Om het hart van de cultuur
Het afgelopen jaar was een bijzonder jaar voor de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte. Om precies te zijn, op 1 november 1992, werd de honderdste geboortedag van prof. dr. D.H.Th. Vollenhoven (1892-1978) herdacht. Vollenhoven was samen met zijn zwager H. Dooyeweerd grondlegger van de calvinistische of reformatorische wijsbegeerte. Hun werk heeft een beweging opgeleverd die tot op de dag van vandaag vitaal en actief is.
Graag wil ik in deze bijdrage iets zeggen over Vollenhoven en vervolgens ingaan op de actuele betekenis van de reformatorische wijsbegeerte vandaag. Want, het moge duidelijk zijn dat ook vandaag in onze geseculariseerde en verzakelijkte welvaarts-samenleving een Bijbels-wijsgerige bezinning op onze werkelijkheid hard nodig is.
Dit was ook voor Vollenhoven, die graag sprak van een 'Schriftuurlijke Philosophic', een belangrijk uitgangspunt. Vollenhoven werd geboren in Amsterdam en doorliep daar het Gereformeerd Gymnasium, de 'kweekschool' van VU-studenten. Ook de twee jaar jongere Dooyeweerd bezocht het Gereformeerd Gymnasium. Beiden studeerden vervolgens aan de Vrije Universiteit.
Na in 1914 het kandidaatsexamen in de theologie te hebben behaald, stapte Vollenhoven over op de filosofie. Prof. dr. J. Woltjer en prof. dr. G.H.J.W. Geesink waren zijn leermeesters. Vollenhoven werd gegrepen door de vraag hoe de christen-wetenschapper, aan de hand van Gods Openbaring, wetenschappelijke kennis kan verwerven omtrent de werkelijkheid. In 1918 promoveerde hij op een proefschrift over De Wijsbegeerte der Wiskunde van Theïstisch standpunt. Het ging Vollenhoven in dit boek om veel meer dan louter de wiskunde. Het ging hem om heel de verhouding tussen geloof en wetenschap.
Na zijn promotie werd Vollenhoven predikant in het Zeeuwse Oostkapelle. Hier, op Walcheren, leerde hij ook de onderwijzer A. Janse uit Biggekerke kennen. Janse was een bijzondere schoolmeester, die met grote ernst en diepe persoonlijke vroomheid, zich in allerlei wetenschappelijke vraagstukken verdiepte en deze vruchtbaar probeerde te maken voor de praktijk. Tussen Vollenhoven en Janse ontstond een langdurige vriendschap.
Intussen werd Vollenhoven in 1921 predikant in Den Haag, waar ook zijn zwager Dooyeweerd woonde. In deze jaren hebben zij veel gesproken over de calvinistische wijsbegeerte. Deze wijsbegeerte werd hun gezamenlijk project, al gingen zij in later jaren verschillende wegen. Dooyeweerd heeft heel sterk de systematische wijsbegeerte in zijn 'aspektenleer' uitgewerkt, terwijl Vollenhoven bezig bleef met de kennistheorie en zich steeds meer ging concentreren op de geschiedenis van de wijsbegeerte. Dit verschil tussen beide filosofen mag wel benadrukt worden, omdat vaak de gedachte bestaat dat zij beiden precies hetzelfde dachten.
In 1926 werden zowel Vollenhoven als Dooyeweerd hoogleraar aan de Vrije Universiteit, Dooyeweerd aan de juridische faculteit en Vollenhoven aan de letterenfaculteit voor de filosifische vakken. Vollenhoven volgde op die plaats Geesink op. Vollenhoven had een omvangrijke onderwijstaak. Aan de VU was (en is) het gewoonte dat de eerstejaars van alle studierichtingen verplicht filosofie krijgen.
Daarnaast doceerde hij dus de filosofische vakken. Hoewel hij de naam had moeilijk te zijn, was hij bij hen, die zijn onderwijs opzochten, een gewaardeerde docent. Het kinderlijke geloof, dat hij uitstraalde en zijn filosoferen dat vaak rond allerlei Bijbelse begrippen (zoals 'wijsheid') cirkelde, heeft velen aangesproken. Bij zijn 25-jarig ambtsjubileum in 1951 zei K.J. Popma, één van zijn leerlingen, dat ze zijn onderwijs 'niet meer kwijt kunnen raken'.
Vollenhoven is eigenlijk veel belangrijker geweest als docent dan Dooyeweerd. Dooyeweerd gaf slechts de filosofische vakken aan rechtenstudenten. De onderwijstaak van Vollenhoven was breder en veeleisender. Daarnaast was Vollenhoven vanaf de oprichting in 1935 voorzitter van de Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte. Hij heeft dit voorzitterschap tot zijn emeritaat in 1963 vervuld. Het was een vereniging die het vernieuwende gedachtengoed van Vollenhoven en Dooyeweerd wilde uitwerken en uitdragen. Er kwam al dadelijk een tijdschrift Philosphia Reformata – dat nog altijd verschijnt – en er werden studiekringen opgezet en cursussen georganiseerd. Behalve in zijn onderwijs heeft Vollenhoven veel energie gestoken in de opbouw van deze vereniging.
Hier ligt vermoedelijk ook de reden waarom Vollenhoven minder publiceerde dan Dooyeweerd. Van Vollenhovens hand verscheen in 1933 het boek met de programmatische titel Het Calvinisme en de Reformatie van de wijsbegeerte. In 1950 publiceerde hij zijn Geschiedenis der Wijsbegeerte, deel 1. Helaas bleef het bij dit eerste deel van wat een serie had moeten worden. Uiteraard schreef Vollenhoven nog tal van artikelen en verschillende kleinere werken.
Na zijn emeritaat richtte Vollenhoven zich in zijn laatste 15 levensjaren voornamelijk op de geschiedenis van de wijsbegeerte. Hij was ervan overtuigd dat je in de geschiedenis van de wijsbegeerte doorgaande 'typen' van denken had die in iedere tijd in verschillende vorm voorkwamen. Daarnaast onderscheidde Vollenhoven tijdsstromingen met een normatieve lading. Zo behoort het materialisme uit de 17e eeuw, bijvoorbeeld in de filosofie van Descartes, tot hetzelfde 'type' denken als het materialisme in onze tijd, maar toch heeft het een geheel andere normatieve lading, want het valt in een geheel andere tijdsstroming. Op deze wijze probeerde Vollenhoven de geschiedenis van de filosofie in kaart te brengen en te duiden.
Vollenhoven overleed in 1978. Hij heeft nog kunnen zien hoe de beweging waar hij zijn krachten aan heeft gegeven, na een moeilijke periode in de jaren zestig, zich verder ontwikkelde. In 1973 verscheen het tijdschrift Beweging dat de vruchten van christelijk-wijsgerig denken onder een breed publiek wil verspreiden. In 1975 werd het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte gesticht, dat nu al meer dan vijftien jaar tal van activiteiten organiseert, zoals cursussen en congressen, onderwijsactiviteiten etc. Inmiddels heeft de beweging voor reformatorische wijsbegeerte zeven leerstoelen aan Nederlandse universiteiten, waar jaarlijks honderden studenten aan deelnemen. Er zijn vier hoogleraren in dienst, waarvan ik er één ben.
Ook in het buitenland heeft de reformatorische wijsbegeerte weerklank gevonden, met name in Zuid-Afrika en Noord-Amerika. Maar ook in andere landen, zoals Korea, Japan, Australië en Nieuw-Zeeland zijn mensen aktief bezig met dit stukje calvinistisch denken. Op dit moment zijn er groeiende contacten in Oost-Europa.
Wat is nu de aktuele betekenis van de reformatorische wijsbegeerte en zijn er perspectieven voor de toekomst? Allereerst wil ik zeggen dat van meet af aan door mensen als Vollenhoven en Dooyeweerd is benadrukt dat iedere wetenschapsbeoefening afhankelijk is van (religieuze) vooronderstellingen. Dit was een standpunt dat in de eerste helft van deze eeuw als onwetenschappelijk gold (de wetenschap was immers 'neutraal'), maar waarmee vandaag door wetenschappers en filosofen breed wordt ingestemd. De wetenschap steunt op inzichten over de werkelijkheid en over de mens, die van buiten de sfeer van de wetenschap zelf komen. Aan wetenschapsbeoefening liggen basisovertuigingen ten grondslag. De reformatorische wijsbegeerte heeft dit altijd gezien en heeft zich dan ook ten aanzien van verschillende wetenschapsgebieden een oordeel gevormd over de vraag hoe vooronderstellingen daarin doorwerken. Ze is daarin reeds verder dan mensen die dit nog moeten leren inzien.
Wat die vooronderstellingen betreft, daarvan kan gezegd worden dat ze niet buiten het bereik van geloofsovertuigingen staan. Integendeel, vaak werken religieuze overtuigingen door in de wetenschap. Zo heeft de overtuiging, dat God niet bestaat, geleid tot een wetenschapsbeoefening, die doet alsof God niet bestaat. We hoeven vandaag niet verbaasd te zijn over het verschijnsel dat met 'Godsverduistering' wordt aangeduid, wantode wetenschap heeft al lange tijd gedaan alsof God er niet was. In de werkelijkheid zijn autonome processen en wetmatigheden zichtbaar die in deze seculiere visie wel naar zichzelf verwijzen, maar niet naar God.
Een hiermee samenhangende vooronderstelling is dat de mens de veronderstelde 'wetmatigheden' in de werkelijkheid moet 'vinden' met behulp van zijn verstand. In de Verlichting is dit 'geloof' in de redelijkheid van de mens en de logische structuur van de schepping opgekomen. Sindsdien heeft de mens getracht met de instrumenten van wetenschap en techniek die werkelijkheid in zijn greep te krijgen. Maar hij besefte onvoldoende dat hij bezig was met een projectie van zijn eigen redelijkheid op de natuur.
Een gevolg hiervan is dat de creatuurlijke (dat wil zeggen, de geschapen werkelijkheid) in de greep kwam van de exploiterende mens. In de bioindustrie bijvoorbeeld gaat het niet om het welzijn van dieren naar hun aard, maar zijn dieren onderdeel van een produktieketen, die bijna helemaal technisch van aard is. Met de vloed van technologie en toegepaste wetenschap, die sinds de vorige eeuw de moderne samenleving overspoelt, zijn we steeds verder af komen te staan van het creatuurlijke, van de natuur en zelfs van onszelf en onze naaste. Onze werkelijkheid is als het ware opnieuw gemodelleerd door wetenschap en techniek. En wij voelen ons niet zelden, daardoor overweldigd.
Het is nodig dit kwaad van het technicisme te onderkennen en er de vooronderstellingen van bloot te leggen. In de reformatorische wijsbegeerte is deze kritische arbeid reeds vroeg ter hand genomen. Daarnaast is het nodig tot een positieve opbouw van een eigen christelijk-wijsgerige benadering te komen. Het belang daarvan mag vandaag voor zichzelf spreken. Steeds duidelijker wordt het dat met een recht zicht op de werkelijkheid het hart van onze cultuur is gemoeid. Dit was ook reeds het inzicht van Vollenhoven. Onze samenleving krijgt steeds meer te maken met een asociaal individualisme en materialisme die slecht zijn voor milieu en samenleving. De ethiek is sterk geïndividualiseerd en subjectief geworden. Vaak is ethiek een soort regelethiek, die ons nog slechts voorhoudt hoe we de problemen aan de oppervlakte kunnen oplossen.
Wat nodig is, is een christelijke filosofie, die in de bezinning over wat er in onze cultuur gaande is, afsteekt naar de diepte. Daarbij moeten we onze werkelijkheid in de eerste plaats zien als van God gegeven. De mens is geplaatst in de schepping. Het is niet zijn schepping, al doet de mens vaak alsof hij de schepping moet verbeteren. Hij moet die werkelijkheid als uit Gods hand aanvaarden en er verantwoordelijkheid voor nemen. Beheren is niet hetzelfde als beheersen en exploiteren.
Vervolgens moeten we de beperktheid van ons wetenschappelijk kennen en kunnen ons goed indenken. De werkelijkheid is geen constructie van onze geest. We mogen de werkelijkheid nooit als een model behandelen. Dan overschatten we niet alleen onszelf, maar gaan we ook voorbij aan het feit dat de verschijnselen uit de werkelijkheid steeds begrepen moeten worden in de totaliteit van heel die werkelijkheid. Je kunt een dier niet reduceren tot een produktie-eenheid; de mens is méér dan consument of producent. In de door God geschapen werkelijkheid moet recht gedaan worden aan de volheid en totaliteit van de schepping.
In de derde plaats moeten we handelen om mede richting te geven aan de cultuur. Daarin moeten christenen laten zien niet in de greep te zijn van het beheersingsdenken. We moeten juist dankend denken. In het besef dat de wereld zucht onder de slavernij van de zonde, moet het christelijk handelen iets weerspiegelen van de verlossing, die door Gods genade een realiteit is geworden. Ons handelen moet gekenmerkt worden door de liefde tot God en de naaste. Als we volgens dat gebod handelen dan vertoont onze cultuurarbeid iets van de weg van gerechtigheid. Dan worden hier en nu niet alle problemen opgelost, maar blijven de problemen draaglijk. Daar waar men zelf het heil wil realiseren en in de weg van eigenwettelijkheid de problemen wil oplossen, worden ze ondraaglijk. Christenen moeten laten zien een andere weg te kennen. Dit kan zich manifesteren in onze omgang met wetenschappelijke modellen en technologische ambities, in onze consumptiestijl en in het economisch bedrijf. We kunnen op deze wijze getuigen van een geheel andere visie op de mens en op de werkelijkheid en blijk geven van een diepgeworteld ethisch besef.
Aan deze actuele taak in onze wereld wil de reformatorische wijsbegeerte een bijdrage leveren. Dat doet ze uiteraard met beperkte wijsbegerige middelen, in de hoop en verwachting hierin gesteund te worden door een biddende gemeente.
prof. dr. ir. E. Schuurman, Breukelen
(Prof. dr. ir. E. Schuurman is bijzonder hoogleraar in Delft, Eindhoven en Wageningen.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's