Globaal bekeken
In een boekje over 'de Amsterdamse volkstaal' ('Hij zeit wat', BzzTöH, Den Haag) troffen we het volgende over 'de invloed van het joods' op het Nederlands.
'De joodse woorden zijn langs verschillende wegen in het Nederlands gekomen. In de eerste plaats door de bijbelvertalingen, vervolgens door direct contact met joden, hierbij speelde de grote Amsterdamse jodenbuurt een belangrijke rol als doorgeefluik en door het Bargoens, dat heel veel joodse elementen bevat. De invloed van de Portugese en Spaanse joden, de Sefardiem is zeer gering. (…)
Het grote aandeel van joodse woorden in het Bargoens is naar alle waarschijnlijkheid vooral te verklaren door het feit dat het Jiddisch, dat een groot aantal verbasterde Hebreeuwse woorden bevat, als een aan het Nederlands vreemd element werd gevoeld. De dieventaal had als geheimtaal behoefte aan vreemde woorden die door derden niet licht begrepen worden, anderzijds behoorde het merendeel van de joodse bevolking tot de allerarmsten, dus tot hen die het meest in aanraking kwamen met de grote en kleine misdadigers.
Toch is een aantal van deze oorspronkelijk Hebreeuwse woorden gemeengoed geworden onder de Amsterdammers, al zal niet iedereen ze overal gebruiken. Voorbeelden hiervan zijn: in de eerste plaats denaam voor Amsterdam Groot-Mokum. Verder darren (sarren, treiteren), gokken (speculeren), heibel (drukte), plak (halvestuiver), sjofel (armoedig), stiekum (in het geheim). Een aantal van deze woorden voelt men toch nog altijd wel als typisch joods, bv. geintje (grapje), speciaal in jodengein, gesjochten (geruïneerd, arm), goochem, goochemerd (slim, slimmerik), mesjokke (gek), sjiemiel (ongeluksvogel), sjacheren (handeldrijven met de bijgedachte van: in alle mogelijke minder gangbare artikelen).
Een groter aantal behoort tot een of ander groepsjargon of tot de taal van de lagere standen, bv. dalles (armoede), dallesdekker (arme, gesjochten kerel), emmes (fijn, goed), gabber (kameraad), het reeds genoemde gajes, dat oorspronkelijk niet-lsraëlieten betekende, geteisem (uitvaagsel), jat (hand), jatten (stelen), kapoeres (kapot), kapsones (drukte), lef (moed), lefgoser (man die durft, ook ondernemend koopman zonder kapitaal), lauwloene in: het is lauwloene (het deugt niet), mazzel (geluk), peiger (rot, vooral in: afgepeigerd, doodop), pleite (weg), het is pleite (verdwenen), sikker (dronken maar ook wel gek, onwijs), sjoege in: ergens geen sjoege van hebben (geen verstand van hebben), smoesje (praatje voor de vaak), sof (tegenslag in: het is een sof een treurige, slechte boel, bv. van een film, van een feest), tinnef (slechte goederen, slechte kost. Dit laatste is waarschijnlijk weer meer soldatentaal, want waar wordt meer over het eten geklaagd dan onder onze wapendragers, terecht of onterecht), tof (goed, in: een toffe boel, een gezellige boel, een gezellig feest). Extra aandacht verdienen de woorden zwijntje (fiets) en zwijntjesjager (fietsendief).'
Hier volgen nog enkele voorbeelden uit '4000 jaar joodse wijsheden' (uitgave BzzTöH, Den Haag):
• Als de ziekte sterker is dan de patiënt, kan de dokter hem niet helpen, en als de patiënt sterker is dan de ziekte, heeft hij geen dokter nodig.
Hoogstens als beide even sterk zijn, kan de dokter zijn nut bewijzen.
Hieruit mag men de lering trekken dat het vaak beter is zich van een dokter te onthouden.
(Maimonides, 1135-1204, 'medische adviezen')
• Tussen ons en de Arabische volken zal er niet alleen vrede zijn… maar hechte vriendschap en samenwerking.
(David Ben-Gurion, maart 1946)
• Als geen ander land ter wereld bewijst Holland wat een mens van de meest ondankbare grond kan maken.
(Theodor Herzl, Dagboek, 30 sept 1898)
• Een van de zesendertig rechtvaardigen (tsaddikim) reisde naar Sodom, met de bedoeling de inwoners te bekeren.
Dag en nacht liep hij door de stad, hij wees de mensen op hun hebzucht, veroordeelde bedrog en onverschilligheid.
Aanvankelijk luisterden de mensen geamuseerd, maar spoedig verveelde het hun. De moordenaars gingen door met moorden en de anderen negeerden hem.
Op een dag kwam er een kind naar hem toe en zei: 'Arme vreemdeling, je loopt maar te roepen en te preken, zie je niet dat het niet helpt?'
'Dat zie ik, ' zei de man.
'Waarom ga je er dan mee door?'
'Dat zal ik je zeggen. In het begin dacht ik, dat ik de mensen kon veranderen. Vandaag weet ik dat ik dat niet kan. Als ik toch doorga met roepen, is dat om te zorgen dat de mensen mij niet veranderen.'
• Een tsaddik (rechtvaardige), wie weet dat hij een tsaddik is, is geen tsaddik.
Uit het proefschrift van dr. J. Zwemer over 'de bevindelijken en de cultuur' (zie hoofdartikel) de volgende passages:
• 'De verschillende "liggingen" die de Gereformeerde Gemeenten van 1931 herbergden, kwamen overigens ook daarbuiten in bevindelijk gereformeerd Nederland voor en hadden parallellen in de geschiedenis van het Schotse calvinisme in de achttiende eeuw. Daar vond men eveneens mensen die vanuit een wedergeboorte-theologie een "onverzekerd" geloof normaal achtten, anderen die in reactie daarop aandrongen op een bewuste rechtvaardiging door het geloof en een algemeen aanbod van genade, nog weer anderen die dit aanbod alleen voor de krachtdadig geroepenen lieten gelden, en een groep ongeschoolde geestelijke leiders met een bekeringservaring gekenmerkt door "verschrikkingen der conscientie". Net als bij Bakker, Fraanje en anderen in Nederland, werd de geloofsbeleving van de laatstgenoemde groep voorgangers in Schotland nooit vertaald in een theologische formulering. Zij wisten echter anderen te beïnvloeden door de indruk die zij achterlieten – zelfs wanneer zij zich afzijdig van het kerkelijk leven opstelden.'
• 'In tegenstelling tot de levensbeschouwing achter de evangelische "zuil" die eveneens tot bloei kwam na de ontzuiling in de jaren zestig, beperkt de bevindelijk gereformeerde levensbeschouwing zich niet tot de privé-sfeer. De evangelische beweging wordt net als de SGP gelijktijdig gekenmerkt door drang om de samenleving te beïnvloeden en een neiging tot isolement. Niet gebonden aan artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zoals de SGP, viel het haar echter gemakkelijker het levensbeschouwelijk pluralisme van de samenleving te accepteren. De evangelischen staan dan ook niet in een piëtistische of antithetische traditie. In feite hebben zowel de (meeste) bevindelijk gereformeerden als de evangelischen erkend dat Nederland niet langer een christelijke samenleving is. Waarschijnlijk onderscheidt dat beide van de groepering die op theologisch gebied tussen hen in staat: de dragers van het idee der "Gereformeerde Gezindte". Dezen, met name de "lichtere" Gereformeerde Bond, de Christelijke Gereformeerden en een deel van de minder bevindelijke orthodoxen in andere kerken komen nog het meest in aanmerking voor de rol van erfgenamen van het in de SGP na de jaren zeventig opgegeven idee van een herinrichting van de gehele samenleving naar bijbelse normen.'
• 'Verder werd duidelijk dat ondanks vele protesten tegen de consumptie-maatschappij de bevindelijk gereformeerden een deel van de luxe onbekommerd accepteerden. Janse signaleerde een "onmiskenbare" vooruitgang van hun welstandspositie in de laatste decennia en wees er op dat toenemende welvaart en gestegen onderwijsniveau van een bevolkingsgroep "veelal tot een sterkere externe integratie" leiden. Men heeft dan immers meer inkomen te besteden buitenom de eerste levensbehoeften en meer vrije tijd – in tegenstelling tot in het oudere cultuurpatroon – zodat men vaker met anderen in aanraking komt. Groenman wees in dit verband op twee andere factoren die vanaf de jaren zestig de integratie van groepen in de bredere samenleving bevorderden. Betere communicatiemogelijkheden en het van "bovenaf" komende "welzijnsbestel" maakten de onderlinge betrokkenheid van de Nederlanders op elkaar groter. Het politieke klimaat van de jaren zestig met haar bedoeling gelijke kansen te scheppen en haar steun voor achterblijvers wekte namelijk algemeen de wens om mede te delen in welvaarten welzijn. Dat ook de SGP door dit klimaat beïnvloed werd bleek in haar pleidooien aan het begin van de jaren zestig om de "vergeten groepen" in de welvaartsrondes niet voorbij te gaan.'
• 'Eén van de belangrijkste conclusies mag wel zijn dat de geschiedenis van de bevindelijk gereformeerden in het midden van de twintigste eeuw onbegrijpelijk blijft zonder kennis van de honderd jaar daar vóór en feitelijk nog verder terug. Belangrijker is misschien nog wel de conclusie dat de bevindelijk gereformeerde wereld veel diversiteit vertoont. De vroomheid die er algemeen is, wordt op verschillende manieren beargumenteerd en tot uiting gebracht. De ene groep trekt er andere praktische consequenties uit dan de andere. Dit heeft onder meer als achtergrond dat de bevindelijk gereformeerde ideologie gemakkelijk gecombineerd wordt met vormen van lokalisme en conservatisme. Waarden uit het agrarische leefpatroon, zoals het traditionele tijdsbegrip (dat ontspanning niet als zelfstandige waarde erkent) worden onderbouwd met bijbelteksten of interpretaties daar van. In de verdediging tegen het moderne cultuurpatroon krijgt de bevindelijkheid dan een functie, zodat bij voorbeeld de herkenbaarheid aan uiterlijke zaken, in zware bevindelijke gemeenten de ruggegraat van de gemeente-structuur, een beklemtoning van uiterlijkheden betekent die staan voor het agrarische leefpatroon. Van de andere orthodoxe gerefomeerde kerkverbanden, die over het algemeen op het burgerlijk cultuurpatroon teruggrijpen, onderscheiden de bevindelijken zich dus ook door deze band aan het agrarische leefpatroon.'
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's