Boekbespreking
J. van 't Hul en drs. P.J. Vergunst, Op de orgelbank. Gesprekken met protestants-christelijke kerkmusici, uitg. J.J. Groen, Leiden 1992, 200 blz., ƒ 34,50.
Wie geïnteresseerd is in orgels, organisten en kerkmuziek kan in dit boek zijn hart ophalen. De interview-methode, die de redacteuren met bedrevenheid hanteren, staat garant voor geboeid leesgenot. Wie denkt nooit bij zichzelf: ik zou die kunstenaar op de orgelbank wel eens wat nader willen leren kennen, om iets aan de weet te komen van zijn motivatie, zijn inzichten en bedoelingen? In deze bundel met vraaggesprekken komt een 23-tal organisten achter hun orgel vandaan, om ons te informeren over de theoretische bezinning die achter de praktijk schuilt. Dat levert een veelkleurig palet aan meningen op, zoals enigszins ingewijden al konden vermoeden. Het wereldje van onze organisten is al even weinig homogeen als dat van de dominees. Weliswaar bemerkt men hier en daar gemeenschappelijke invloeden en overeenkomstige ideeën en idealen, maar mij trof toch (opnieuw) vooral de grote mate van geschakeerdheid. Dat is ook niet verwonderlijk. Immers bij uitstek muziekbeoefening is niet slechts een zaak van technisch vakmanschap en muzikale vaardigheid, maar minstens evenzeer van smaak, gevoel, beleving, existentie. Deze combinatie lijkt me volstrekt onafscheidelijk. Kunde zonder hart blijft steriel. Maar ook bezieling waaraan bekwaamheid ontbreekt, levert een wanprodukt.
Het is deze onmisbare verbintenis van bedrevenheid en gedrevenheid die, bij alle verschil in inzichten, toch iedere organist die wij hier ontmoeten voor de geest staat. Het betreft stuk voor stuk begaafde mensen, in de letterlijke zin. Dat wekt bewondering en dankbaarheid jegens de Auteur van het geschenk dat muziek heet. De kerk mag wel zuinig zijn op wat de Geest van God haar in die gave schenkt. Ik voeg eraan toe dat ook deze begaafden zelf respect verdienen. Te weinig wordt naar mijn inschatting beseft, hoe hard deze mensen moeten werken om hun begaafdheid te ontwikkelen, verantwoorde vorm te geven en op peil te houden. Inspiratie sluit transpiratie niet uit.
Er zou aan deze muzikale bundel best een uitvoerig postludium te wijden zijn. Ik volsta echter met enkele intermezzi bij passages, die mij al of niet aangenaam troffen.
Dirk Jansz. Zwart maakt de belangrijke notitie, dat een organist de zang moet begeleiden met harmonieën die passen bij stijl en karakter van tekst en melodie. 'De harmonieën moeten niet te bont zijn, met allerlei alteraties, dat wordt muzikaal gezien bombastisch' (en heel vermoeiend, denk ik erbij). Wanneer Johann Th. Lemckert vindt dat muziek een kans moet hebben als 'eigen objectief medium' en niet ondergeschikt mag worden gemaakt aan het Woord, is zijn zienswijze als reactie wel begrijpelijk, maar ik meen toch dat er op af te dingen valt. Het openbaringskarakter van het Woord lijkt me nu eenmaal onvervangbaar. Wanneer de muziek ondergeschikt is aan dit Woord in die zin dat zij de Godsopenbaring omrankt en de reactie daarop stem geeft, strekt juist deze dienstmaagdgestalte haar tot hoge eer. Het is Bas de Vroome, overigens een rasechte muzikant, die in deze geest opmerkt: 'Ik geloof niet in de muziek als plaatsvervanger van het Woord. Dat zal de organist er ook voor hoeden een te dominante plaats in te nemen. Het Evangelie hoor je vanaf de kansel en niet vanaf de orgelbank'. In die visie kan ik me helemaal vinden. Ik weet uit ondervinding, welke luister uitgerekend deze bescheiden attitude de Woorddienst bijzet!
Een zinnetje dat bij mij bleef haken, komt uit de mond van Herman van Vliet: 'Ook over je muziekleven moet het werk van Christus gaan'. Dat zal waar zijn! Verder noteerde ik van dezelfde organist een uitspraak die me al evenzeer uit het hart gegrepen is: 'Vlug niet-ritmisch vind ik foeilelijk. Niet-ritmisch moet iets statigs, iets verhevens, iets majestueus houden'. En: 'Hoe meer mensen, hoe langzamer het kan en ook moet'.
Bij Jan Jongepier doet zich de aardigheid voor, dat hij enerzijds pleit voor 'de typisch eigen kleur van de 20e-eeuwse muziek' in de eredienst en even later anderzijds in de orgelbouw die 20e-eeuwse identiteit laakt. Ik ben zo vrij om dit laatste ook te doen inzake de eigentijdse muziek. De vormgeving van deze muziek verraadt m.i. zoveel eigentijdse inhoud – een inhoud die naar disharmonie en leegte tendeert – dat ze niet minder behelst dan een smakeloos saecularisme. Dat men niet aanvoelt hoe ongerijmd dit in de eredienst is!
Diepe herkenning wekte bij mij het pleidooi van Jan Jansen, die achter het orgel meezingt om te kunnen meebeléven. 'De tekst moet je meemaken, dan geef je andere akkoorden of je registreert anders'. Ik zeg erbij: dan is ook je tempo 'natuurlijker'. Je zult dan de gemeente noch opjagen door haar een halve slag voor te blijven, en evenmin haar zang traineren door een kwartslag achteraan te komen. En je zult tussen de regels die weldadige rust in acht nemen die de ademhaling vergt. Och, dat al het organistenvolk dit ter harte en ter hand nam! Ook Jan Kleinbussink geeft in dit verband behartenswaardige adviezen, wanneer hij pijnlijk wijst op het verschil tussen begeleiden en treiteren (je hebt organisten die 'tot het bittere einde laten blijken dat zij de baas zijn'). Intrigerend vind ik ook het verhaal van Jos van der Kooy. Als hij – tegen alle snobisme in – de melodie van Stille Nacht prachtig noemt, doet me dat goed; maar als hij denkt de diepte van Ps. 130 te kunnen symboliseren met een hele elleboog op het klavier, vind ik dat bizar.
Van heel praktisch belang lijkt me de stelling van Dick Sanderman: 'Te zachte begeleiding bewerkstelligt een zekere geremdheid bij de gemeente'. Waarvan akte! Wie Psalmen – ook boetepsalmen! – zingt, moet niet prevelen, maar uitroepen! Hartgrondig oneens ben ik het met Peter Eilander als hij denkt dat Bach vóór de eredienst niet werkt, al geef ik hem toe dat de voorkeur dan niet moet uitgaan naar een praeludium en fuga! Anton Pauw heeft met dit laatste daarentegen weer niet de minste moeite. Gerrit Christiaan de Gier hoorde één van zijn leerlingen zeggen: 'Bach is voor de organist wat de catechismus voor de predikant is. Dat is net zo'n enorme bron'. Die leerling heeft het begrepen!
Tot slot een zin van Bas de Vroome, die bijval waard is: 'Het gaat erom dat de gemeente uit het hart zingt en daar doe ik dan van harte in mee. Het gaat erom dat de liederen beleefd worden'. Gelukkig de gemeente die bij een Bijbelse, doorleefde prediking het geschenk van zulk doorleefd orgelspel ten deel valt. De Engelsen zeggen: The proof of the pudding is in the eating. Zo bewijst zich het charisma van de kerkmusicus in geïnspireerde gemeentezang.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's