Torenspitsen-gemeenteflitsen
KOOTWIJK-KOOTWIJKERBROEK
'Het is een gering dorp, temidden op de rugge der Veluwe, op een schralen boden gelegen'.
Met deze woorden typeert de oude historieschrijver het dorp Kootwijk.
In deze naam ligt de oorsprong van het dorp verscholen. 'Cote' is Engels voor 'schaapskooi'. En toen er een groter aantal kooien kwam, voegde men er 'vick' of 'wiek' achter. Kootwijk: een flinke groep schaapskooien dus.
Het kerkgebouw vormt al eeuwen het middelpunt van het fraai gelegen dorp. De Barneveldse burgemeester C.A. Nairac (overleden 1883) schrijft dat het koor van de kerk dateert uit de 11e eeuw. Want toen in 1838 de torenspits werd verlaagd, vond de timmerman, die het karwei klaarde, in de toren een anker met het jaartal 1010 erop vermeld. Deskundigen gaan er tegenwoordig van uit, dat zowel kerk als toren van het begin van de 16e eeuw zijn. In 1578 heeft Kootwijk een eigen pastoor in ene Aalbert Willems. Iets later, van 1604-1617, is Kootwijks kerk een filiaalkapel van de parochiale kerk te Garderen. De bekende Anastasius Veluanus, geboren in het nabijgelegen Stroe, zal als kapelaan van Garderen zeker meerdere keren hier de mis hebben bediend. Hoewel niet geheel zeker, kan een zekere Timanus Albarti als eerste predikant van Kootwijk en Garderen vanaf 1695 de gemeente gediend hebben. Kootwijk zou dan eerder dan 1617 reeds in zijn geheel tot de Hervorming zijn overgegaan. De eerste eigen predikant is in ieder geval geweest Johannes Cumsius of Kintzius. Hij is als proponent hier bevestigd in 1617 en in Kootwijk overleden en begraven in 1626. Wie de predikantenlijst beziet, merkt op hoe lang predikanten in dit kleine dorp bleven wonen en arbeiden. Van 1644-1792 dienen slechts 4 predikanten de gemeente. Het langst van hen woont en werkt hier ds. Franciscus van Essen: 1742-1797: bijna 54 jaar aan één stuk.
De bevolking is eeuwenlang zeer arm geweest. Het tractement is er dan ook naar. De bef wordt gedurig met de ploeg verwisseld. Dominee-boer is men veelal. Het verhaal is bekend dat de leraar met de ploeg op het land aan het werk is, terwijl de trouwe kudde op de dag des Heeren al in de kerk zit. 'Wat nood! De klok was dicht bij de hand en de hand dichtbij de klok en daar het land ook nabij lag, behoefde de gemeente de 119e Psalm niet geheel uit te zingen, voor de predikstoel bezet werd', merkt burgemeester Nairac niet geheel zonder humor op.
De 19e eeuw is in de geschiedenis van de kerk der Hervorming in ons land vol diep ingrijpende gebeurtenissen geweest. Het is alles aan Kootwijk ook niet voorbijgegaan. Als in 1868 ds. Pieter N. Pikaar naar Hoog-Blokland vertrekt, blijft de gemeente steeds vakant, ondanks de vele beroepen, die steeds door de kerkeraad worden uitgebracht. De geestelijke toestand der gemeente is droevig. Als ringpredikanten het Heilig Avondmaal komen bedienen, zijn ze meestal zelfde enigen, die eraan deelnemen. Door het Classicaal Bestuur van Harderwijk wordt in 1874 de godsdienstonderwijzer Hendrik Koestapel uit Putten benoemd. Hij woont vele jaren in de pastorie, tot hij er in 1885 overlijdt. Ruim 17 jaar blijft de gemeente vakant. Bij deze zorg dient zich in die tijd nog een ander probleem aan. Kootwijk telt slechts een gering aantal lidmaten. De kerkgangers moeten 's zondags uit allerlei buurtschappen komen en grote afstanden te voet afleggen. Velen verzuimen daardoor de kerkgang. In 1847 wordt er door kerkeraad en kerkvoogdij vergaderd. Er is een voorstel om kerk en pastorie in Kootwijk te verkopen en het kerkelijk leven voortaan in Kootwijkerbroek zijn centrum te geven. Dat is midden tussen de buurtschappen Garderbroek, Stroe, Essen het Kootwijkerbroek in. Dan zou de gemeente 800 zielen tellen. Toch is er toen nog niets van gekomen. Men wil Kootwijk niet van zijn predikant beroven. Wel blijft het denkbeeld van een nieuw te vormen gemeente bestaan, die dan door de predikant van Kootwijk zou worden bediend. De kerkelijke ontwikkelingen aan het eind van de 19e eeuw brengen de plannen tot werkelijkheid. Als ds. G. Vlug van Nijkerk een vakaturebeurt in Kootwijk vervult in oktober 1884, legt de kerkeraad hem hun zorgen voor. Hij wijst de kerkeraad op zijn a.s. zwager Houtzagers, de eerste theologisch candidaat die de door dr. Abraham Kuyper gestichte Vrije Universiteit binnenkort zal 'afleveren'. Mede op advies van de nieuwe predikant van Voorthuizen, dr. Willem van den Bergh, preekt cand. Jan Hendrikus Houtzagers op 11 november 1884 voor het eerst in Kootwijks kerk over Psalm 130 : 7 en 8. Op 24 maart 1885 volgt een toezegging van beroep, die enkele weken later door Houtzagers wordt aanvaard. Maar naar de toen geldende reglementen van de Hervormde Kerk kon dit niet. Studenten van de VU kunnen geen predikant worden in de Hervormde Kerk. De kerkeraad zet toch door. Het officiële beroep volgt en wordt door Houtzagers aangenomen. De kerkeraad wordt geschorst, waarop ze de band met de Hervormde Kerk verbreekt op 3 februari 1886. Enkele dagen later al, op zondag 7 februari 1886, wordt Houtzagers tot predikant bevestigd door ds. F.Ph.L.C. van Lingen uit Zetten. Deze bevestiging geschiedt clandestien. Al naar gelang het kerkelijk standpunt dat men inneemt, spreken sommigen over Kootwijk als de 'Moederkerk der Doleantie' en beoordelen anderen deze gebeurtenissen als 'klein en onheilig gedoe'.
De Synode der Nederlandse Hervormde Kerk stuurt de afscheidingsbul aan de Kootwijkse kerkeraadsleden en hun predikant. De breuk is thans compleet. Het voert in dit verband te ver, in details te treden.
Wel zijn door deze gebeurtenissen de al eerder genoemde plannen uiteindelijk toch gerealiseerd. Tot 1919 wordt Kootwijks kerkgebouw aan de gereformeerden verhuurd en blijft ds. Houtzagers in de pastorie wonen. Daarnaast blijft er in Kootwijk een hervormde gemeente bestaan, die echter in Kootwijkerbroek naar de kerk gaat. Daar is een groot stuk grond gekocht. Kerk en pastorie worden er gebouwd. Jhr. J.E.H. baron van Nagell legt op 24 mei 1889 de eerste steen voor de nieuwe kerk en op zondag 2 februari 1890 wordt de kerk in gebruik genomen. In deze dienst gaat ds. Creutzberg uit Arnhem voor.
Onafgebroken worden er in deze kerk en vanaf 1919 ook weer in de kerk van Kootwijk door de hervormde gemeente diensten van Woord en sacrament gehouden. De Kootwijkerbroekse kerk is op 3 april 1957, intussen sterk vergroot, opnieuw in gebruik genomen. Zo zijn Kootwijk en Kootwijkerbroek één gemeente geworden en door Gods goede hand nog altijd gebleven. De Doleantie van 1886 heeft geleid tot twee kleine Gereformeerde kerken in Kootwijk en in Kootwijkerbroek, terwijl de ene hervormde gemeente binnenkort hopelijk door twee predikanten mag worden bediend. Het kan wonderlijk gaan in Christus' Kerk. Niet mensen regelen Zijn zaken, maar Hij Zelf regeert. Dit alles is in ootmoed en verwondering vanwege Gods trouw over dit deel van Zijn wijngaard geschreven. Het bestaan en voortbestaan van de Kerk is immers altijd een wonder van genade?
J. Maasland V.D.M.
Geraadpleegde literatuur:
C.A. Nairac en H. Bouwheer, Een historisch hoekje der Veluwe, Barneveld 1974
D. de Wit, Kudde en herder, Utrecht 1911
A.E. van Eeden, Twee kerken maar geen school, Barneveld 1984
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's