Uit de Pers
Zelfs in de nacht
Van het christelijk literair tijdschrift Woordwerk verscheen december 1992 nummer 40 van de 10e jaargang. Dat was aanleiding een themanummer samen te stellen onder redactie van drs. Anne Schipper. Deze 40e aflevering kreeg als titel mee: Weerklank en als ondertitel 'Dichter en gemeente, aspecten van een wederkerige relatie'. Ik citeer hier uit het Ten geleide van de redacteur: '… wie zich wil bezinnen op de weerbarstige werkelijkheid achter het dichterschap in de gemeente – dat zich bij uitstek manifesteert in het kerklied, als vrucht van de wederkerigheid tussen dichter en gemeente –, vindt in deze publikatie vele oriëntatiepunten, die zicht bieden op een veelkantige thematiek'. We gaan hier verder niet op de inhoud van dit themanummer in, al is het wel heel verleidelijk, er veel uit te citeren. Liefhebbers kunnen dit nummer bestellen bij het hieronder vermelde adres.
Citeren wil ik wel uit een bijdrage van Hans Werkman. Hij stelt in zijn door hem zelf als 'goeddeels vrijgemaakt' getypeerde bijdrage aan de orde, wat hem de laatste jaren in zijn kerken is opgevallen.
Het is mij de laatste zes jaar niet overkomen, dat ik in een kerkdienst Psalm 77 mocht zingen. Een heel gemis.
De gereformeerd-vrijgemaakte kerken, waartoe ik behoor, namen in 1986 een nieuw zangboek in gebruik. Van de psalmen werd 35% overgenomen uit het Liedboek voor de kerken. Heeroma's berijming van Psalm 77 is er ook bij, met die functionele herhaling aan het begin en die zacht klagende melodie.
Roepend om gehoor te vinden,
om bij God gehoor te vinden,
roep en smeek ik onverpoosd,
maar mijn ziel blijft ongetroost.
Nu de druk mij overmande,
hef ik tot de Heer mijn handen,
maar 't gedenken is mij pijn,
nu ik zonder God moet zijn.
Waarom houd ik zo van deze regels en waarom mis ik ze in de kerkdiensten? Omdat ik een gewoon christenmens ben en mijn deel mee-ervaar van de Godsverduistering van deze tijd.
Deze psalm, aldus Werkman, klaagt over het gemis aan relatie met God.
Een van de verschijnselen daarvan is de 'ontroostbare cultuur', waar Van der Graft het over heeft, maar veel eerder nog klaagt deze psalm over het persoonlijke gevoel van verlatenheid. De mens roept. God laat zich niet vinden. Wil de mens dan niet? Laat hij God links liggen? Heeft hij Hem dood verklaard? Driemaal nee. Hij wil dolgraag. In de rest van de psalm spreekt hij God toe. Dat kan niet anders betekenen dan: U bent er wel, maar wáár? Ik ervaar U niet en dat is de diepste pijn van mijn bestaan. – Hij lost het raadsel van de Godsverberging niet op. Wel komt hij tot rust, doordat hij opeens ziet wat voor ogen is: de daden Gods. Geloof en hoop ontstaan tijdens het zingen over wanhoop. Merkwaardig: de tweede (gelovige) helft van Psalm 77 werd in de afgelopen zes jaar wel gezongen in de diensten van mijn kerk, de eerste (wanhopige) helft niet.
Werkman voorzag gedurende een aantal jaren de gezongen coupletten in zijn zangboek van een streepje. Anderen deden in andere vrijgemaakte kerken hetzelfde. Hij publiceerde zijn onderzoekje in het Nederlands Dagblad eind 1991 en begin 1992. Over het ontbreken van klaagpsalmen kreeg hij veel toestemmende reacties van predikanten en gemeenteleden onder wie enkele psychiaters.
Hoezo, psychiaters?
Ds. J.B. Wilmink schreef me in 1989: 'Zou het kunnen zijn dat we in de kerk graag 'uit volle borst' zingen en minder graag 'met vrezen en beven'? Zouden we wellicht liever stem geven aan onze hoop, ons geloof en ons vertrouwen dan aan de tegenstem van: wanhoop, twijfel, vragen, moeiten en aan de 'Godsverduistering'? Terwijl we toch in een idioot psychiatrische tijd leven. Een tijd waarin Psalm 88 en 142 enorm tot de verbeelding spreken. Ik weet van een paar meisjes in een psychiatrische inrichting, dat ze daar samen in hun nood psalm 88 en 142 zingen. En dat dat samen zingen juist van dié psalmen heel bemoedigend kan zijn. Maar dat geldt de héle gemeente.'
Een andere vrijgemaakte predikant, ds. B. Luiten, schreef: 'In onze tijd zijn zorgwekkend veel mensen depressief. () Echte depressie is iets verschrikkelijks, en het komt werkelijk steeds vaker voor. () Een van de redenen waardoor iemand depressief wordt, is steevast, niet alleen dat hij problemen heeft, maar ook dat die problemen lange tijd onbespreekbaar zijn geweest.
Genoemde problemen zijn, aldus Werkman niet alleen maar onbespreekbaar gebleken, ze zijn kennelijk ook nauwelijks bezingbaar geweest. Psalm 77 is niet de enige ondergesneeuwde psalm.
Ik maakte een top-100 van gezongen psalmcoupletten. Daarvan behoren er 95 tot de psalmen van lof, vertrouwen en zekerheid. Slechts vijf zijn smeekpsalmen: 'Schep in mij, God een hart dat leeft in 't licht' (51 : 5), 'Doorgrond mij, ken mijn hart, o Heer' (139 : 11), 'Heer, wijs mij toch zelf de wegen' (25 : 2), 'Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven' (90 : 8) en 'O Heere God, kom mij bevrijden' (43 : 3). Geen van deze vijf behoort tot de top-20. Het is blijkbaar niet onze zingende gewoonte om klein, zwak en onzeker tot de Heere te gaan. We krijgen 20 keer vaker een psalm te zingen waarin we ons vanuit een hechte zekerheid juichend en vol vertrouwen tot God richten.
Is dat niet vreemd in een tijd van Godsverduistering die de kerk niet voorbijgaat? Zitten er 's zondags geen duizenden mensen in de kerk die evenveel behoefte hebben aan 'O God, bescherm ons in ons onvermogen' (90 : 8) als aan "k Ga jubelend God tegemoet' (84 : 1)?
Het is goed dat een predikant zijn gemeente vaak en graag optilt naar de lofprijzing en de zekerheid. Maar het kan ook ontaarden tot ontkenning van wanhoop. Ik ervaar de overmaat aan lof-, zekerheids- en vertrouwenspsalmen in het kerkdienstelijk leven als een vorm van perfectionisme, dat luidkeels over wanhoop en depressie heenzingt en daardoor de vele wanhopigen en depressieven demotiveert. Dat daarvoor ook in de vrijgemaakte kerken oor is, blijkt uit wat ik citeerde van twee predikanten. 'We leven in een idioot psychiatrische tijd.' Een gemeente moet – zeker in onze tijd – ook zingen op het niveau van het onvermogen, de wanhoop, het zwijgen Gods. Juist dat kan de eerste opstap zijn naar de lofprijzing. Samen met de hele gemeente zingen van je wanhoop geeft hoop.
Werkman laat zien welke psalmen zoal meer worden overgeslagen. Zelfs blijken sommige psalmen slechts voor een deel te worden gezongen. Het klagende deel blijft ongezongen. Terecht geeft Werkman aan, dat dit niet kan. Dit verschijnsel komt echter niet alleen in zijn kerken voor. In het Liederenblad, een bundel die dienst doet in samenkomsten van de Evangelische Omroep, blijkt de 'tegenstem' ook bijna geheel afwezig, aldus Werkman. Hetzelfde geldt voor de bundel 'Opwekkingsliederen'. Toen ik onlangs voor ons blad het boek 'Een nieuw gezang', red. Evert W. van der Poll (uitg. Merweboek) besprak, trof me hetzelfde ook een aantal keren in enkele bijdragen uit evangelische kring. Kees van Setten geeft in zijn bijdrage aan, dat er in zijn kring naar het lijkt alleen 'een theologie van de glorie' schijnt te zijn. En het zijn juist de psalmen, die de ogen kunnen openen voor wat hij noemt 'de eerlijke twijfel, de schreeuw om echtheid en authenticiteit, het lijden, de ervaring van godverlatenheid, de opstandigheid, de boosheid'. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat Werkman aantoont dat in het Liedboek voor de kerken wel een evenwicht te vinden is tussen wat ds. A.F. Troost noemt 'stem en tegenstem', c.q. klacht en roem.
De dingen verschuiven
Dat schrijft prof. dr. W. van 't Spijker boven een bijdrage in zijn wekelijkse rubriek 'Marginaal' in De Wekker van 1 januari 1993, waarin hij zonder het te zeggen, kennelijk reageert op de hierboven geciteerde bijdrage van Hans Werkman.
Men kan het merken aan de teksten waarover niet meer gepreekt wordt en aan de psalmen die niet meer worden gezongen. Wat het laatste betreft, de boetepsalmen met hun diepe klaagtoon verdwijnen van het psalmbord. In een bundel geschreven door dichters was te lezen, dat een van hen eigen ervaring bevestigd vond door die van anderen: het zuchtend zoeken van de hemel wordt in de gezongen psalmen niet meer gehoord. Dat is jammer, omdat binnen de gemeente op die manier ook geen klank meer wordt gegeven aan het algemeen tijdsgevoel. Men spreekt (ik vind het woord verschrikkelijk) over Godsverduistering. Indien het zo al is, dat dit de wereld aangaat, dan moet de záák toch reeds veel eerder en veel dieper in de gemeente gekend zijn. En dan is het een veeg teken, dat in die gemeente niet meer geklaagd wordt. Dat ze geen weet meer heeft van het roepen om ontferming: 'Gena, o God, gena, hoor mijn gebed'. In diezelfde sfeer past ook de verschuiving in de tekstkeuze. We herinneren ons de teksten, die vroeger goed lagen in de gemeente en waarin de oproep tot bekering rechtstreeks doorkwam. Moet een gemeente niet meer bekeerd worden? Valt er geen schuld te belijden? En zijn er geen zaken waaromtrent een hartelijke ommekeer bitter noodzakelijk is? Hoe komt het dan dat er klassieke preken zijn, die het hart van de gemeente blijven aanspreken en waarin deze themata wèl ter sprake komen?
Inderdaad, de dingen verschuiven. In evangelische kring beginnen sommigen de gespierde taal van de psalmen te missen. In kringen waarin men slechts psalmen zingt, wordt in toenemende mate ook het lied vanuit de vervulling gemist. Zoals ds. Evert W. van der Poll het onlangs in Koers zei in een interview (23 december 1992): 'Probeer maar eens een psalm te vinden, waarin je Jezus dankt voor Zijn sterven en opstaan. (…) Je kunt na de opstanding toch niet alleen maar psalmen zingen? (…) Waarom zou je de Paasgemeente nieuwtestamentische liederen onthouden, als ze er genoeg zijn?'
We citeren het slot van de bijdrage van prof. Van 't Spijker:
Er zijn perioden in de geschiedenis der mensheid aan te wijzen, waarin een ander levensgevoel niet alleen, maar waarin een heel andere manier van mens-zijn ontstond. Men kan de weerspiegeling van dergelijke verschuivingen in de kunstuitingen waarnemen. Bouwstijlen verraden een manier van denken. Muziek vertolkt een wijze van zijn. Schilderkunst biedt een weergave van het leven, waarin zich veranderingen aftekenen. Wij staan midden in onze tijd en zijn daarom niet in staat en ook niet bij machte om doorgrondend te analyseren. De mens is veranderd. Hij denkt anders. Hij leeft anders. Hij beweegt zich anders door het leven. Zelfs zij die het krachtigst tegen de verandering preken, hebben er zelf deel aan. En toch is diezelfde mens niet veranderd. Hij bleef bij alles beelddrager Gods, geschonden in de gelijkenis weliswaar, maar beelddrager. Onveranderd, zondaar en schuldig. Onveranderd aangewezen op genade. Daarom komen die oude psalmen ook wel weer terug met de teksten, die er bij horen. Wacht maar tot ze weer gaan spreken van de onveranderlijkheid van God in recht en genade, in trouw en barmhartigheid. Wacht maar tot we ze weer zingen, uit de diepte en in de nacht. En zie hoe treffend ze overeenkomen met die nood, die onveranderlijk aan het menszijn is verbonden.
Het gaat ook in wat we zingen in de samenkomsten der gemeente om het bijbelse evenwicht. Er is door hen, die het gezang weren uit de eredienst, vaak op gewezen, dat het lied dat je zingt niet zonder uitwerking is op het geestelijk leven der gemeente. Niemand zal dat betwijfelen, ook al overtuigt dit argument niet iedereen om daarom geen andere bijbelse liederen in de eredienst te zingen dan alleen de psalmen.
Het gearriveerd christendom
In De Reformatie van 16 januari 1993 geeft prof. J. Kamphuis in zijn wekelijkse rubriek 'Gelegen/Ongelegen' aandacht aan wat heet het 'perfektionisme'. Je komt dit tegen in kringen van het methodisme en in de pinksterbeweging, aldus prof. Kamphuis. Men denkt de volmaaktheid hier al te bezitten, zonder het besefte hebben, dat we ons leven lang te strijden hebben tegen onze zondige natuur en elke dag bekering nodig hebben. Maar, zegt prof. Kamphuis, je kunt het perfektionisme als stelsel wel afwijzen, terwijl intussen een 'praktisch perfektionisme' je bedreigt. In wat prof. Kamphuis dan schrijft, raakt hij aan hetzelfde als wat Werkman in 'Woordwerk' noemt.
De praktijk van het perfectionisme kan op nog een andere manier ons leven binnendringen en de godsvrucht verdringen. We kunnen als gelovigen (terwijl we alle methodisch volmaaktheidsdrijven afwijzen!) het goed met onszelf hebben getroffen. We horen Paulus wel zeggen: 'Ik ellendig mens'. Maar wij zijn vreemd geworden aan die klacht. We zijn in de verlossing de ellende toch wel voorbij? We kijken er dan ook vreemd van op, als de Catechismus zegt, dat ook de àller-heiligsten nog maar een 'klein begin' van de nieuwe gehoorzaamheid hebben. De Catechismus heeft hier toch wel een erg donkere bril op! Net zoals het Avondmaalsformulier, wanneer het van gelovigen (nota bene!) zegt dat 'wij midden in de dood liggen'. En voor wat Paulus in Rom. 7 betreft, hier kan de theologische uitlegkunde ons nog wel een handje helpen door ons 'uit te leggen', dat Rom. 7 met die donkere tonen ('als ik het goede wens te doen, is het kwaad bij mij aanwezig') natuurlijk niet van toepassing is op de gelovige en wedergeborene. Wij zijn geen boeteling meer en de boete-psalmen wijken uit ons leven. 'Natuurlijk' (want theoretisch blijven we ver van alle volmaaktheids-drijverij), 'natuurlijk' doen we nog wel zonde, maar de zonde verontrust ons niet meer. Er wordt een hoogmoedig mensenslag geboren! We leren dan ook op een heel arglistige manier met onze zonde te leven. Bekering is niet meer nodig, we zien onze zonde over het hoofd. We negeren. We kunnen er zelfs boos om worden, als we erop worden gewezen. We kunnen geen kritiek gebruiken. Ook geen kritiek op onze stijl van leven. Het vermaan – als het tot ons komt - vindt geen plaats meer. Stel je voor – wij zijn toch gelovigen, kinderen van God? Hoe zou de tuchtiging bij òns dan op z'n plaats kunnen zijn? We vergeten de vermaning die tot ons als zónen spreekt: 'Mijn zoon acht de tuchtiging des Heeren niet gering en verslap niet, als ge door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Heere en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt', Hebr. 12 : 5, 6. Maar ons is de vermaning niet meer welkom. Dat stadium zijn we voorbij.
Inderdaad, zelfvoldaanheid kent geen roepen uit de armoede. Zoals prof. Kamphuis zijn bijdrage afsluit: 'Hier is ervaring van rijkdom en werkelijkheid van leegte'. Laten we niet denken dat het hier gesignaleerde iets is wat in vrijgemaakte kring of in evangelische gemeenten alleen aan te treffen zou zijn. Zelfvoldaanheid en zelfingenomenheid, een gearriveerd christendom is van alle tijden en komt voor in alle kerken en kringen. Onlangs stond er in Terdege een gesprek te lezen met de Christelijke Gereformeerde predikant ds. H.C. van der Ent (Elburg) over het beroepingswerk. In dat gesprek maakte hij de volgende rake opmerking over posities in zijn kerken (en ook daarin lijken zijn kerken op onze Hervormd Gereformeerde gemeenten): 'Aan de linkerkant hèbben ze het allemaal en aan de rechterkant missen ze het allemaal. Maar ze leven er allebei rustig bij in de dood'.
Laten we daar nog maar eens diep over nadenken, met de blik op eigen leven en gemeente.
J. Maasland
Het themanummer 'Weerklank' kan besteld worden bij de administratie van Woordwerk, Schans 37, 4251 PW Werkendam. Prijs ƒ 25,–.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1993
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1993
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's