De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een taak van elke ambtsdrager (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een taak van elke ambtsdrager (1)

Zorg voor jongeren

7 minuten leestijd

Inleiding
Mij is gevraagd om in een tweetal artikelen in te gaan op de pastorale (= herderlijke) zorg voor jongeren binnen onze gemeenten. Graag voldoe ik aan dit verzoek. Omdat ik geloof, dat wij als predikanten en ouderlingen juist op dit punt – vaak onbewust en onbedoeld – ernstig tekort schieten. Als ik dit zo neerschrijf, dan kan dat klinken als een verwijt van een betweter. Toch is dit allerminst mijn bedoeling. Lijdend aan hetzelfde euvel wil ik mij samen met u, als onderherders, slechts stellen onder de tucht en de belofte van de Opperherder. En vervolgens wil ik u, als broeder in de Heere, een bescheiden praktische handreiking doen.
Kortom dus:
een eerste artikel over onze geestelijke instelling en een tweede artikel over de praktische invulling.

Profeteer tegen de herders…
Zo klinkt het in Ezechiël 34.
En daarmee worden de rollen omgekeerd. Profeten moeten hier van hun preek- en praatstoel af.
En plaats nemen in de kerkbank.
In dit geval niets minder dan een beklaagdenbank.
Er wordt namelijk tégen hen getuigd. In niet mis te verstane bewoording.
De officiële aanklacht van Godswege luidt:
De zwakke sterkt gij niet,
het kranke heelt gij niet,
het verbrokene verbindt gij niet,
het weggedrevene brengt gij niet weder,
en het verlorene zoekt gij niet.
Maar gij heerst over hen met strengheid en hardigheid.
Alzo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is;
en zij zijn het wild gedierte des velds tot spijze geworden,
dewijl zij verstrooid waren…
En er is niemand, die naar ze vraagt,
niemand die ze zoekt

Horen wij, herders van de kudde Gods hier en nu, deze woorden met het oog op onze concrete pastorale zorg aan de jongeren, moeten we dan niet beschaamd ons hoofd buigen? En belijden, dat de liefde van Christus in ons, bij lange na niet die lengte en breedte, hoogte en diepte heeft, die zij zou moeten hebben? Want waar en wanneer besteden wij gerichte herderlijke zorg aan die enkele jongen, dat éne meisje? Met name aan hem of haar die van de kudde dreigt te vervreemden. Zijn we niet te snel tevreden met de 99 die blijven? Zolang we genoeg meelevende jongeren over houden, missen we de dwarsliggers eigenlijk niet echt. Erger nog: kunnen we ze vaak missen als kiespijn…
Misschien gaan we nu in de verdediging. Komen we met tegenargumenten. Zo in de zin van: Haal je je als dominee of als ouderling niet veel te veel op je hals, om speciaal achter die jongen of dat meisje dat verstek laat gaan in de kerk, op de catechese of bij het huisbezoek, aan te gaan? Kunnen we onze tijd niet veel vruchtbaarder besteden, door ons te richten op hen die wel willen? Op het eerste gezicht redelijke argumenten. Maar voor het Aangezicht van de Opperherder ten enemale onhoudbaar… in strijd met het voorbeeld, dat Hij ons naliet.
Broeders, wij staan ontdekkende prediking voor.
Hopelijk niet alleen zo lang het anderen aangaat… maar juist ook nu het onszelf betreft!

Begrijpelijke gevoelens
Wanneer wij in onze binnenkamer buigen onder Gods aanklacht,
onze ambtelijke zonden in dezen belijden en dagelijks op dit punt bekering beoefenen,
zetten we weliswaar een beslissende stap, maar lopen we ook tegen onszelf op.
Ik denk even terug aan die kerkeraadsvergadering, waarin we op een eerlijke wijze de huurling-neigingen in ons herdershart ontdekten, bespraken en voor de Heere beleden. We hadden afgesproken, dat elke ouderling in de komende tijd welbewust een pastoraal gesprek met twee jongeren uit zijn sectie zou aangaan en daarvan in de volgende vergadering verslag zou doen. Ter verkenning van hun leefwereld en als oefening in herderlijke zorg aan hen. Het resultaat was echter teleurstellend. Allereerst was de absentielijst ongewoon groot. En vervolgens was van het 'overblijfsel' maar een enkeling aan de gesprekken met jongeren toe gekomen. In een daaropvolgende vergadering hebben we elkaar afgevraagd hoe dat kwam. Was het alleen tijdsgebrek of zaten er ook andere motieven onder? Al spoedig kwam het één en ander boven water. Links en rechts werd men gehinderd door gevoelens van angst, onzekerheid, onmacht, verlegenheid in de trant van:
hij/zij zal me aan zien komen;
vinden ze mij niet raar/zwaar;
waar komen ze straks mee;
wat moet ik zeggen.
Op zichzelf zijn dat begrijpelijke en herkenbare gevoelens.
Wie heeft ze niet, als ouderling, als dominee. Ook Paulus waren ze niet onbekend. Hij geeft aan dat hij meer dan eens 'met vreze en beven' zijn gegeven opdracht heeft uitgevoerd (1 Kor. 2 : 3).
Dergelijke gevoelens hangen m.i. sterk samen met het beeld dat we van jongeren hebben. Automatisch bijna denken wij vaak in schema van 'tegenover'. Van twee werelden die botsen. Van een gespannen – bijna vijandige – verhouding. We hebben het gevoel, dat we of in de aanval of in de verdediging moeten in onze ontmoeting met jongeren. En door ze vanuit deze houding te benaderen, reageren ze daarvan de weeromstuit ook zo op. Het beeld van elkaar – over en weer – wordt op deze wijze voortdurend bevestigd en de genoemde gevoelens worden versterkt.
Logischerwijs zullen we dan de confrontatie niet zoeken,
als ambtsdrager en jongere uit elkaars buurt blijven.

Handen vouwen
Hoe worden dergelijke gevoelens doorbroken, afgebroken?
Me dunkt, de beste remedie is deze: welbewust voor de jongeren, die aan je zorg zijn toevertrouwd, beginnen te bidden.
Waar we deze minst bedreigende en meest noodzakelijke arbeid der liefde dagelijks gaan verrichten, heel speciaal met het oog op de jongeren, zullen er drie dingen gebeuren:
1. We zullen ervaren, dat we de Heere niet tevergeefs verwachten. Maar dat Hij op onze gebeden, in de trouw aan Zijn verbond. Zelf jongeren aanraakt en trekt. Niet zelden ook zonder dat wij daar direct iets aan gedaan hebben. Ineens staat er soms een jongen van 20 jaar op je stoep, ontmoet je een meisje van 17 op huisbezoek, dat aangeraakt is door de Heere. Ons volhardend gebed, dat we in de stilte van onze binnenkamer doen, zal ons 'in het openbaar vergolden worden' (Matth. 6 : 6). Geen dominee of ouderling, die zoveel voor jongeren betekent, dan die, die niet nalaat voor hen te bidden. En hoe zit het ook al weer: is volgens onze klassieke bevestigingsformulieren juist ook dat niet onze eerste van God gegeven opdracht?
2. Met dat we welbewust voor jongeren leren bidden, zal onze houding ten opzichte van hen ook veranderen. Het gebed voor anderen heeft wat dat betreft altijd een heilzame werking naar onszelf toe. Een andere geest (de Geest!) maakt zich van ons meester. De ontferming zal het winnen van de onzekerheid, de liefde zal de angst uitdrijven. We gaan hen met andere ogen zien. Niet als 'vijanden', die we het liefst ontlopen en die we bij onverhoopte confrontatie bestrijden. Maar als leden van 'de gemeente', die God roept tot de zaligheid' en als schapen van de kudde 'die de Heere zich verkregen heeft door zijn eigen bloed' (Vgl. Bev. form. voor dienaren van het Woord). En zodra ik die jongen of dat meisje zie met de ogen van de h(H)erder, als één voor wie Jezus heeft gebloed en is gestorven, dan verandert de vluchthouding in de zoekende houding. De huurling-mentaliteit verliest het dan van de herderlijke bewogenheid. Ik ga niet meer in de aanval of in de verdediging, maar zoek openheid te vinden en vertrouwen te winnen.
3. Ons gebed zal uitmonden in de dringende vraag of de Heere Zelf openingen wil schenken, vertrouwen wil wekken en 'het goede woord ter rechter tijd' wil geven. Wanneer we heel bewust daartoe onze knieën buigen, voordat we naar de catechese en op huisbezoek gaan, dan gaan we niet alleen met het bekende lood in onze schoenen, maar worden de voeten ook geschoeid met bereidheid, met lust en liefde, om de boodschap van het evangelie kwijt te raken aan de jongeren van vandaag… opdat zij onder Gods zegen de gemeente van morgen zullen zijn!
Van harte hoop ik, dat wij als ambtsbroeders de geestelijke spankracht bezitten, om onze houding tegenover jongeren voortdurend te stellen onder de kritiek van de grote Herder der schapen,
opdat zo de huurling in ons sterve
en de herder in ons leve.

P.J. Visser, Harderwijk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een taak van elke ambtsdrager (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 februari 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's