De Gereformeerde Bond en het kerkelijk gesprek
Vele vragen, die tijdens de bijzondere vergadering van de hervormde synode met het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond aan de orde werden gesteld, verdienen uitvoerige behandeling. Op één kwestie, die expliciet of impliciet aan de orde kwam, wil ik nu echter nog wat ingaan, namelijk de vraag naar de bereidheid van de kant van de Gereformeerde Bond tot het kerkelijk gesprek. Die vraag werd heel puntig gesteld door mevr. ds. S.H. Hoogendijk (Beets). Ze vroeg of de 'bevindelijken' het geloofsgesprek met anderen eigenlijk wel nodig achten of misschien zelfs ongeoorloofd achten, omdat zij hun bevinding als gave van de Geest verstaan. Daaraan werd de vraag gekoppeld of in hervormd gereformeerde kring men het voor mogelijk hield, dat de Geest ook bij anderen (andersdenkenden) 'heilzaam doorwerkt'. En tenslotte of in dat verband ook vrouwen serieuze gesprekspartners zijn.
Ja
De vraag naar de bereidheid tot het kerkelijk gesprek moet voluit met 'ja' worden beantwoord. Het gesprek tijdens de extra synodevergadering was er een teken van. Maar met vele feiten is te staven, dat die bereidheid er immer was en ook vandaag is. Hoe zouden we als hervormd gereformeerden zo hartstochtelijk ijveren voor het voortbestaan van de vaderlandse kerk als we niet tegelijkertijd het gesprek zouden willen voeren met allen, die daartoe behoren? En als het dan zo zou zijn, dat we in alle zaken bij vóórbaat uitgaan van de exclusiviteit van de waarheid in eigen kring, kunnen we het gesprek beter niet voeren. Dan rest slechts het getuigenis.
We hebben – om een voorbeeld te noemen – er nooit een geheim van gemaakt, dat we als hervormd gereformeerden ook veel hebben ontvangen van hoogleraren, die een groot aandeel hebben gehad in de vorming van dienaren des Woords en die niet tot de kring van de Gereformeerde Bond behoorden. Het was overigens een ietwat merkwaardige ervaring nu uit de mond van een van de synodeleden (ds. J.G. Barnhoom) te moeten horen, dat het maar zó-zó is wanneer hervormd gereformeerden vandaag met waardering spraken óver of zich beroepen òp zulke hoogleraren of anderen uit het verleden, terwijl kansels in hervormd gereformeerde gemeenten niet voor hen open stonden. Men leze er alle vraaggesprekken met emeriti in deze kolommen de jaren door nog eens op na. Men komt steevast de namen tegen van hoogleraren, waarvoor men veel respect had en van wie men veel ontvangen had. Ook werd regelmatig gesproken over goede contacten over grenzen van modaliteiten heen, omdat er bij alle verschillen vaak toch gemeenschappelijkheid was in het klassieke belijden van de kerk der eeuwen. Die openheid is door theologische verschuivingen in de loop der tijd wel minder geworden. De eerlijkheid gebiedt dat te zeggen. Vroeger kon soms meer dan nu. Verschillen tussen hervormd gereformeerden en het brede midden zijn groter en dieper geworden.
Ik ga in deze nog een stap verder. Eén en ander maal is betoogd, dat in de Hervormde Kerk de jaren door andere modaliteiten niet zonder 'de bond' konden en 'de bond' niet zonder 'de anderen'. Daarin schuilt een diepe kern van waarheid. We hebben telkens aan elkaar rekenschap moeten, willen en kunnen geven van wat ons ten diepste bewoog, om welke kerk het ons ging en wat de diepste geloofsmotieven waren. Dat heeft voor de hervormd gereformeerde sector van de kerk zelf ook een opscherping betekend, een telkens weer teruggeworpen worden ook op de bronnen (De Reformatie met name), waaruit men wilde putten. Naar anderen toe rekenschap geven van de hoop die in ons is bewaarde ook voor sectarisering, die het geval zou zijn geweest wanneer 'de bond' op zichzelf zou zijn komen te staan. Dat is terecht nog eens door oud. drs. M. Burggraaf gezegd. Iemand ter synode zei ook, dat het goud blijft glanzen als het voortdurend gewreven wordt (B. van Bokhoven).
Hóé men ook verder de kwaliteit van de inbreng van hervormd gereformeerden in deze wil waarderen en beoordelen, feit is, dat het terùg-naar-de-bronnen toch telkens is beoefend en het gesprek in de kerken heeft gediend.
Een ander synodelid (M.P. van Weele) zei, dat als de Gereformeerde Bond uit de Nederlandse Hevormde Kerk weg zou zijn, het erg rustig zou worden. Of dat dan een rust is, die heilzaam is, is een tweede. We kunnen toch niet zeggen, dat van hervormd gereformeerde zijde niet vaak is bijgedragen aan het terugbrengen van vragen, die speelden, tot hun principiële proporties. Het ging vaak toch waarlijk niet om zaken van ondergeschikte betekenis. Men denke aan de verzoening, de verkiezing, het politieke spreken van de kerk, ethische kwesties. Hebben hervormd gereformeerden zich hier ooit aan hun kerkelijke verantwoordelijkheid onttrokken?
Nog één ding hierover tenslotte. Feit is, dat zich in alle delen van de Hervormde Kerk mensen ophouden, die hun wortels hebben in de Gereformeerde Bond, liever in hervormd gereformeerde gemeenten. Een en ander betekende en betekent op zich al een gesprek, namelijk een dialoog in de boezem van individuen. Velen kennen 'de bond' van binnenuit.
De moeite
Nu is het echte kerkelijke gesprek niet eenvoudig. Ter synode zei dr. F.G. Immink, dat voor de hervormd gereformeerde kring geldt: niet vele wijzen en niet vele edelen. Nu zou men kunnen zeggen, dat dit in onze tijd, waarin ieder toch wel een bepaalde opleiding ontvangt, nogal meevalt. Maar er zit wel een ander en dieper probleem aan 'het gesprek'. Wie van een omschreven concordie uitgaat – de confessie – heeft minder vrijheidsgraden om het gesprek in te gaan en áán te gaan dan diegene, die altijd 'op zoek' is. Dat is nog iets anders dan te zeggen dat diegenen, die in het gesprek alles aan Schrift en belijdenis willen toetsen, zèlf de waarheid in pacht hebben. Want, bij alle trouw aan Schrift en belijdenis, kan men nog een zoekende ziel zijn, die ernaar jaagt of hij (zij) het ook grijpen mocht, waartoe we van Christuswege gegrepen zijn. Maar het is toch begrijpelijk, dat diegene, die uitgaat van beléden waarheid, minder ruimte laat voor allerlei 'meningen', gelijkwaardig in waarheidsgehalte, dan diegene, die 'ruimte' zèlf als principe heeft. Vandaar dat bijvoorbeeld hervormd gereformeerde theologen wat hun 'wetenschappelijkheid' betreft niet zelden onder verdenking staan bij hun meer 'verlichte' collegae. Ze missen - zo heet het dan – vrijheid van denkruimte.
Ook op de betreffende synodevergadering is weer gebleken, dat in het kerkelijk gesprek het referentiekader van beslissende betekenis is. Scherp gezegd, en dan bedoel ik de uitersten: men ìs de gereformeerde belijdenis toegedaan of men hééft deze toegedaan. En dat heeft óók ingrijpende consequenties voor de omgang met de Schriften.
Het wordt in het kerkelijk gesprek intussen uiterst hachelijk wanneer van toepassing is, wat ds. Sj. van der Zee zei, namelijk dat hem soms het angstige gevoel bekruipt, dat we niet allen dezelfde God belijden. Hij stelde het vragenderwijs. Het was ook niet voor het eerst, dat de vraag zó werd gesteld. Ik herinner me, dat ooit ds. G. Wursten (thans IJmuiden) deze vraag zo stelde toen hij nog synodelid was. Zo'n vraag (binnen de kerk!) geeft wel een schokeffect. Zo verging het mij opnieuw toen ds. van der Zee deze vraag zo, rauw (en ongenuanceerd) in de vergadering wierp, al ben ik ervan overtuigd, dat hij met die vraag eigenlijk om een gesprek schreeuwde. Wat is dan, als dat het geval is, bekering tot de levende God nog?, zo vroeg ik mij af.
Zelfs deze gesprekken zullen we echter niet schuwen. Als het gaat om Gods aanwezigheid in het leven, wie zou dan het laatste woord durven spreken? Maar als het gaat om de vraag wáár en hóé we God mogen zoeken, vinden en kennen dan is het antwoord: in het Boek van Zijn Openbaring. Als we elkaar daarop kunnen (blijven) aanspreken, zal het gesprek zinvol zijn. Als dat niet het geval is, is het gesprek bij voorbaat vruchteloos. Dan zullen we elkaar blijven toeroepen van de andere kant van de kloof. Met de mogelijkheid van het belijden van een andere God. Maar, met dan ook als kerkelijke consequentie, dat soms gezegd moet worden 'ite, ite! ga, ga, zoals Bogerman deed op de Dordtse synode. Een kerk, die gereformeerd wil zijn om het telkens te worden moet ook dwalingen verwerpen en dwalenden uiteindelijk uitwijzen. Het belijden van de Kerk der eeuwen kan niet straffeloos worden weersproken. De Kerk weert wat haar belijden weerspreekt.
Of dan niet 'bevindelijken' hun bevinding als 'gave van de Geest' verstaan? Als het echte bevinding is, zeker! Maar ook die bevinding dient getoetst te worden. God schenkt geen bevinding dan die van Woord en Geest. De bevinding zelf is niet het eerste en niet het laatste woord. Het Woord spreekt het eerste woord en ook het laatste. Maar de Geest brengt wel tot een dieper omgaan met de Schriften dan alleen een rationele benadering. Maar hoe dan ook, men corrigere 'de bevindelijken' als dat nodig is vanuit de Schriften. In het kerkelijk gesprek gelden bovendien geen overwegingen van (eigen) bevinding maar gaat het om de echte confessionaliteit, die in de Schriften geworteld is.
Het kerkelijk gesprek is dáárom overigens vaak zo moeilijk, omdat we ons telkens van de hoofdweg af bewegen naar zijpaden. We moeten soms opnieuw bij het ABC beginnen. Maar het gesprek moet blijven, ook in de gemeenten, ook tussen de richtingen. Wordt dit gesprek niet meer gevoerd dan verarmen we allen. In het gesprek gaat het ook om rekenschap afleggen.
Vrouwen
Ik geef intussen (in alle voorlopigheid) ook nog enig bescheid op de vraag of vrouwen voor hervormd gereformeerden 'serieuze gesprekspartners' zijn in het kerkelijk gesprek. Ook hier zeg ik in zeker opzicht 'ja', vanuit de gelijkwaardigheid namelijk van man en vrouw in Christus. Gezegd mag allereerst worden, dat op tal van plekken in de hervormd gereformeerde gemeenten de vrouw op haar eigen plaats ook helemaal deelneemt aan de bezinning op de vragen van kerk en geloof. De geschiedenis geeft er overigens nogal eens blijk van, dat niet zelden vrouwen met een zeldzame gave van geestelijke wijsheid begiftigd zijn geweest. In de gemeente kan men die gaven alleen tot geestelijke schade ongebruikt laten.
Maar dat bedóélt mevr. Hoogendijk natuurlijk niet. Ze bedoelt vrouwelijke ambtsdragers. En als zodanig is haar vraag oneigenlijk. Bedoelt ze gelijkwaardigheid van man en vrouw of van man en vrouw in het ambt? Vanwege kerkelijke erkenning van de vrouw in het ambt is er 'gelijkwaardigheid', maar geldt dat ten principale? Kan men de vraag naar gelijkwaardigheid in deze met ja beantwoorden als men de vrouw in het ambt niet aanvaardt?
We mijden echter overigens als hervormd gereformeerden toch geen plaatsen, waar ambtelijke verantwoordelijkheid wordt gedragen (kerkeraad, classis, synode) en we schuwen daar toch ook niet het gesprek? Maar – ik vraag dit nu ook in alle eerlijkheid – wordt het dan ook nog verdragen als de opvatting wordt uitgedragen, dat naar onze overtuiging de vrouw geen plaats heeft in het leren van en leiding geven aan de gemeente? Het gesprek daarover is daarom zo uiterst lastig geworden, omdat we in weinig onderbouwde stellingnamen van 'voor' en 'tegen' terecht zijn gekomen. Niet ieder heeft vandaag meer de inhoudelijke bagage bij zich, die bijvoorbeeld het intensieve gesprek, voor het forum der Schriften, heeft bepaald tijdens de invoering van de ambten voor de vrouw. We denken nu in categorieën van discriminatie. De voorvragen worden als achterhaald beschouwd. Dat blokkeert soms het kerkelijk gesprek.
Ik wil daarbij in alle eerlijkheid ook zeggen, dat het in het kerkelijk gesprek soms hinderlijk is wanneer bij alle zaken, die omgaan, de kwestie man/vrouw er bij de haren wordt bijgesleept? Mevrouw Hoogendijk ging wat dit betreft zelf, mijns inziens, ook door de bocht toen ze zelfs de uitdrukking 'belijdenis van het voorgeslacht' (dit laatste woord wordt in de nieuwe kerkorde gebruikt in plaats van 'de vaderen', dit vanwege de moederen) onder kritiek stelde, omdat de belijdenis ooit ook door vaderen was opgesteld. Dus voorgeslacht was verhullend taalgebruik. Radicaliteit in deze lokt zeker niet tot gesprek.
Ik moet in alle eerlijkheid echter ook iets anders zeggen. Vanwege de feministische vloedgolf en vanwege de kwestie van de vrouw in het ambt is er ook een reactie ter andere zijde, zodat, wat de positie van de vrouw betreft en haar grote verantwoordelijkheid voor het welzijn van de gemeente, soms een stap achteruit wordt gezet. Daarvan leveren maatschappelijke discussies vandaag in de Gereformeerde Gezindte ook schrijnende voorbeelden. Met als gevolg dáárvan, dat principieel verzet tegen de vrouw in het àmbt door anderen dan weer als vrouw-onvriendelijk wordt ervaren. Zo werken kerkelijke en maatschappelijke discussies vertroebelend op elkaar in.
Tot hiertoe enkele overwegingen naar aanleiding van vragen in de synode. Wie van een eerlijke overtuiging uitgaat en daarvoor goede papieren meent te hebben, behoeft geen gesprek uit de weg te gaan. Dat geldt zeker binnen de kerk. Omdat we toch door één band worden omvangen en door hetzelfde Woord tot Gods orde worden geroepen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's