De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het schoonste lied

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het schoonste lied

Een nieuw standaardwerk over het Hooglied

9 minuten leestijd

Dr. M. Verduin heeft ons verrast met een standaardwerk over de uitleg van het Hooglied (1). Zo ziet het er ook uit: royaal van formaat, een mooie band, voorzien van een fraaie omslag. Het verdient ons respect wanneer een dienstdoend predikant naast zijn werk in de gemeente zich waagt aan een dergelijk promotie-onderzoek en dat ook tot voltooiing brengt. Bovendien plukt de gemeente daar weer de vruchten van. Want wat toont de schrijver aan? Volgens de Kanttekenaren van onze Staten-Vertaling zingt het Hooglied van de liefde van Christus voor Zijn bruid, dat is Zijn gemeente, en van de liefde van de gemeente voor Christus, haar hemelse Bruidegom, haar Héére. Welnu, deze verklaring kan niet worden afgedaan met de opmerking dat men oosterse liefdesliedjes een religieuze inhoud toekent die zij van zichzelf niet hebben. Volgens deze opvatting bedrijven de Staten-Vertalers hier inlegkunde in plaats van uitlegkunde. Dat is zo ongeveer het ergste verwijt dat men een exegeet kan maken. Gewone liefdesliedjes in de Bijbel – dat kan toch niet?! Om het Hooglied acceptabel te maken als Heilige Schrift moest men haar inhoud wel vergeestelijken. Aldus de redenering in veel hedendaagse commentaren, soms ook van orthodoxe zijde. Dr. Verduin toont aan dat men daarmee ingaat tegen een traditie met heel oude papieren. Daarom is m.i. zijn dissertatie een waardevolle bijdrage naast het proefschrift van dr. I. Boot, De allegorische uitleg van het Hooglied, voornamelijk in Nederland (1971).
Bij het vergeestelijken van een tekst of een tekstgedeelte heeft men niet genoeg aan wat er geschreven staat. Men zoekt de waarheid achter de waarheid en brengt tussen die twee zelf de koppeling aan. Bij deze procedure is de sleutel van de kennis in handen van de uitlegger. Hij heeft daarover de beschikking en wij mogen of moeten maar in spanning afwachten wat hij ons te zeggen heeft. Wij pleiten voor een geestelijk verstaan van de tekst. Dan gaat het om de er- en herkenning van de structurele samenhangen in de Schrift. Daar komt men achter door Schrift met Schrift te vergelijken. Dat is: elke Schriftplaats interpreteren vanuit het geheel van de Schrift. Er zijn hoofdlijnen. Ze staan duidelijk aangegeven. Het slot van het boek Prediker is daarvan een duidelijk voorbeeld: Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God en houd Zijn geboden, want dit betaamt alle mensen, 12 : 13. We kunnen ook denken aan de Brieven in het Nieuwe Testament. Hoe vaak worden daarin de heilsfeiten beleden in hun onderlinge samenhang. Tegenover de eerste Adam staat de tweede Adam, tegenover onze zonde Gods genade. Vooral de uitspraken van de Heere Jezus over Zichzelf zijn hier van belang; de zeven 'Ik ben'-woorden uit het evangelie naar Johannes en de 'Zoon des mensen'-teksten. Bijvoorbeeld: Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen, Marcus 10 : 45. In deze woorden wordt de figuur van de Zoon des mensen uit Daniël 7 in verband gebracht met de lijdende Knecht des Heeren in Jesaja 53. Op dezelfde wijze laat de Bijbel ons de structurele samenhang zien tussen de liefdesband van het huwelijk en de verhouding tussen Christus en Zijn gemeente. Hij kiest haar uit als Zijn bruid en zij hangt Hem aan als haar Bruidegom. Kernteksten in dit verband zijn Hosea 2, Psalm 45 en Efeziërs 5. Hoe vaak wordt ook – omgekeerd – het ongeloof benoemd als 'afhoereren'. We hebben hier niet te maken met de hoogst subjectieve opwellingen van een vroom gemoed maar met objectieve Schriftgegevens, geen allegorese maar een allegorie op basis van een analogie. Deze verborgenheid is groot, zegt Paulus. Dat respecteren wij. Daarover mogen wij ons verwonderen. Dat bedoelen wij met het geestelijk verstaan van de Schrift.

Staan in de traditie
Dr. Verduin heeft onderzoek gedaan naar de bronnen die de Staten-Vertalers hebben gebruikt voor het schrijven van hun kanttekeningen bij het Hooglied. Het blijkt dat ze daarbij veel ontleend hebben aan een commentaar van Godefridus Cornelisz. Udemans, destijds predikant te Zierikzee (1616). Iedereen kan dit nagaan, want dr. Verduin heeft beide teksten naast elkaar laten afdrukken. Udemans grijpt voor zijn verklaring terug op wat de reformatoren hebben geschreven over het Hooglied en zij op hun beurt volgen een spoor dat via vermaarde Middeleeuwse theologen als Bernhard van Clairvaux ons brengt bij Augustinus, Ambrosius en Origenes, de tijd van de kerkvaders. Met name Origenes en Hippolytus hebben voor hun prediking uit het Hooglied weer geput uit joods-synagogale bronnen. Van oudsher werd het Hooglied gelezen op het joodse Paasfeest. Daarmee is de synagogale traditie die tot ons gekomen is in de Talmoed, de diverse bijbelvertalingen (targoems) en bijbelverklaringen (midrasjim) getypeerd. Zij bevat twee elementen. In de eerste plaats wordt het verbond van God met Israël vergeleken met een huwelijk. God is de Bruidegom en Zijn volk de bruid. De liefdesverhouding die daarin tot uitdrukking wordt gebracht leidt niet tot het uitwissen van het kwalitatief onderscheid tussen God en de mens. Dan zou Israël terugvallen in het heidendom van de omringende volkeren met hun erotisch geladen natuurmystiek. We denken aan de Baäldienst. Want in de tweede plaats heeft de liefde van God gestalte aangenomen in de geschiedenis. Hij heeft Israël uitverkoren en daarom heeft Hij dit volk uitgeleid uit het diensthuis. Het gesprek tussen Bruidegom en bruid is niets anders dan het opnieuw beleven van de uittocht uit Egypte en de verbondssluiting op de Sinaï. Van rabbi Akiba is de uitspraak: 'Het was de mooiste dag van de wereld toen aan Israël het Hooglied werd geschonken. Al de Schriften zijn heilig maar het Hooglied is het heiligste der heiligen'.

Verschillende geloofspatronen
Onlangs las ik van een deskundige op het gebied van de intertestamentaire periode de opmerking dat de targoem op het Hooglied bepaald geen mystieke sfeer vertolkt (Philip S. Alexander). Daar keek ik toch wel even van op. Maar het is waar. Hoe komt dat? Het Hooglied functioneert hier in een bepaald geloofspatroon, namelijk in dat van de gerechtigheid die uit de wet is. Een voorbeeld ter illustratie. Wij lezen in Hooglied 5 : 11: 'Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf'. Volgens de targoem betekent 'Zijn hoofd' de Tora (de Wet), 'Zijn krullen' de interpretatie van de Wet (door de rabbijnen) en 'gekruld' de argumentaties en voorschriften (hier zouden we kunnen denken aan de discussies en richtlijnen zoals we die aantreffen in de Talmoed). In het geloofspatroon van het katholicisme domineren de sacramenten. Dat geeft aan de interpretatie van het Hooglied weer een heel andere setting. Het sfeerbeeld wordt dan bepaald door de wijze waarop men de eucharistie ervaart. Hetzelfde geldt trouwens ook voor de oecumenische symbolen: de apostolische geloofsbelijdenis, de belijdenis van Nicea (als Credo vast onderdeel van de viering van de eucharistie) en de geloofsvorm van Athanasius. In het geloofspatroon van de reformatie staat het Woord van God centraal. Zowel in de eredienst, thuis in het gezin, als voor ieder persoonlijk. Nu krijgt – althans principieel – het Hooglied de plaats die het toekomt in de verkondiging van de grote daden des Heeren. Laten we bidden dat dit ook de praktijk mag zijn of worden: hóren wat de Bruidegom zegt en leren bidden en getuigen als de bruid.
Het onderzoek naar het functioneren van het Hooglied in de verschillende geloofspatronen van het synagogale Jodendom, het katholicisme (Rooms-Katholiek en Oosters-orthodox) en de reformatie viel buiten het promotie-onderzoek van dr. Verduin maar is wel een belangrijk aspect van de overlevering.

Eén kader
Ook als wij ons willen houden aan de religie van de belijdenis (het geloofspatroon van de reformatie) en daarom kiezen voor de klassieke verklaring van het Hooglied, is daarmee het gevaar van het allegoriseren bezworen? Een voorbeeld uit de praktijk. Volgens F.W. Krummacher in zijn prekenbundel Salomo en Sulamith (1845) zijn 'de wachters, die in de stad omgingen', Hooglied 3 : 3, de uitdelers van de verborgenheden Gods, maar volgens de Kanttekenaren de groten en wijzen van deze wereld. Krummacher volgt daarbij Udemans. Wie heeft nu het gelijk aan zijn kant? Toch nog het hek van de dam voor exegetische willekeur? Dat gevaar lijkt groter dan het is. Om dat duidelijk te maken kunnen we misschien het beste een vergelijking maken tussen het Hooglied en de gelijkenissen van de Heere Jezus. Op onderdelen is verschil in uitleg mogelijk. Die verschillen kunnen zelfs legitiem zijn vanwege de verscheidenheid van aspecten. Als men met zijn uitleg maar blijft binnen het kader van de allegorie. Bij de exegese van de gelijkenissen van het Koninkrijk van God uit Mattheüs 13 zal men dan altijd het Koninkrijk van God voor ogen moeten houden en bij het Hooglied de liefde van God voor Zijn volk. In die liefde zijn belofte en gebod met elkaar verbonden. Enerzijds de verlossing uit de macht van zonde, duivel en dood, en de vernieuwing van het verbond, anderzijds de heiliging van ons leven als man en vrouw.
De bestudering van het proefschrift van dr. Verduin wil ik graag stimuleren. Het kan een nieuwe impuls zijn om ons te verdiepen in de kanttekeningen van onze Statenvertaling. Dat zullen gezegende uren zijn. De Heilige Geest is niet alleen de Leraar maar ook de Opperzangmeester van Gods kerk. Hij wil ons het schoonste lied leren. Want de Geest en de Bruid zeggen: Kom! en die hóórt, zegge: Kom! En die dorst heeft, kóme; en die wil, neme het water des levens… om niet.

H.J. de Bie, Huizen

(1) Dr. M. Verduin, Canticum Canticorum, Het lied der liederen. Een onderzoek naar de betekenis, de functie en de invloed van de bronnen van de Kanttekeningen bij het Hooglied in de Statenbijbel van 1637, 841 blz., geb. ƒ 95,–, uitgeverij De Banier, Utrecht 1992.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het schoonste lied

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's