De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kleine vossen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kleine vossen

9 minuten leestijd

Er staat in het tweede hoofdstuk van Hooglied een merkwaardige tekst: vangt gijlieden de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven. De Schriftverklaarders zijn er niet over eens, wat de zin van dit woord is. De één zegt dit, de ander dat. Het komt er derhalve op aan een keuze te doen. Wij kiezen voor de betekenis, die vlak voor de hand ligt. Vossen zijn slimme dieren, die zich weten in te dringen op moeilijke plaatsen. Zij kunnen grote verwoesting aanrichten. Kleine vossen komen voor ons begrip dan overeen met mollen, die een wel aangelegde tuin met hun gangen volledig ontoonbaar kunnen maken of met motten, die een fraai kledingstuk geheel vernietigen. In het verband van het bijbelwoord past heel goed de uitlegging, dat zuivere liefde tussen man en vrouw niet de minste stoornis verdraagt. Een verkeerde grap, een goedkope sentimentaliteit, een misplaatste opmerking, een kleine nalatigheid – en wèg is de oefening van de liefde. Er kan niets tussen bestaan!


Welnu, zo kunnen er in het ambtelijke werk ook kleine vossen zijn, die een oprechte bedoeling dwarsbomen. Wilt u een voorbeeld? Wat wij vaak gewenst hebben, maar wat jarenlang tot de vrome wensen behoorde, is onszelf eens te horen en te zien preken. Als wij dat eens konden, hoe velerlei in voordracht en stijl, in stem en uitspraak, zouden wij opmerken, waarop wij, met recht, heel wat zouden hebben aan te merken. Nu is dat tegenwoordig mogelijk. Via de bandrecorder kunnen wij onze eigen stem horen en door middel van een videorecorder onszelf als op een film zien. Het komt ons vóór, dat op kerkelijk terrein de bandrecorder brede toepassing vindt. De videorecorder wordt veel minder gebruikt in de kerk. Het laatste apparaat heeft ook zijn eigenaardige moeilijkheden. Dat deze instrumenten nochtans een grote zegen zouden kunnen afwerpen voor de welsprekendheid staat voor ons vast. Wij herinneren ons althans een voorval van een predikant, die sprak met een uiterst zeurige stem. In het geheim nam men zijn voordracht op en draaide in zijn tegenwoordigheid de band af. Het was familie van hem, die het goed met hem meende en hem zijn gebreken wilde afleren. Verontwaardigd reageerde de collega, wie dat toch wel was. Men herkent immers de eigen stem niet of nauwelijks. Met een schok kwam hij tot verbetering van zijn gewoonte. Wat zal dan de videorecorder wel vermogen te doen?


Wij hebben onder het preken soms wel eens het gevoel, dat er iets hapert, maar het valt ons niet zò op, als wanneer wij 't van een ander horen. Gelukkig, wanneer wij dan nu en dan een goede vriend ontmoeten, die ons onze feilen toont. Wij moeten er toch maar dankbaar voor zijn, ook al kunnen wij dat bepaalde gebrek niet aanstond verhelpen. Wij moeten ons ook niet verbeelden zo alwetend te zijn, dat ons nooit een onjuiste beeldspraak uit de mond komt, een verkeerde uitspraak van een woord, een telkens terugkerende zinswending, een stopwoord, een mallotig gebaar; het zijn nu eenmaal van die kleine vossen, die kwaad doen in de wijngaard, al verderven ze hem niet geheel. Wij horen nog in onze herinnering die predikant, die wegens het al te veelvuldig gebruik van 'jong en oud' in zijn gemeente onder de naam 'jong en oud' bekend was; en die andere, die het altijd over 'schepselen' had; en die derde, die geen fraaier zinsbouw scheen te kennen dan 'het is dat' en die zijn zinnen gedurig zo wist te draaien, dat die geliefde spraakwending telkens terugkeerde. Wat vindt u van dat gebaar, waarbij een collega sprak van 'uit de diepte naar de hoogte', maar dan in zijn geste bij de diepte naar boven wees en bij de hoogte naar beneden? Hij begreep ook niet, waarvandaan dan het gelach in de kerk kwam. De goede man drong niet tot zelfkennis door.


Op de kerkganger, die het eenmaal heeft opgemerkt, heeft het de ongewenste invloed, dat hij telkens wanneer hij die woorden weer hoort, denkt: Daar heb je het weer! Hij gaat optellen, hoe dikwijls het in de preek voorkomt. Hoeveel malen de predikant met zijn vinger naar boven wijst of met zijn hand op de rand van de preekstoel slaat, of in de handen klapt. De stichting is daar weg, hoe voortreffelijk de preek overigens ook moge zijn. Tot ditzelfde terrein behoort ook de preek, die maar niet aan een eind komt. Het is goed, wanneer er een klok in de kerk is, anders moet de predikant zelf een horloge gebruiken – maar een preek is een proces. Er is een begin aan, een voortgang, maar zeker ook een einde. Voor ons gevoel sleept een goed opgebouwde preek mee. Grote prekers preken nooit akelig kort, maar ook nooit akelig lang. De tijdsruimte geeft de spanning aan: hebben we iets te zeggen, dan kan het gerust wat ruimer. Men moppert tegenwoordig al gauw op een lange preek, maar zit rustig drie uur lang op een onnozele visite. Dit alles neemt niet weg, dat in een, laat ons zeggen, driekwart uur heel wat kan worden gezegd. Vlug en goed gaan zelden samen, maar vlug en diep evenmin. Het is de moeite niet, daarvoor het zondagse goed aan te trekken, zegt de volksmond.


Kleine vossen, die de wijngaard verderven, zijn als wratten op een knap gezicht. Je wordt er met een onweerstaanbare aandacht naar toe getrokken. Je moèt er aldoor naar kijken. Zo zijn er nog andere aanwensels, waarop wij slechts gewezen behoeven te worden, om er het verkeerde van in te zien en ze af te leggen. Laten wij er een paar van nemen. Onder het bidden sluit de gemeente de ogen. Maar nu bemerk je aan een zekere geregelde verzwaring en verzachting van het stemgeluid, dat het hoofd van de voorganger zich nu eens naar links en dan weer naar rechts wendt. Onwillekeurig doet menigeen zijn ogen open en als men dan de predikant ziet, zich wendend naar rechts en links, alsof hij de gemeente toespreekt, dan is het met het bidden gedaan. Het kan nog erger – maar dat laten wij maar voor wat het is. Ons dunkt, onder het bidden komt de stille houding te pas, waarbij wij rechtuit spreken tot Hem, die voor het oog van onze geest staat. Geven wij in onze houding al te kennen, dat wij òp de preekstoel staan, omringd door een gehoor – vanzelf wordt dan de toon van ons gebed anders. De ootmoed ontbreekt er aan.


Trouwens, ook gebeden in het openbaar – zij kunnen te lang wezen. Het is mede een ondervinding in ons leven geweest, hoe heilzaam het is een studie te maken van een goed gebedenboek. Men werpe toch niet tegen, dat een goed gebed nooit uit een gebedenboek mag komen. Voorzover men nu bedoelt, dat een gebed niet voorgelezen mag worden – daar gaan wij schroomvallig mee accoord. Maar om eens uit een gebedenboek te leren, hoe anderen het doen, dat is alleen maar goed. Denkt u eens aan al die prachtige gebeden achterin ons psalmboek. Worden ze als model niet veel te weinig gebruikt?


Niemand minder dan Wilhelmus à Brakel geeft de raad de stof van onze gebeden vooraf te bedenken en met een paar trefwoorden aan te tekenen. In de binnenkamer mag het gebeuren dat ons hart zich uitgiet zonder logica, in het openbaar is orde op zijn plaats, zeker waar een gehele gemeente toeluistert. Ook daar is variatie in de voorbeden gewenst. Is het werkelijk noodzakelijk altijd de kerktelefoonluisteraars te noemen, die toch ook de dienst volgen? Wie zich eens rekenschap geeft, waar telkens voor gebeden wordt met naam en toenaam, ontdekt een ware sleur, maar hoe zelden komen doven en gevangenen, blinden en varenden aan de beurt? Wij leven ook op geestelijk gebied te zeer in vastgeroeste gewoonten. De oorzaak is, dat wij bij de voorbereiding van de dienst er te weinig bij stil staan. Een bedachtzaam leven en een open oog ontdekt telkens weer gebieden en werelden, die wij de Vader der lichten ook behoren op te dragen.


Een andere kleine vos is ons stemgeluid. Door de moderne geluidstechniek zijn wij tegenwoordig tot in de verste hoeken van de kerk te verstaan. Schreeuwen op de preekstoel gebeurt dan ook zelden meer. Het vermoeit buitengewoon. Maar aan de andere kant fluisteren is ook schadelijk. Wij maken er ons wel schuldig aan. Een goede artikulatie, een goed geopende mond, een goede adembeheersing – het kan met weinig moeite worden aangeleerd. Een wonder is het, wat wij met onze stem kunnen doen. De voordracht van de preek is van groot belang. Een slechte preek wordt er niet beter door, maar een zwakke preek wel aangenamer. Het ideaal is een goede inhoud en een goede vorm. De zaak is alle oefening waard.


Een volgend punt – maar neen, wij breken af. Het zou ons niet zwaar vallen nog veel meer op te noemen. Fouten, ontleend aan eigen ervaring en dwaasheden, die wij opmerkten alom. Wij hebben ons artikel 'Kleine vossen' genoemd. Het zijn gebreken, die niet de hoofdzaken betreffen. Het is waar. Maar de huisvrouwen onder ons weten maar al te zeer, hoeveel schade motten aanrichten, die wij met alle kracht hadden willen weren. Een japon, een weefsel wordt er grondig door bedorven. Wij moeten tegen deze vossen de strijd aanbinden. Wij moeten ze vangen, zodat ze niet geniepig overal doordringen. Het kost zelftucht en levenstucht, een gedurige oefening.


Per slot van rekening – er zit ook een dieper bedoeling achter dit alles. Wij hebben geheel ons leven door vorming nodig. Wanneer wij denken: ieder moet ons maar nemen, zoals wij nu eenmaal zijn, nu ja, dan is er geen ontwikkeling, geen opvoeding, geen cultuur nodig. Wij leven ons maar uit aan de wildste gevoelens. Het ligt evenwel duidelijk anders. Het geestelijke moet het natuurlijke doordringen en op hoger plan heffen. Vooral in de Evangeliebediening komt dat naar voren. Hoe kan de prediking glanzen op de stoel, als niet allerlei eigenaardigheden haar bederven en de concentratie bemoeilijken. Soms leer je iemand het meest kennen aan zijn kleine ondeugden. Het moet daarom onze taak zijn de strijd aan te binden tegen de mollen en de motten. Onbestreden vernietigen ze de tuin en het weefsel. En, lieve vrienden, wie is daar nu mee gebaat?

A. van Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Kleine vossen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's