Het ontwerp getoetst
Het concept kerkorde (2)
1. De verhouding kerk-wereld
1. De verhouding kerk-wereld Kerk en wereld worden bepaald niet als gelijkwaardige partners gezien. Art. 1:3 is wat dat aangaat overduidelijk: Betrokken in Gods toe wending tot de wereld, belijdt de kerk... de drieënige God'.
In tegenstelling tot de 'oude' kerkorde, worden hier belijden en apostolaat nauw aan elkaar verbonden (zie H.K.O. art. vIII). Zo wordt ook in dit ontwerp duidelijk, dat men terug begint te komen van de zgn. apostolaatstheologie: de kerk is er om wille van de wereld. Er is sprake van een bijstelling. Niettemin wordt in art. X van het concept de missionaire opdracht van de gemeente als de eerste genoemd.
2. Open/gesloten kerk
Ook t.a.v. dit punt moet (met erkentelijkheid) geconstateerd worden, dat de keus gevallen is op een kerk met duidelijke grenzen. Art. III:2 is wat dat aangaat veelzeggend: Tot een gemeente behoren zij van wie de inlijving in de gemeenschap van de kerk is bekrachtigd door de Heilige Doop en die zijn ingeschreven als lid van de gemeente'.
Verder wordt er wat betreft de organisatie in eerste instantie uitgegaan van de geografische bepaalde gemeente. Doch daarnaast kunnen er andere vormen van gemeentezijn voorkomen (zie Toelichting, bij het concept, pag. 2).
3. Participatie
De gedoopte is gemeentelid! (zie krt. III:2). Dat hierbij niet uitsluitend gedacht moet worden aan de kinderdoop wordt in art. VIII:2 in even zo vele woorden aangegeven. Een keuzemogelijkheid is ingebouwd.
Dan is daar de Openbare Belijdenis. In het ontwerp in art. III:3 nader omschreven. En in art. XI:6 - over de geestelijke vorming - verder uitgewerkt.
Aandachtige lezing van de beide artikelen maakt duidelijk, dat de gemeenten de ruimte ontvangen om de Openbare Belijdenis naar eigen inzichten te laten geschieden. Dat kan als afsluiting van de 'gewone' catechese; doch ook bij de Doop van een eigen kind of wellicht bij de bevestiging tot ambtsdrager.
Trouwens art. XI, lid 6 is vrij formeel naar formulering. Is er in de H.K.O. in art. XVII:21 sprake van 'onderzoek', de laatste alinea in het desbetreffende artikel uit het ontwerp luidt: De kerkeraad verstaat zich met hen, die voornemens zijn belijdenis van het geloof af te leggen'.
Nog een ander punt moet hier genoemd worden, nl. het Heilig Avondmaal, de deelname daaraan. Art. IX gaat daarover. Vooral wie opgevoed is bij het 'heilige' van dit sacrament wordt getroffen door de vlakke tekst van art. IX : 2: Tot de maaltijd van de Heer zijn genodigd, zij die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing en door geloofsonderricht tot dit geheimenis zijn toegelaten'. In het daarop volgende lid 3 wordt de wijze van deelname aan het Avondmaal beschreven. Ook in deze wordt de nadere invulling aan de gemeenten zelf overgelaten. In elk geval wordt de toelating tot deelname van kinderen vrijgegeven.
Tenslotte, als enige kerk kent de Nederlandse Hervormde Kerk het bestaan van geboorteleden. Kinderen, uit hervormde ouders geboren, doch niet gedoopt. Dit typisch hervormde goed heeft men ook in de kerkorde van de V.R.K. ondergebracht, maar ietsje weggestopt en naar formulering wat afgezwakt: '... onderhoudt een gemeente een bijzondere band met de niet gedoopte kinderen van gemeenteleden'.
4. Het ambt
Het is onmiskenbaar, dat in het ontwerp kerkorde de verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente en mitsdien van de leden van die gemeente sterk wordt benadrukt. In art. IV handelend over de roeping van de kerk, geeft lid 2 het volgende aan: 'Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht, die Christus aan de gemeente gQeft'. De goede verstaander zal begrijpen, dat onder 'alle leden' zowel mannen als vrouwen begrepen worden.
Meer in het bijzonder wordt in het volgende artikel (V) over het ambt gesproken. Het eerste lid daarvan moet als een tegemoetkoming aan de Lutheranen gezien worden; die feitelijk maar één ambt kennen, nl. 'het openbare ambt van Woord en Sacrament'. De kerk bestaat immers bij de gratie van (de bediening van) het Woord! Veel ingrijpender is echter, dat het ambt niet verstaan wordt als vertegenwoordigde het gezag van de Heere der gemeente. Al is het, dat hij niet geheel losgemaakt wordt van het Hoofd van de gemeente, men ziet hem niet staan, als het 'tegenover' van de gemeente, als de persoon, die zo nodig, in de naam des Heere dient op te treden. Lid 5 van art. V is in deze veelbetekenend: 'De roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege, plaatselijk door de gemeente en overigens door de kerk, bij monde van de daartoe bevoegde organen'. Het mag duidelijk zijn, dat deze visie op het ambt gevolgen heeft voor zowel de motivatie als de invulling daarvan. De desbetreffende leden van het onderhavige artikel, de leden 2 tot en met 4, zijn dan ook vrij zakelijk en ondiep.
5. Visie op de kerk
Bepaald opvallend is het, dat in het ontwerp kerkorde Jezus Christus nergens nadrukkelijk beleden wordt als Hoofd van de Kerk. Dat in tegenstelling tot H.K.O. art. X : 3. Veel meer dan uit Christus wordt de kerk verstaan uit de Geest. Gelijk in art. III:1 duidelijk aangegeven wordt: krachtens Gods genade worden gemeenten vergaderd rondom Woord en Sacramenten'. Ook verschillende andere artikelen maken duidelijk, dat de kerk vooral gezien wordt als pneumatologische (Geestelijke) gemeenschap. Daarmee heeft het te maken, dat het ambt der gelovigen aan sterke opwaardering heeft gekregen, ten koste van de 3 ambten. En dat in een enkel artikel, als VI:5, 6, de gemeente inspraak verzekerd wordt; of zelfs de mogelijkheid wordt ge opend om naast de kerkeraad werkgroepen aan te stellen.
6. De zaak van waarheid en tucht
Wellicht dat een van de voornaamste verschillen tussen het ontwerp kerkorde V.R.K. en H.K.O. 1951 deze is, dat in de eerste er een ontkoppeling heeft plaatsgevonden van de 3 klassieke èn de 3 reformatorische belijdenisgeschriften. Direct al in het eerste artikel, eerste lid daarvan wordt dat aangegeven, in de woorden: De Verenigde Reformatorische Kerk in Nederland is overeenkomstig haar belijden gestalte van de ene heilig of algemene christelijke kerk'. Kennelijk vindt men 'belijdenis' te begrensd naar tekst en te historisch bepaald. Vandaar, dat men in art. 1:4 niet geschroomd heeft, om - met zekere nuancering - aan de genoemde belijdenisgeschriften andere toe te voegen, die op vitale punten in tegenspraak zijn met elkaar. Met name valt er dan te noemen de Leuenberger Konkordie. Waar er zo principieel gekozen wordt voor een voortgaand, ook een niet eenduidig doch pluriform belijden, ligt de conclusie voor de hand, dat men zeer terughoudend is, wat betreft de kerkelijke tucht. Tevergeefs zoekt men dan ook in het ontwerp kerkorde het zogenaamde gravamen: e mogelijkheid om een bezwaar in te dienen tegen een onderdeel van het belijden. Bovendien wordt in het artikel, dat gaat over de ouderling - art. 5, lid 4 - de opdracht tot opzicht gemist: och vanouds een opdracht aan de ouderling toebedeeld. Het is met name in artikel XII van het ontwerp, dat er gehandeld wordt over het opzicht. Gelet het hiervoor genoemde, behoeft het nauwelijks te verbazen, dat dat artikel zich kenmerkt door vage aanduidingen als: De gemeente is geroepen te blijven in de weg van het belijden van de kerk'. En dat opzicht over belijdenis en wandel wordt geacht als plaats te vinden in 'pastorale samenspreking' (art. XIII:5).
7. Organisatie en financiën van de kerk
In artikel XIII, handelend over de 'zorg voor de financiële zaken' zijn terug te vinden de verworvenheden, recentelijk door ordinantiewijzigingen verkregen. Alsook het eigene van de participerende kerken. Zo wordt in lid één duidelijk gesteld, dat 'De zorg voor de financiële zaken van de gemeente berust bij de kerkeraad'. Terwijl in datzelfde lid de positie van de hervormde (ouderling) kerkvoogd en de lutherse rentmeester wordt veilig gesteld.
Een gegeven, dat zeker niet aan de aandacht (van sommigen) zal ontsnappen, is, dat onder dit artikel wel de Classicale Vergadering genoemd wordt (in lid 2) maar niet de Provinciale Kerkvergadering. Naar bekend werd, gaan de gedachten uit naar een plattere organisatie, van 3 ambtelijke vergaderingen, te weten, de kerkeraad, de classicale vergadering en de synode. De Provinciale Kerkvergaderingen denkt men om te bouwen tot regionale centra, tot bijstand van de gemeenten bij het vervullen van de opdrachten (vergelijk Verantwoording, pag. 3). Ook overigens wordt er - mede gedwongen door het afkalvend ledental (financiën) gedacht aan een sterke besnoeiing van het ambtelijk apparaat. Terwijl het anderzijds in de bedoeling ligt, om aan de zogenaamde richtingsorganisaties als G.Z.B, en andere een volwaardige kerkelijke plaats toe te kennen.
In dit verband valt ook te noemen, de rela-
tieve zelfstandigheid, welke bij vereniging van kerken voorbehouden blijft aan de Evangelisch Lutherse Kerk. Zo blijven de lutheranen ingeschreven in een apart register (art. III:4), behartigen zij zelf hun financiën (art. XIV : 3), mogen zij ook zelf voorstellen tot wijziging van ordinaties indienen (art. XVIII:3).
8. Ontbrekende schakel
Wat betreft de aantallen artikelen in het voorliggende ontwerp, kan er - gelet het aantal in H.K.O. 1951 - van een behoorlijke reductie gesproken worden. Deels valt dit te waarderen. Een korte en bondige tekst kan de leesbaarheid ten goede komen. Minder valt het te waarderen, dat in het ontwerp een artikel over het huwelijk ontbreekt. Toch vanouds gezien als hoeksteen van kerk en staat!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1993
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1993
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's