' Bovendien merkte hij op, dat de synode door het uitnodigen van een modaliteit uitgesproken had, dat allen elkaar nodig hebben. Op zichzelf had Putten nu vrucht gehad: de noodkreet van Putten was gehoord en de synode had de hand uitgestoken. Later was het geluid van Putten in de pers door verschillende Bonders, zoals prof. Graafland en drs. De Leede meer genunanceerd. Uit hun uitspraken bleek dat de zekerheden niet meer zo zeker waren en dat het op Schriftonderzoek aan kwam. Z.i. was het de moeite om de worsteling om de waarheid meer dan de moeite waard om aangegaan te worden. 'Laat mij delen in jullie geloof en bevinding', zo vroeg hij. Tevens zei hij, dat dit gesprek pas zinvol zou kunnen zijn als het 'semper reformanda' door de G.B. serieus genomen zou worden. De woorden van Graafland gaven in ieder geval een openheid te kennen die hem hoopvol stemde. 'Ik wil het geloofsgesprek met u aan, op voorwaarde dat wij uit zijn op het geloof bij elkaar en niet op een vermoed ongeloof. Of is uw bevinding een te persoonlijke gave van de Geest?'

Oud. Van Bokhoven, Linschoten sprak zijn blijdschap uit over de mogelijkheid van dit gesprek. Hij maakte enkele procedurele opmerkingen. 'Bij de inleidingen op de trio-synode kreeg een luthers lid van de Werkgroep Kerkorde ruime gelegenheid om uitvoerig uit te leggen dat de Lutherse identiteit in de nieuwe kerkorde voldoende was gewaarborgd. Een gestructureerde inbreng vanuit Herv. Ger. kring was er niet. Toen ir. J. van der Graaf als lid van de Raad van Deputaten SoW een fundamenteel betoog wilde houden, werd hij reeds na twee minuten aan zijn beperking van spreektijd herinnerd. Signalen uit het grondvlak, dat voor 50% uit vrouwen bestaat, werden op geen enkele wijze opgepakt.'
'Zoals bij de voorgaande besprekingen uit bijdragen en moties is gebleken deel ik met anderen de bezwaren tegen de kerkorde. Als er in de pers nuanceringen worden gezocht of verondersteld, dan betreft dat vooral consequenties voor de toekomst. Bij de uitspraak 'we kunnen niet mee en we kunnen niet weg' zou ik een ander criterium willen noemen: 'We kunnen niet zonder.' Van oudsher heeft de geref. richting de overtuiging dat het goud van de Reformatie ten goede dient te komen aan het geheel van de kerk. De praktijk – ook in afscheiding en doleantie – heeft geleerd dat dit goud vooral blinkt tijdens voortdurend wrijven. Mede daarom hebben wij elkaar nodig. We kunnen niet zonder elkaar.'

Ds. F.J.S. v.d. Sar, Schoondijke stemde van harte in met de visie van de G.B. op de verbonden heid tussen historie en verbond. Hij noemde de verschillende punten van kritiek van het Adres zeer fundamenteel en terecht. Tegelijk wees hij op het zoeken naar eenheid als blijvende opdracht. Het teveel gewicht geven aan de historische continuïteit deed z.i. tekort aan het 'semper reformanda'. Hij wees op het verlies van de eenheid van geloven en leven. Woord en werkelijkheid. 'Maar de eenheid moet werkelijk ingevuld worden, anders zal de eenheid een leeg begrip blijven.' Hij vroeg de Herv. Ger. ook nu te besluiten om te blijven. 'Het gaat ons toch om de uitleg van het Woord in deze tijd?!'

Ds. J.W.C. Vonhof, Hellendoorn zei met verwachting uitgezien te hebben naar de beide verhalen vanuit de G.B. en gehoopt te hebben op een opening. Hij gaf te kennen niet verwacht te hebben dat er sprake zou zijn van herhaling. Hij voelde zich zeer teleurgesteld. Dat niet in het minst vanwege het feit dat de G.B. het antwoord op de vraag 'Hoe verder?' nu teruggelegd had op het bord van de synode. Hij riep de G.B. op om mee te doen en de ontvangen talenten niet te begraven. 'U bent er toch om de waarheid te verspreiden?! Of heeft God de G.K.N. en de E.L.K links laten liggen?' Tevens protesteerde hij tegen het volkomen verkeerde beeld dat ervan de gereformeerden gegeven werd. Hij stelde ook nog de vraag aan de G.B.: 'Kan dan in de VRK het Woord niet meer recht verkondigd worden? Zal Gods genade aan die kerk voorbijgaan? Zal Gods Geest daar niet werken? Als u dat meent, stevenen wij af op een ramp.'

Ds. L. Gulmans, Leeuwarden herinnerde vergadering aan het feit dat hij in november tegen het beleggen van deze vergadering was en dat zowel procedureel als inhoudelijk. Deze vergadering kon volgens hem niet meer opleveren dan uitwisseling van bekende standpunten onder, hopelijk, pastorale vlag. De novembersynode was echter onder druk gezet door een afscheidingsdreiging. De synode werd gedwongen twee gezichten te hebben en te spreken met twee monden: 'ratificatie? Ja! Maar tegelijk ook ruimte voor de G.B. Dit geeft een onoplosbare impasse.' Door de G.B. was er nu sprake van onoverbrugbare tegenstellingen in eigen huis. Z.i. zou de G.B. meer openheid en ruimte moeten hebben en geven voor andere standpunten. 'Zijn wij de ene ware kerk in Nederland en zijn ­de andere valse kerken?' Hij zei dat de synode op de ingeslagen weg verder moest gaan maar dan zonder elkaar los te laten en zonder elkaar te blokkeren.

Ds. C. Glashouwer, Ballum keerde zijn gezicht naar het H.B. van de G.B. en zei, dat hij de gewraakte opmerking over het spierballenvertoon van Putten gemaakt had. Nu kon men het juiste gezicht bij de opmerking plaatsen. Hij ging vervolgens over naar de dreiging die van het adres uitging en de brede irritatie die deze opriep. Dat was te wijten aan de hardheid van het adres, terwijl het tegelijk pretendeerde geschreven te zijn uit liefde voor de kerk en zorg voor de toekomst. Hij vroeg zich af of dit wel waar was. Bovendien kon hij het adres inhoudelijk niet begrijpen. De ambtsvisie van de nieuwe kerkorde zou niet deugen omdat het tegenover te weinig benadrukt was. Hij wees er op, dat er z.i. in het N.T. zelf verschillende ambtsmodellen gevonden werden: de oudsten te Jeruzalem, de huisgemeenten, etc. In de tijd van de Reformatie waren er ook verschillen, b.v. tussen Calvijn en a Lasco. Calvijn was, als hij goed was ingelicht, zelf trouwens nooit in het ambt bevestigd en had alleen een aanstelling van de gemeenteraad. 'Wat voelt de gemiddelde bonder bij het ambt? Hoe zwaar weegt dat bij u?' Tenslotte ging hij nog in op het begrip 'vaderlandse kerk'. De Amelandse kerk was nog maar twee eeuwen zelfstandig. Hier gaf hij het een en ander van door en vroeg of hij Gods hand nu ook mocht zien in de geschiedenis van Ameland.

Ds. R. van Kooten, Soest zette in met de opmerking: 'De toon van de bespreking is goed'. Toen hij even pauzeerde, begon de synode te grinniken en een hunner riep: 'Maar…'. 'Precies', zei hij: 'U voelt zelf al nattigheid. Wij mogen met die zogenaamde toon niet op z'n hervormds weggaan. Zo in de trant van: toch fijn dat wij deze ruimte gegeven hebben en we gaan weer verder. Zoals ds. Vonhof de toespraken van de bond teleurstelden vanwege de door hem vermeende herhaling, zo stellen mij de vragen diep teleur. Er zijn ook goede reacties zoals die van ds. Te Winkel en ds. v.d. Sar die echt proberen te begrijpen waar het in het adres om gaat. Maar verschillende reacties komen uit de hoogte: Wat pretenderen jullie. Ik vind ze bestraffend, afwijzend en pastoraal weinig counselend. Ds. Gulmans vroeg zelfs: Zijn jullie uit op afhaken! Dit doet geen recht aan het adres. Als ik op deze wijze in mijn seminarietijd een verslag van een gesprek had ingediend, zou het direct veroordeeld zijn amdat er geen enkel counselen gevonden werd.
Bij ds. van der Zee vond ik het jammer dat hij de zaken eerder kerkscheidend dan kerkverbindend aan de orde stelde. Al ging het via Barth, hij formuleerde toch maar de mogelijkheid het gevoel te hebben dat het soms om een andere God ging. Op zichzelf was dat wel eerlijk. Die zorg heb ik zelf ook vaak. Tijdens uw interruptie van ds. Blom, vond ik het jammer dat u bij de relatie tussen Dordt en Leuenberg te snel naar de verwerping ging. Ik wil best met u bestuderen of het in wezen niet om een andere verkiezing gaat.' Hierop kwam ds. Van der Zee naar de microfoon om weer te vragen om een bijbelse onderbouwing van de verwerping. Van Kooten wees er op, dat het goed zou zijn om ook de beknopte dogmatiek van Van Genderen en Velema te bestuderen, waar duidelijk gemaakt wordt, dat het besluit van de verwerping en het besluit van de verkiezing niet op dezelfde wijze geformuleerd kunnen worden.
Hij ging verder met te zeggen het triest te vinden dat zgn. nuanceringen vanuit de kring van de bond geciteerd werden als een opluchting. Hij wees er op dat men van die stemmen in de pers, zoals van Graafland en De Leede geen misbruik mocht maken, omdat in Putten de stem sprak van het herv. ger. volk en hun ambtsdragers. Hij verwees naar een gemeenteavond in Soest waar de hele breedte van de gemeente zich stelde achter de inhoud van het adres. 'Ik roep u daarom op, synode: Ga in op de nood dat wij niet weg kunnen en niet mee kunnen. Ds. Bijl hield een bewogen betoog maar hij kan de hobbel die hier van binnen bij mij zit niet wegnemen. Ik hoor hier geen antwoord op mijn klemmende worstelingen.'

Ds. B.A.M. Luttikhuis, Leiderdorp zei dat de G.B. de socioloog Dekker niet moest geloven, omdat hij wel veel van de sociologie zou weten maar te weinig van de kerk. Bovendien zijn er vragen van de kerk waar geen socioloog antwoord op weet.

Ds. A.J. Hammer, Hoofddorp zei vol spanning en met het onbehaaglijke gevoel dat nu het uur der waarheid gekomen was, naar de synode te zijn gekomen. De spanning werd in de polemiek alleen maar opgevoerd. De historische continuïteit was volgens hem gewaarborgd omdat wij zelf in het proces participeren. Hij noemde de poging van dr. Muys om bruggen te slaan erg helder. Bovendien zei hij het nare gevoel te hebben dat de G.B. eenheid en waarheid tegen elkaar uitspeelde. Maar het lichaam van Christus is één en het kan daarom ondanks veelkleurigheid geen onwaarheid zijn. Het woord synode betekent samen de weg gaan. Samen met elkaar.

Oud. L.C.C. van Bergen-Meijers, Wieringerwerf gaf te kennen in Putten in het bijzonder getroffen te zijn door de uitspraak van ir. J. van der Graaf, dat de Bonders hun hart wel zouden mogen vasthouden, als zij van minderheid zouden veranderen in meerderheid. Daaruit sprak een stuk onmacht bij het leiding geven. 'Vanuit die onmacht moeten wij samen verder en dat niet tegenover elkaar, maar met elkaar verbonden in die ene kerk'. Ze wilde de verlegenheid graag delen en riep de G.B. op, op meer te hopen dan statements. SoW zou volgens haar zeker een zaak van het hart zijn. Tevens wees zij op het misverstand dat het bij de nieuwe kerk om een nieuwe kerk zou gaan. Zij bediende zich hierbij van het beeld van een zich verleggende waterstroom en ook voorkomende vertakkingen. SoW is een terugvloeien in de ene stroom. Bovendien moest de G.B. het verleden niet verabsoluteren maar gehoor geven aan roeping tot blijvende vernieuwing.

Ds. M. Ravenhorst, Muiden begon met te zeggen dat hij het adres ervaren had als een hoekige uiting van nieuwe zorg over onze kerk om een gereformeerde kerk te zijn. Die zorg deelde hij. 'Wij hebben zorg te hebben om het belijden van de kerk. Het gaat toch in wezen om het leven uit de belijdenis, om het leven uit de Schriften. En daar ontbreekt wel het een en ander aan.' Tegelijk gaf hij aan dat het niet alleen ging om de vaderlandse kerk maar om zorg om het geheel van de kerk. En nog verder: het ging om getuigen van Gods liefde om de wereld te behouden. 'God stelt mij vandaag heel concreet in de SoW-situatie. De opdracht 'dat zij allen één zijn', waar wij niet onderuit kunnen.' Tegelijk sprak hij van zorg over de weerbarstigheid van het vlees om werkelijk te luisteren en werkelijk elkaar plaats te geven. Hij signaleerde een stukje conservatisme in het handhaven van eigen ik. Z.i. werden innerlijke weerstanden vertaald in andere zaken. 'Zijn wij echt eerlijk bezig in onze afwijzing van het SoW-standpunt?'

Diaken M.P. van Weele, Waarde gaf te kennen dat de bezwaren van het adres gedeeltelijk ook de zijne waren. Maar tegelijk wilde hij er aandacht voor vragen dat het huis van de nieuwe kerkorde een ruim huis was met alle ruimte. Hij pleitte voor verdraagzaamheid. 'Van onze kant is deze verdraagzaamheid er al, vandaar deze synodevergadering, ik hoop dat deze er ook zal zijn aan de kant van de G.B.. Persoonlijk vind ik dat de G.B. moet blijven, ook al zou het misschien rustig worden als zij gingen, maar dat zal voor geen van beide partijen goed zijn. Gaat de G.B. weg, dan komt de G.B. in een isolement en dat zal een ruk naar rechts geven in een toenemend fundamentalisme.' Hij gaf tenslotte de G.B. het advies ernstig te luisteren naar de raad van Gamaliël in Hand. 5.
(Persoonlijk dacht ik toen: hij geeft de G.B. dus eigenlijk het advies voorlopig in ieder geval niet mee te gaan en dan zo'n jaar of vijftien gewoon de oud-hervormde weg te volgen en daarbij de verdere ontwikkelingen van de Verenigde Reformatorische Kerk nauwgezet waar te nemen om te zien of deze uit God is. Misschien nog niet zo 'n gek idee…! Enerzijds hebben wij dan een stukje extra tijd voor de latere start en kunnen wij net als de Luthersen en anderen een waarnemerschap vervullen en tegelijk zal er na vijftien jaar veel duidelijk zijn over de richting van de nieuwe kerk!)

Ds. E.J. Hefting, Surhuisterveen zei gedurig met kromme tenen geluisterd te hebben naar de dingen die door de G.B. over het SoW-gebeuren gezegd werden. Hij voelde tegelijk diepe schaamte jegens de SoW-partners. Hij miste in de G.B.-verhalen dat de oecumene een geloofszaak en opdracht is. Tegelijk proefde hij bij ir. van der Graaf angst. Angst voor de dwang om meegesleept te worden. Tevens proefde hij in het adres ook een existentieel geraakt zijn. Maar hij vroeg zich ernstig af of het werkelijk alleen om theologische zaken ging. Deze werden in ieder geval behoorlijk opgeblazen. Er waren al veel citaten van prof. Graafland gebruikt, maar degene die hij wilde laten horen nog niet. Derhalve bracht hij die alsnog ten gehore. Een citaat over de dubbele predestinatie. Deze geluiden uit de G.B. relativeerden uitspraken van de G.B. en konden misschien dienen om bruggen te bouwen.
Z.i. speelden in sterke mate ook psychologische zaken een rol. Als hij zich in de positie van de G.B.-ers ook binnen de synode probeerde in te leven, dan kon hij het wel begrijpen. Het was ook wel frustrerend om altijd mee te doen en dan steeds weer de inbreng in de stemming getorpedeerd te zien worden. 'U vraagt om begrip, dat zullen wij moeten tonen, maar u moet beseffen, dat er bij de anderen ook frustratie leeft over u.' Ds. Hefting had in ieder geval één opening ontdekt: 'wij kunnen samen verder zolang de federatieve status voortduurt.'

Oud. mevr. Bouwman, Winterswijk refereerde aan de opening, waarbij gevraagd werd om te spreken uit het hart. Dat wilde zij doen. Zij zei grote bezorgdheid te hebben, omdat de laatste week in allerlei interviews en publicaties de tegenstellingen zozeer aangescherpt waren, dat het haast niet meer mogelijk was om over overeenkomsten te spreken. N.a.v. het interview van ir. J. van der Graaf in Trouw merkte zij op: 'Zo spreek je niet over onze gereformeerde broeders en zusters. Wij hebben elkaar broodnodig. Geef de discussie een echte kans.' Ze voegde er aan toe, dat het concept Kerkorde van allen geduld en medewerking vroeg. Deze vraag kon zij naar haar zeggen aanscherpen, omdat er overeenkomst was in het geloof in die ene God, Die Zich geopenbaard heeft in Christus.

Ds. W.B. Beekman, Koudum zette in met de opmerking, dat zonder de mensen van de G.B. de NHK geen NHK is. 'Maar zonder ons is voor U als G.B. de NHK toch ook geen NHK meer?' Hij vroeg hoe hij het adres moest opvatten. 'Is uw adres een signaal: wij verlaten de kerk? Ik ben gerustgesteld door de opmerking van ds. v.d. Bergh: 'U krijgt ons niet weg van de plek die ons is gegeven!' Deze opmerking moeten wij inlijsten en hier in de synodezaal ophangen. Het zijn gouden woorden. Maar u zult u moeten laten meevoeren naar een plaats die u zelf niet gewild hebt. Neem uw plaats zo in, in de breedte van de VRK. Ik zou echter willen weten of ik het goed zie. Of moet ik uw woorden zo opvatten, dat als wij met SoW doorgaan, wij dan samen weggaan en dat u blijft in de wettige vaderlandse kerk?'
Hij ging vervolgens ook nog in op de uitdrukken 'Schrift en belijdenis'. 'U noemt die twee altijd in één adem en nog wel nevenschikkend. Hoewel ik het begrijp, vind het wel op het randje. De Kerk verkondigt toch niet Schrift en belijdenis? Het is toch Sola Scriptura en niet Scriptura et confessio, of soms beter: traditio?' Tenslotte wilde hij nog een ernstige vraag stellen die diep door hem gevoeld werd. 'U bent nu een minderheid, maar u spreekt met exclusiviteit over 'de waarheid'. Als u nu eens geen minderheid zou zijn, zou dan het 'ite' (gaat!) opnieuw klinken? Ik vrees dat er in uw kerk dan voor mij en anderen geen ruimte zou zijn.'

Oud. kerkv. L. de Nood, Middelburg maakte gelijk maar duidelijk geen theologisch verhaal te willen houden. Dat bracht volgens hem ook niet veel goeds teweeg. Hij betreurde het dat in plaats van al die sprekers er niet geregeld gezongen werd, dan zouden de dingen anders verlopen. Hij had een canon bij zich en die zou hij de synode graag laten instuderen. De Luthersen moesten maar inzetten, de midden-orthodoxie halverwege en de Bonders als laatsten. Het zou zo geweldig zijn, dat al die Belijdenisstukken dan direct naar het museum konden. Dit verhaal kreeg de lachers op de hand, terwijl er ondertussen m.i. zeer grove dingen werden gezegd. Spreker deed zijn naam eer aan (soms denk ik nog wel eens dat er verschillende mensen rondlopen die hun naam van Bunyan kregen: ik proefde in ieder geval de nood van onze kerk extra en beleefde tegelijk dat onze nood door een versje weggezongen werd.)

Dr. J. Hoek, Veenendaal maakte van de gelegenheid gebruik om de discussie tot nu toe even samen te vatten en naar twee kanten te vertolken wat de ene partij tegen de andere wilde zeggen. 'We zijn vanavond bijeen om een luisteroefening te houden. Dat is een spannende, uiterst moeilijke zaak. Er komt heel veel los. Het uiten van velerlei emoties heeft daarbij een functie, maar daar bovenuit gaat toch het oprechte en intense pogen elkaar te verstaan. Wij moeten uit de veelheid denk ik toch ook weer toespitsen. Mag ik pogen daartoe bij te dragen door naar twee kanten een toegespitste vraag te formuleren.
Heb ik het goed verstaan dat een kernvraag van het H.B. van de G.B. is een vraag om een kerk waarin het geding om de waarheid hartstochtelijk wordt gevoerd? De kritiek op Leuenberg heeft als achtergrond de vrees voor een voortgaande relativering van het belijden. Nu al zijn er in alle drie SoW-kerken mensen die de belijdenisgeschriften als museumstukken zien. Ieder kan zijn eigen confessie schrijven. De vrees is dat die benadering gelegitimeerd wordt door het nu voorgestelde grondslagartikel van de ontwerp-kerkorde. Als dat waar is, dan is dat een ramp. Eenheid heeft geen betekenis als het een puur organisatorische accolade is. Er is geen echte eenheid zonder de waarheid, die in de Christus der Schriften belichaamd is. Alleen zo blijft de spanning er in. Alleen zo heeft het voortgaande gesprek diepe zin. Dan ga je graag naar een classicale vergadering.

Vanuit de synode wordt aan de G.B. gevraagd om zich juist nu niet terug te trekken in een egelstelling, maar openhartig en constructief-kritisch mee te doen in de bezinning die nu in een stroomversnelling is gekomen door de verschijning van het ontwerp-kerkorde. Putten was openhartig en helder, zo ook de beide inleidingen van vanavond. Maar dat moet toch niet verstaan worden als een harnas?
Van Putten ging de weg naar Doorn. Laat er ook een weg zijn naar de 75 classicale vergaderingen, naar Leusden (GKN) en naar Woerden (ELK). Niet om de druk van de ketel te halen. Het gaat om een samen zoeken vanuit het samen horig zijn aan het Woord. Dat vraagt geduld, zelfverloochening, luisterend vermogen. Dit zijn de wederzijdse vragen. Het antwoord op de éne vraagt hangt onlosmakelijk samen met het antwoord op de andere vraag. Als die beide vragen nu eens oprecht positief beantwoord worden, dan is er een weg om samen verder te kunnen gaan.'

Dr. F.G. Immink, Raad kerk en theologie, zei ie te begrijpen van waar het om ging. Het ging de G.B. z.i. enerzijds om het voluit gereformeerde karakter van de kerk en anderzijds om voluit ruimte voor het gereformeerde deel. Ondertussen kregen deze mensen de bewijslast naar zich toe: o.a. bij de kwestie van de vrouw in het ambt en de toelating van de kinderen tot het H.A.
Tegelijk wilde hij stellen dat de kerk op wettige wijze terechtgekomen is in een fusieproces. De worsteling van de G.B. is theologisch en niet-theologisch. 'Je zou verwachten dat de spits gericht zou zijn op de toetreding van de Luthersen. Door hun komst kan het voluit gereformeerde karakter niet gehandhaafd worden, maar de spits ligt juist in de richting van de gereformeerden.' Immink trachtte dit te verklaren en wees op het praktische probleem dat de hervormd-gereformeerden de synodaal-gereformeerden niet echt vertrouwden. Daar zou het grootste struikelblok liggen. Dit vijandsbeeld werd dan weer bevestigd door uitspraken van de voormalige voorzitter van de gereformeerde synode, ds. E. Overeem. Z.i. was er sprake van onderhuidse kritiek: 'Kijken de gereformeerden niet op ons neer als hopeloos ouderwetse mensen? Zien zij ons niet als een gereformeerde puber die nooit volwassen wil worden?' Z.i. kwam daar ook nog eens een sociologische component bij, omdat van het hervormde-gereformeerde deel van de kerk gezegd kon worden, dat het ging om niet vele edelen, niet vele rijken, niet veel wijzen. Meer het eenvoudige volk, dat ook beleefde niet opgewassen te zijn tegen het verbale geweld van de gereformeerden.
Vervolgens deed Immink een poging de synode duidelijk te maken waar het de herv. geref. om ging bij het verzet tegen Leuenberg: 'De aandacht voor Dordt is heel iets anders dan het leven met een vergeeld papier uit de oude doos. Het is voor de hervormd-gereformeerden vlees en bloed. Dordt kan een riskante belijdenis zijn. We moeten zowel spreken van haar zuivere vorm, als ook van ziekelijke ontsporingen. Dordt kan echter ook een document zijn van zuivere Godservaring. Waarom zijn de hervormd gereformeerden zo gehecht aan de onverkorte handhaving van Dordt in de orde van de kerk? Om uit te spreken dat God particulier ingaat in de werkelijkheid. Dordt vertolkt voor hen dat Gods heil ingaat in het leven en dat God daarbij zelfde handelende God is. Dordt zet God in het centrum en dat is beter dan de autonome mens in het centrum te zetten. Met Dordt zeggen zij dat het geheimenis dat sommigen wel geloven en anderen niet geloven beter aan God overgelaten kan worden dan aan de mens. De vraag is dus voor hen of Leuenberg in één adem genoemd kan worden zonder dat een bepaald gereformeerd geloofstype in de verdediging wordt gedrongen.'

Ds. L. Korevaar, visitatoren-generaal, had ervaren dat de G.B. in Putten gezegd had dat er een grens is aan SoW. 'Deze uitspraak moeten wij verstaan als een signaal van gekwetste liefde.' Hij wilde echter wel de vraag stellen waarom de grenzen nu getrokken werden, juist nu er een belijdende kerkorde op tafel was gelegd. Hij vroeg zich af of de VRK echt ruimer werd dan de NHK 'Dat kan toch haast niet?', zo vroeg hij.
Hij kaatste de problematiek naar de G.B. waarbinnen het ook moeilijk zou zijn om grenzen te trekken ter linker en ter rechterzijde. Hij kende zeven soorten bonders. 'Het gesprek vooraf blokkeren door 'neen' is heel slecht voor kerk en Bond.' Hierbij verwees hij naar het z.i. uitstekende artikel van De Leede. Hij eindigde met een vraag aan de G.B. en een vraag aan de synode. Vraag aan G.B.: 'Ir. J. van der Graaf heeft gezegd dat de kerk aan zet is. Ik zou willen zeggen: de G.B. heeft a gezegd, de synode zegt vandaag b, de G.B. moet nu weer c zeggen en zeggen of het kerkelijk gesprek gevoerd gaat worden in gemeenten en classicale vergaderingen.' Hij vroeg het gesprek dan echt te voeren: 'Het vertrekpunt is duidelijk, maar wilt u het gesprek nu zo voeren, dat u niet bij voorbaat weet, waar u uitkomt? Dat wist Abraham ook niet.' (Abraham werd in de synode meerdere malen als voorbeeld gebruikt en dan wel zodanig, dat ds. H. Visser, Katwijk mij in de koffiepauze toevertrouwde: 'Als ik zo luister dan lijkt het alsof Abraham nog steeds aan het zwerven is en nooit ergens is uitgekomen. Gode zij dank is hij boven!')
Vraag aan synode: 'Zeg nog eens duidelijk tegen de G.B., dat wij SoW in willen met heel de kerk. Zeg dat duidelijk, want er is lang sprake geweest van repressieve tolerantie t.a.v. de Bond.'


Reacties
Hiermee was de sprekerslijst afgewerkt. M.i. heb ik een getrouwe en zo volledig mogelijke weergave gegeven. U begrijpt dat m'n hand lam was van het aantekeningen maken. Zelf was ik toch wel teleurgesteld. Sommige sprekers gaven blijk de G.B. te willen begrijpen en niet te willen missen, maar bij verschillende sprekers had ik het gevoel dat men meer iets wilde zeggen en kwijtraken hoe men over de G.B. en het adres dacht, dan dat men werkelijk vanuit het adres en de nood van de G.B. antwoord wilde geven aan de G.B.
Maar hiermee was de zaak nog niet klaar. Er stond nog een afronding op het programma. Drie sprekers zouden hun reactie geven: ds. B. Wallet van de Commissie Kerkorde, prof. dr. H.B. Weijland als gereformeerd lid van de commissie kerkorde en dan tenslotte zou ir. J. van der Graaf namens de G.B. nog ingaan op enkele aspecten van wat er allemaal naar voren was gebracht. Hier in de staart van de synodezitting, midden in de nacht!, zou echter een onverwachtse wending komen.

Ds. B. Wallet zei zich zo ongeveer als een crisiscentrum te voelen, een conferentie van verenigde emoties. Hij zei, dat de G.B. en de synode de commissie kerkorde konden houden aan de tekst die werd voorgesteld. Het mocht ondubbelzinnig duidelijk zijn, 'dat wij willen ademen in een belijdende kerk. De werkgroep kan zich uitstekend vinden in de door dr. J. Hoek geformuleerd ijkpunten. Zijn vraag uit deze ronde wordt positief beantwoord.'
Wallet zei verder niet zo goed te weten waar hij nu op in moest gaan, maar hij wilde nog wel zeggen, dat hij zich niet voor kon stellen waarom de ambtsvisie in het concept niet presbyteriaal zou zijn: 'Het is ons niet duidelijk! De werkgroep Kerkorde nodigt de G.B. bij dezen graag uit voor een gesprek.'

Dr. H.B. Weijland hield vervolgens een zeer emotioneel verhaal, wat bleek uit het feit dat na zijn verhaal de synode enthousiast begon te klappen, d.w.z. de overgrote meerderheid van de aanwezigen. Maar daarover straks. Dr. Weijland presenteerde zich als volgt: 'Het past mij als gereformeerde om hier sober en terughoudend te zijn. Ik sta hier als kleinkind van de weggelopen zonen. Tegelijk ben ik dankbaar voor de handreiking van de G.B. om samen naar Groen te gaan kijken.' Hij merkte op, dat mede door het adres van Putten het belijden zo krachtig in het centrum was gekomen. Maar de G.B. moest niet alleen kijken naar 1.4. Ieder moest de grote lijn van artikel 1 in het oog krijgen en verdisconteren dat de gereformeerde synode van harte accoord ging met deze insteek. In 1.1. werd begonnen met Israël. In 1.2. werd verder gegaan met de grondhouding van het belijden: eerst horen naar het Woord. In 1.3. werd vervolgens de verhouding van verkondiging en dienst aan de orde gesteld om zo te staan in de traditie van de kerk der eeuwen. Zo kwam hij tot 1.4. waarbij hij opmerkte dat het nooit de bedoeling geweest kan zijn dat daar belijdenissen elkaar uitsluiten. Leuenberg bedoelde enkel de anathemata weg te nemen. 'Het is niet de bedoeling om belijdenissen weg te schrappen maar ze juist te bevestigen. Men erkent en weet dat wij Dordt hebben en dat zullen de gereformeerden ook hebben te erkennen. Een enkele ongelukkige gereformeerde opmerking over de DL is niet de kern van wie en wat wij zijn. Zelfs vele van die opmerkingen niet. U moet ons nemen op onze ondubbelzinnige besluiten. U mag ons aanspreken op Schrift en belijdenis.'
Hierna ging Weijland nog in op de ontwikkelingen binnen de gereformeerde kerken en wees er op dat er ook ondubbelzinnig nee gezegd was tegen de gedachtengang van Wiersinga. Hij had al veertig jaar op de fronten gestaan, onder andere tegen de gedachte dat gereformeerden niet met de hervormden samen konden 'want die vrijzinnigen!'
Ondertussen golfde het ook in de gereformeerde kerken. Hoe was dat mogelijk? Juist omdat wij geen modaliteiten wilden. De kerk moest één zijn. Maar dat werd ons ongeluk. Als beeld gebruikte hij een grote mamoettanker zonder compartimenten. Als het door de storm dan gaat bewegen en de beweging er inkomt, dan slaat de hele massa naar één kant dwars door de hele laadruimte, juist vanwege het ontbreken van de compartimenten
Door de stormen was de GKN er achter gekomen dat de zo hoog door hen in het verleden geroemde samenbindende kracht van de gereformeerde belijdenis niet bestond. 'Al heb je tienmaal gereformeerd op Urk, het bindt niet samen.' Dat moesten de gereformeerden in eigen huis ervaren en ook bij de GOR. Weijland zei vaak jaloers geweest te zijn op de samenbindende kracht van de vaderlandse volkskerk.
Weijland wilde vervolgens niet alleen blijven steken bij de belijdenis, maar ook letten op de verschillende fasen die er liggen in de wijze van geloofsbeleving. Hij memoreerde o.a. belijdenis - bevinding - liturgie - oecumene - etcetera. Tenslotte vroeg hij de G.B. en de synode nog indringend: 'Doe één ding niet! Zeg niet: 'je hebt een andere God'!'

Applaus en stilte
Onder een luid klinkend applaus keerde prof. Weijland weer naar zijn plaats terug. Dat stootte mij enorm en tegelijk vroeg ik mij bezorgd af hoe ir. J. van der Graaf nog op de juiste toonhoogte kon inzetten en antwoord geven op diverse naar voren gebrachte aspecten. Deze sfeer leek niet meer om te buigen. –Ik weet dat ik nu echt een persoonlijke impressie geef, maar dat komt niet voort uit weet ik wat voor onedele motieven, maar enkel uit het feit dat ik het hierop volgende moment ervaren heb als een gave van de Geest. Dat was zo sterk dat ik na enige tijd mijn pen neerlegde en verwonderd zat te luisteren. Ik moet nu uit mijn geheugen putten en tevens gebruik maken van enkele aantekeningen van mijn zwager, dr. J. Hoek. Dat ik mijn persoonlijk ervaren aan het papier toevertrouw is met name om ook de 1600 herv. ger. ambtsdragers van Putten te laten meebeleven wat er gebeurde. U moet realiseren dat dit subjectief gekleurd is, al werd het tegelijk door mij objectief beleefd. Zo kwam het over mij. Zo bracht het mij tot verwondering. En in de gesprekken met anderen werd mij duidelijk, dat ik niet alleen stond in deze beleving.


Terwijl het applaus nog naklonk en verschillende synodeleden elkaar nog aankeken met instemmende en niet van een lach gespeende gezichten stond ir. J. van der Graaf op en nam plaats achter de katheder. In luttele seconden moet hij gebeden en razendsnel nagedacht hebben, want hij week sterk af van het protocol en het door hem voorgenomen pad.
'Dit is nu wat ik bedoel met mijn geding met de gereformeerden. Ik laat zitten wat ik van plan was te zeggen en steek nu direct hierop in. Wij hebben hier, om het zo maar te noemen een echte Hervormd 'onderonsje' en wij sluiten af met een emotioneel gereformeerd verhaal. Daar zal ik dan nu op ingaan.' De woorden werden diep existentieel uitgesproken. In één klap was er doodse stilte. 'Ik zal u vertellen waarom ik nu zeer diep geraakt ben door het geëmotioneerde verhaal van Weijland en waarom ik dat totaal niet mee kan maken. Hiermee zitten wij namelijk ook bij de kern van de dingen. Dit verhaal, gelooft u mij, kan ik echt niet meemaken. Ik verwijs naar het integere verhaal en interview in Trouw. Daar ging het niet alleen om kerkelijke structuren, maar kwam ook het hart van geloof en belijden aan de orde.
Er werd vanavond een en andermaal smalend gesproken over de combinatie van Schrift en belijdenis als een formeel statuut. Maar vergis u niet, synode: daarin kijkt u ons in het hart. De formuleringen van Heidelberg zijn mijn geloof. Dat ervaar ik in de gemeente waartoe ik behoor, van week tot week onder de Catechismusprediking: Dat is mijn geloof!
Tijdens een bijeenkomst in 1948 in Amsterdam antwoordde prof. Severijn op de vraag wat de belijdenis nu is, met zijn hand op zijn hart: 'De religie van de belijdenis zit hier!' De belijdenis is voor ons de taal van de bevinding! En dat is nu het kardinale verschil met de wijze waarop de Gereformeerden altijd met de belijdenis omgingen. Het was voor hen niet de taal van de persoonlijke geloofsbevinding!
En dat nu een gereformeerde hoogleraar op onze synode zo spreekt over dit geding over de belijdenis, dat kan ik niet hebben. In 1950 ging de beschuldigende vinger van de gereformeerden naar ons. De hervormde synodeleden van toen zouden dit ontwerp echter radicaal hebben afgewezen.
Ik mis, en dat zeg ik in alle eerlijkheid, bij Weijland een stuk eerlijkheid als het gaat om de doorlichting van de eigen kerkelijke situatie. Terwijl wij altijd veel en dankbaar gebruik maakten van de theologische vruchten van Kampen en van de VU, moeten wij nu stellen dat er uit Kampen en van de VU geen enkel gereformeerd geluid meer komt. Hun theologische werken worden door ons niet meer gebruikt. Het theologisch referentiekader is voor ons nu Apeldoorn.
En dan wil ik nog eens verwijzen naar het boek van dr. Te Winkel, 'Het wordt nooit meer zoals vroeger'. Hij bespreekt de omslag van de prediking binnen de GKN in de zestiger en zeventiger jaren. Dat is ontdekkend en alarmerend. In de Hervormde kerk zijn allerlei perioden aan te wijzen maar steeds kwamen er weer kenteringen. In de GKN wordt het echter nooit meer zoals vroeger! Dat is een gevolg van het feit dat de belijdenis geen religie van het belijden was.
Het verhaal werd door Weijland heel emotioneel gebracht, maar ik vind het zo hoogmoedig en dat heb ik tegen de gereformeerden. Eigenlijk wordt er alleen maar gezegd: ze hebben het vroeger allemaal verkeerd gedaan. Ik mis de schuld. En mijn ernstige bezwaar is, dat u in het heden zomaar kunt accorderen met de enorme theologische verschuivingen waar wij diepgaand kritiek op hebben.'
Van der Graaf stelde verder nog enkele belangrijke noties aan de orde. Hij vroeg: 'Er wordt gesproken door Weijland en anderen over een voluit belijdende kerk, maar welke belijdende kerk hebben wij op het oog? Met respect luisterde ik naar het verhaal van ds. Van der Sar. Hij weet de vraag van het kerk-zijn met zijn historische wortels ernstig te nemen. Welk woord hebben wij voor de wereld? De confessie heeft alle elementen in zich om de moderne mens van vandaag zo te benaderen dat hij grond onder de voeten krijgt!'
'Dordt laat het geheimenis van de verkiezende en de verwerpende God staan. Een kerk die tegenstrijdige dingen in haar grondslag opneemt kan niet belijdend zijn.'
'Alle jaren heb ik in de Raad van Deputaten meegedaan in een voortdurende spanning mee te doen en voluit eerlijk de dingen aan de orde te stellen. De hele zaak van deze kerkorde is buiten de Raad van Deputaten omgegaan. Wij zijn niet medeplichtig aan deze kerkorde.'
'Praktisch kan ik opmerken dat onze minderheidspositie wordt verzwakt. Wij hebben niet geleefd uit angst etc. Dan hadden wij niet volhard op alle posten. Ook niet in de synode, waar onze mensen steeds weer het onderspit moeten delven. Wanneer put de kerk uit de hele voorraad gedoctoreerden die wij hebben? Telt u zelf het aantal kerkelijke hoogleraren maar na en bekijk hoeveel er herv.ger. zijn! Voor de midden-orthodoxie wordt echter door SoW voorlopig de koers en de macht weer veilig gesteld.'
'Wie ons afscheidingstendenzen toedicht doet aan 'self-fulfilling prophecy'!'
'Tenslotte synode: wat doet u als kerk met al die gemeenten die zich niet kunnen vinden in dit proces?!'


De rede rond de klonk van één in de nacht was met gezag. Niet het gezag van een manager die de touwtjes in handen wilde houden, maar met een belijdend, een profetisch gezag van een getuigenis recht uit het hart. Geladen maar niet met emotionele opmerkingen. Geladen vanwege theologische, kerkelijke en praktische lijnen en feiten. Dat was het m.i. wat indruk maakte en er voor zorgde dat de synodeleden de volgende morgen toch op andere wijze de gespreksgroepen ingingen. Er werd zaterdagmorgen in de gespreksgroep waar ik toe behoorde, m.i. anders geluisterd.
Tegelijk verlies ik niet uit het oog, dat dit in hervormde kring ook samenhangt met de aard van gespreksgroepen. De harde monologen veranderen dan in scherpe vragen waarbij geprobeerd wordt naar het antwoord te luisteren.


Wat het uit zal werken weet ik niet. Of de betogen anders zouden zijn, wanneer er de volgende maand weer een extra synodevergadering zou zijn, weet ik ook niet. Persoonlijk geloof ik het niet. Maar het is betuigd en het is gehoord. En in dat opzicht is het woord wel aan de synode. Het woord is aan de kerk. Aan de classicale vergaderingen. Het komt er nu op aan wat er in de gesprekken aldaar over het ontwerp-kerkorde zal doorklinken. De synodeleden die als afgevaardigden deel uitmaken van de classicale vergaderingen zouden aldaar duidelijk kunnen maken dat het niet genoeg is om Leuenberg maar van een andere formulering te voorzien. Het gaat Putten niet op gereformeerde wijze om de belijdenisgeschriften, maar zoals ter middernacht profetisch klonk in de synodezaal: 'om de religie van het belijden'. Sommigen zullen misschien zeggen, dat Van der Graaf daar meer over spreekt en schrijft en dat het als zodanig niet nieuw is. Sommige synodeleden zeiden ook schimpend in hun verhaal: 'Ik heb geen nieuwe dingen gehoord van de G.B.' Daar was ik juist blij om, ik zou het beangstigend gevonden hebben als er ineens nieuwe dingen geweest zouden zijn (wat de synode dan weer zou laten zeggen: jullie hebben steeds weer nieuwe, dat is andere argumenten). Maar dit moge voor verschillende synodeleden nieuw zijn: ze hebben kunnen zien, horen en ervaren, dat het spreken over de religie van het belijden geen stokpaardje is, maar een zaak die tot in het diepst van het bestaan leeft en raakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1993

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Uitvoerige weergave en enkele persoonlijke impressies van de vrijdagavondvergadering

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1993

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's