Tegenstrijdigheden betreffende de leer van de verkiezing
De Leuenberger Konkordie (4)
Wat de uitverkiezing zelf betreft, zegt de Konkordie, dat wie vertrouwt op het evangelie waarin God de onvoorwaardelijke aanneming van de zondige mens belooft, zeker mag zijn van zijn heil en Gods verkiezing mag prijzen. Over de verkiezing kan daarom alleen gesproken worden met het oog op de roeping tot het heil in Christus, aldus nog steeds de Konkordie. Verkiezing als lofprijzing dus. Inderdaad. Doch waarom er niet bij gezegd dat dat samenhangt met het feit dat de verkiezing in Christus de laatste en enige grond van ons geloof is, omdat we als zondige mensen niets meer aan kwaliteit in onszelf kunnen vinden? We vinden alles uitsluitend in onze genadige God door Christus Jezus en dat brengt ons tot lofprijzing. Bovendien vernemen we niets over de vrijmacht van God in zijn onverdiende gunst.
Ook is het zeer de vraag of je over de verkiezing enkel kunt spreken met het oog op de roeping tot het heil.
Bedoelt men te zeggen dat we in het geloof hebben te beginnen bij de roeping en hebben te eindigen bij de verkiezing, dan is het juist gesteld. Of wil men zeggen dat de verkiezing in wezen afhankelijk is van de roeping? Dan moet dat uitdrukkelijk afgewezen worden. Wat het is juist andersom. De roeping is middel der verkiezing, het vloeit uit de verkiezing voort zoals alles er uit voortvloeit.
Ook bij de verkiezing wordt met geen woord gerept over enig Schriftbewijs. Zelfs wordt niet genoemd dat de leer der verkiezing uit de Schrift opkomt. Het lijkt wel of het enkel een plaats heeft in de geloofservaring en dat het elke hechte bestaansgrond in Gods besluiten mist. Terwijl bovendien over enkele zeer kernachtige zaken die met deze leer samenhangen, zoals de onwederstandelijke werking van de Heilige Geest en de onmogelijkheid van de afval der heiligen, al helemaal gezwegen wordt. Of moeten we uit dit zwijgen opmaken dat deze en andere zaken weliswaar niet genoemd worden, maar toch wel beleden? Het schaarse spreken over de uitverkiezing doet echter het ergste vrezen.
Samenvattend moeten we zeggen, dat inzake de leer over verkiezing en verwerping dermate grote tegenstrijdigheden aan de dag treden, dat we met aanvaarding van de Leuenberger Konkordie in de nieuwe kerk-orde niet meer met een goed geweten beroep kunnen doen op de Drie Formulieren van Enigheid, omdat de enigheid door de Konkordie gebroken is.
Dit probleem kan en mag men niet afdoen met het formele standpunt, dat de Konkordie in 1973 reeds door onze kerk is aanvaard en ook mag men er zich niet van afmaken met te verwijzen naar enkele hervormde geschriften over deze zaken, die geheel in de lijn van Leuenberg liggen. Deze formele stellingname moffelt problemen weg. Over het hoofd wordt dan gezien, dat allereerst de hele kerk geroepen wordt onverkort te gaan staan op de grondslag van haar belijdenis. Over het hoofd wordt ook gezien, dat in elk geval een behoorlijk deel van onze kerk zich nog steeds op de onverkorte confessie wil laten aanspreken. Tenslotte wordt over het hoofd gezien, dat de Konkordie nota bene een fundamentele plaats heeft gekregen in het ontwerp kerkorde. En dat alles zal zich vroeg of laat wreken. Als kwesties niet tot op de bodem worden uitgepraat, komen ze op andere wijze als erupties naar boven.
Bovendien, een gebroken enigheid zal toch geen deugdelijk fundament kunnen vormen voor welke kerk dan ook? En is met gebroken enigheid tegelijk niet een andere breuk binnengehaald, nl. de breuk met de Kerk zoals God die hier in onze lage landen bij de zee geplant heeft? Een planting die onherroepelijk ten dode is opgeschreven, wanneer ze van haar diepste wortels wordt losgerukt. En moeten we in het verlengde daarvan niet vrezen voor een breuk in Gods verbond? Had onze vader des vaderlands het niet over een vast verbond, gemaakt met de Potentaat der potentaten? En heeft dat verbond niet gestalte gekregen, ook in onze vaderlandse kerk
Is het dan verwonderlijk dat er mensen zijn die vrezen voor de rechtvaardige toorn van God over kerk en volk, wanneer door verbroken enigheid het verbond verbroken wordt en appèl op Gods verbondstrouw niet meer met een goed geweten mogelijk is? Is het dan verwonderlijk dat er mensen zijn (in Putten) die teruggedrongen op hun laatste frontlinie, aan alle kanten omsloten door de engte van kerkelijke nood en schuld met enkel nog openheid naar Boven, naar de God van het verbond, fundamenteel 'neen' roepen, om Gods wil 'neen'? Met de bedoeling dat God Zelf ruimte zal scheppen, een weg zal banen, waar die menselijk gesproken niet is? Opdat er een Kerk zal zijn in ons goede vaderland, die geheel planting Gods is en blijft.
Samenvattende conclusies
Hierin kunnen we kort zijn. Immers, een kerkorde met een dergelijke grondslag kan geen basis zijn voor een kerkelijke fusie. Federatie of hooguit een vorm van fusie op geheel federale basis, is het uiterste. Het mag dan waar zijn, dat de huidige kerkorde in ontwerp het maximaal haalbare aan belijden heeft verwoord, doch wanneer blijkt dat daarmee zeer fundamentele zaken in het geding zijn en blijven, dan moet dit uitermate ondeugdelijk fundament verlaten worden. Immers wanneer onze belijdenisgeschriften op het spel staan, dan zijn we in één van de meest kritieke en gevaarlijke situaties van onze kerk terechtgekomen. Uiteraard is het niet de bedoeling in dit alles elkaar af te schrijven. Laten we veeleer tot het uiterste worstelen om de sana doctrina (de zuivere leer) ongeschonden te bewaren. Dan zullen we onbekrompen en ondubbelzinnig op de grondslag van de confessie kunnen staan, zoals de Samen op Weg-Consensus (waar is die overigens gebleven?) stelde.
Daarmee hoeft de deur naar de luthersen niet dichtgedaan te worden. Doch iets opbouwen ten koste van ons gereformeerd belijden kan niet. Zonder het gereformeerde (= calvinistische) te verabsoluteren, mogen we toch wel stellen dat gereformeerd volop katholiek-christelijk is.
Kernkwestie bij heel dit gebeuren is naar mijn bescheiden mening de vraag of we nog de heilige passie kennen, die de reformatie als een felle gloed heeft doorgloeid, nl. dat er bij zaligworden niets en nog eens niets als enig verdienstelijk offer van ons in aanmerking kan komen, doch dat het alles voor de volle honderd procent volkomen offerverdienste van Christus is. Immers, de offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zal God niet verachten (Psalm 51 : 19).
R.H. Kieskamp, Leerdam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's