Uit de Pers
Spiritualiteit in de Gereformeerde Kerken 1892-1992
Dat is het opschrift van een artikel dat prof. dr. J. Veenhof schreef voor het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, september 1992, aflevering 3 van de 92e jaargang. Mede naar aanleiding van de herdenking op 17 juni 1992 van 100 jaar Vereniging tussen Afgescheidenen en Dolerenden, stelde de redactie van het GTT de vraag aan de orde: kun je spreken van verschillen in spiritualiteit tussen beide groepen? Prof. dr. Augustijn probeert in zijn bijdrage antwoord te geven op de vraag naar de spiritualiteit van de Dolerenden terwijl prof. dr. J. van den Berg dat doet op dezelfde vraag naar die der Afgescheidenen.
Prof. Veenhof doet een poging, in korte trekken de spritualiteit van de Gereformeerde Kerken vanaf 1892 tot heden te typeren. Geboeid valt kennis te nemen van wat hij in overzichtelijke lijnen laat zien. Nu in de voortgang van het S.o.W.-proces vanuit de Gereformeerde Bond de Gereformeerden als partner in genoemd proces sterk in de beklaagdenbank worden geplaatst, is het goed een insider als prof. Veenhof de loop der dingen in zijn kerken te horen schetsen. In Woord en Dienst van 26 februari 1993 geeft ds. B. Wallet aan, dat de extra synodevergadering van 22 en 23 januari jl. hem heeft geleerd dat we de verschillende geloofsstijlen nooit kunnen negeren. Hij zal daar de geloofsstijl van o.a. de GB en de GKN mee bedoelen, neem ik aan. Hij pleit dan wel voor een ontmoeting in een sfeer van vertrouwen, zodat de communicatie openblijft. Ik citeer nu letterlijk de slotregels van zijn bijdrage: 'Daarbij staat niet alleen de tolerantie over en weer voorop, maar de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de opdracht die wij hebben ontvangen en in het licht daarvan de bereidheid naar elkaar te luisteren. Zou dat ook kunnen betekenen, dat we de oordelen over elkaar uitstellen tot we de waarheidselementen bij de ander hebben geproefd? ' Om tot dat 'proeven' te kunnen komen, wil ik een aantal fragmenten uit Veenhofs bijdrage citeren. Hij begint o.a. als volgt:
Wanneer ik mij het profiel van die gereformeerde spiritualiteit zo scherp mogelijk voor de geest stel, dringen zich aan mij enkele kenmerkende trekken op, die samen het beeld daarvan bepalen. Ik noem hier drie trekken, die m.i. wezenlijk zijn. In alle drie is de invloed van Calvijn en de calvinistische reformatie structureel en inhoudelijk onmiskenbaar.
In de eerste plaats noem ik de verbondenheid met en gebondenheid aan de drie formulieren, die het gedachtengoed van de calvinistische reformatie in de brede zin representeren. In de tweede plaats de grote aandacht voor de institutionele kerk met haar ambten en vergaderingen. In de derde plaats de intense belangstelling voor en het evenzeer entensieve engagement op het terrein van staat en maatschappij, kortom: de samenleving. Deze drie factoren ken men elk voor zich en in de betrokkenheid op elkaar beschouwen. Zo kunnen we vaststellen, dat de verschillende 'Bilateriale' relaties — vroomheid-kerk, vroomheid-samenleving, kerksamenlevmg — stof tot veelvuldige discussies hebben opgeleverd en ook divergenties markeren, die zich in de loop der geschiedenis hebben voorgedaan.
Prof. Veenhof grenst het gereformeerde vroomheidstype dan aftegen de spiritualiteit met een piëtistische of neo-piëtistische inslag, zoals die vandaag in bv. de evangelische beweging te vinden is. Ook geeft hij aan, dat de gereformeerden zich van de 'zware' gereformeerden onderscheidden, onder andere op het punt van de ervaring van de wedergeboorte als het criterium van het echte christen-zijn.
Als wij dit alles overzien en trachten te verstaan, komen we niet om Abraham Kuyper heen. 'De gereformeerden zijn door Kuyper heengegaan' — deze kwalificatie is to the point. Zij verklaart, waarin en waarom gereformeerden zich van andere orthodoxe en van piëtistische christenen onderscheiden. Hiermee is ook het goed recht van de betiteling 'Neo-Calvinisme' aangegeven. Het is calvinisme, maar met een eigen stempel.
Prof. Veenhof brengt van hieruit dan een chronologische indeling aan in de verschuivingen en ontwikkelingen die zich sinds 1982 hebben voorgedaan. De eerste periode laat hij lopen van 1892 tot 1926, dus na de besluiiien van de synode van Assen. En de derde nieuwe fase zet volgens prof. Veenhof dan in aan het begin van de jaren zestig.
Eer de derde fase begin zestiger jaren daadwerkelijk intreedt, zijn er al de nodige ontwikkelingen aan vooraf gegaan.
De dogmatische studiën van G. C. Berkouwer met hun concentratie op het geloof, dat wars is van abstractie en speculatie, waren een gewichtige factor in een geleidelijke verandering van de gereformeerde spiritualitiet. De invloed van die studiën werkte niet zozeer door. via de verenigingen — daarvoor was het genre niet geschikt; ook was de bloeitijd van de verenigingen voorbij — als wel via de verkondiging van de predikanten, die zich door Berkhouwer lieten inspireren.
Belangrijk voor de heroriëntatie in de spiritualiteit waren twee nieuwe aanzetten t.a.v. twee themata, die in de gereformeerde geloofsbezinning en - praxis steeds een sleutelrol vervulden: de schepping en de uitverkiezing. N. H. Ridderbos pleitte in samenhang met de vragen rondom de relatie van schepping en evolutie voor een andere uitleg van Gen. 1 en 2. De 'hermeneutiek', waarvan Assen ta.v. Gen. 3 was uitgegaan, was hiermee doorbroken en de opheffing van Assen alleen een kwestie van tijd. Voor zover men in deze tijd nog steeds concrete normen en gedragslijnen in de schepping trachtte te funderen, bood Schippers' boek over de gereformeerde zede ontnuchterende lectuur. Veelzeggend is achteraf, dat Berkouwer in al zijn dogmatische verkenningstochten slechts heel spaarzamelijk de schepping ter sprake bracht.
Nieuwe inzichten: schepping en uitverkiezing
Wat de uitverkiezing betreft: al in het begin van de jaren vijftig werd in de brede gereformeerde wereld kritiek geoefend op de traditionele visie. Ik noem hier de bijdragen van de vrijgemaakte oudtestamenticus B. Holwerda en van J. G. Woelderink, van huis uit een 'Bonder' in de hervormde kerk en in de kerkelijk gereformeerde kring steeds veel gelezen. Zij stelden in het licht, dat verkiezing in de Schrift primair een handelen in de geschiedenis is en lang niet altijd direct betrokken op de eeuwige zaligheid van de mens. Kort daarna openden Berkouwer en Herman Ridderbos, de invloedrijke Kamper nieuwtestamenticus, evangelische perspec tieven op wat zo vaak als een beklemmend raadsel was overgenomen.
In samenhang met het voorgaande gaat er nog meer veranderen. Kennelijk kan het niet uitblijven: wie enkele bouwstenen weghaalt of in ieder geval anders neerlegt, die veroorzaakt een zekere kettingreactie.
In samenhang met de scheppingsordinanties wil ik nog één concrete verandering vermelden. In deze periode won het inzicht veld, dat aan vrouwen niet langer het actieve en passieve kiesrecht in de gemeente onthouden zou mogen worden. Het beroep op de scheppingsordinantie werd gewogen en te licht bevonden. Ook het beroep op de desbetreffende uitspraken van Paulus werd opnieuw getoetst. Herman Ridderbos bepleitte een taxatie en interpretatie van deze teksten — met verwijzing naar de toenmalige cultuursituatie — die de weg tot openstelling van de ambten voor vrouwen hielp vrijmaken. De betekenis van deze nuancerende visie op het gezag van de Schrift is vérstrekkend geweest.
Het is opmerkelijk, dat de nieuwe inzichten, die Berkouwer, Schippers, de gebroeders Ridderbos en anderen naar voren brachten — en die ontegenzeglijk een correctie op de door G. Ch. Aalders, J. Ridderbos, S. Greijdanus en F.
W. Grosheide getrokken lijnen inhielden — in de brede kring van het kerkvolk wel vragen, maar geen fundamenteel verzet opriepen. De tijd was er rijp voor, vroeg er ook om. Er was méér aan de hand in die tijd. Tot in de jaren vijftig was het raam van de gereformeerde vroomheid — regelmatige kerkgang, bijbellezen aan tafel, gebed — veelal nog intact. En veelal ging men ervanuit — ook al ontbraken waarschuwingen tegen veruitwendiging, verslapping enz. toen evenmin als tevoren — dat met de vorm ook de inhoud aanwezig was: en persoonlijk geloof, datgene wat met de berijmde Psalm 25 : 7 vaak werd genoemd 'de verborgen omgang'. In de jaren vijftig werd dat anders. Ook de Generale Synodes toonden bezorgdheid en verlegenheid met betrekking tot de situatie van het geestelijk leven. Veelzeggend is het in 1959 verschenen 'verschralingsrapport'. Traditie en eigen ervaring beginnen uiteen te wijken.
Een kerk in beweging
Dat is de titel van het boek, dat de intussen overleden prof. dr. J. Plomp in 1987 schreef, over de Gereformeerde Kerken in Nederland na de tweede wereldoorlog.
Het begin van de jaren zestig markeert het aanbreken van een nieuwe fase. Met recht kwalificeert J. Plomp het jaar 1961 als keerpunt, dat een nieuwe ontwikkeling uitvindt. Met voorbijgang van alle details kan men zeggen, dat het isolement van de gereformeerden steeds meer doorbroken werd. Het gesloten huis werd een open huis. Recente verschuivingen op het terrein van theologie, geloof en religie in de landelijke en internationale context gingen nu krachtig in gereformeerde kring resoneren. Zekerheden van vroeger werden nu meer en meer voorwerp van discussie. Men mag daarbij het gewicht van een andere, m.i. doorgaans te weinig genoemde factor, niet onderschatten. Nadat de Staten-Vertaling had plaatsgemaakt voor de Nieuwe Vertaling, werden gaandeweg de zeer bekende liturgische formulieren bijgesteld of vervangen en werd een compleet nieuw liedboek met inbegrip van het psalter ingevoerd. John Donne zei eens: The Psalms are the manna of the church. Wat gebeurt er, als het manna weliswaar niet in de grondsamenstelling maar toch in de vorm, kleur en smaak zo ingrijpend gaat veranderen? In ieder geval stond deze tijd in het teken van zoeken, tasten en vragen. Verschillende boektitels zijn in dit opzicht significant. Herman Ridderbos sprak
van onze verlegenheid', Okke Jager van 'een tijd van twijfel' en Jan T. Bakker wees erop, dat geloven zich altijd 'vragenderwijs' voltrekt.
Waar essentiële vragen rijzen en niet worden uitgebannen, vallen de antwoorden verschillend uit. De openheid naar buiten toe had als vanzelfsprekend gevolg pluralisme binnen eigen kring. Heel markant trad de divergentie aan het licht in de discussie over het Godsbeeld, zich toespitsend in de vragen rondom de almacht van God. Deze discussies over de werkelijkheid en het werken van God gaan onverflauwd door tot op vandaag. Dat is onontkoombaar, nodig en ook goed, omdat juist in de gesprekken hierover de ervaringen van mensen in deze tijd volop aan bod kunnen komen.
Prof. Veenhof concludeert dan dat bij een vergelijking van de verschuivingen die zich tussen 1950 en 1960 hebben voltrokken en wat er nu in zijn kerken aan de gang is, , dat de verschuivingen van toen verbreed zijn en eigenlijk het hele veld van theologie, religie en spiritualiteit raken.
Toen ging het om de uitleg van Genesis 1-3, de relatie van schepping en evolutie, de scheppingsordinanties, de verkiezingsleer en in dit alles om de visie op de inspiratie en het gezag van de Bijbel. Nu gaat het om de uitleg, het verstaan en de 'status' van heel de Bijbel als zodanig, om de vragen betreffende het handelen van God in schepping en geschiedenis in verband met de relatie tussen God en het kwade, voorts om het karakter, de draagwijdte en de effecten van de verzoening.
Bij al de hier genoemde themata is, aldus prof. Veenhof, de rol van de mens in het geding. Het zoeken en tasten naar nieuwe antwoorden heeft een uiterst bewogen karakter omdat er van het seculariserend levensgevoel nog steeds zo'n grote zuigkracht uitgaat. In het pastoraat zijn de accenten grondig verlegd vergeleken bij 70, 80 jaar geleden. Toen opwekkingen tot zelfonderzoek en waarschuwingen tegen een ingebeeld geloof. Nu is er meer het 'graven naar geloof soms tegen de klippen op en in!, aldus prof. Veenhof.
G. Dekker heeft uitvoerig beschreven hoezeer sedert 1950 eigenlijk alles gewijzigd is. De kerken zélf zijn veranderd en daarmee ook wezenlijke aspecten van de spiritualiteit. Het is verheugend, dat velen in de onzekerheden van vandaag blijven zoeken naar een authentieke en verantwoordbare vorm van geloof en spiritualiteit. De geweldige opgang, die het jongste boek van H. M. Kuitert maakt, bewijst het. Het verlangen naar transcendentie-ervaring, zinvervulling en gemeenschpasbeleving laat zich niet onderdrukken. Hoe sterk dit verlangen is, treedt ook aan het licht in de aantrekkingskracht van alles, wat onder de esoterische spiritualiteit te rangschikken valt. Zij is naar mijn overtuiging een uitdaging voor de theologie en voor de kerk. Hebben wij — tot op vandaag toe — niet al teveel gezwegen over de 'onzienlijke dingen' met inbegrip van datgene wat zich op het grensgebied van leven en sterven afspeelt? Deze esoterische spiritualiteit komt niet in mindering op, maar levert juist een sterke impuls tot energiek èn liefdevol engagement voor het welzijn van de mensen en de schepping. En voor dit engagement, deze dienst aan mensheid en wereld met alle sociale en ethische implicaties lopen — gelukkig^— nog vele gereformeerden warm.
Wat van dit alles te zeggen? Er zijn de laatste maanden de nodige en soms heel ingrijpende uitspraken gedaan over de hier door prof. Veenhof beschreven ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken. Ik denk aan uitspraken van prof. Graafland op de contio van hervormd-gerefromeerde predikanten begin dit jaar en aan woorden van gelijke strekking van ir. Van der Graaf o.a. op de extra synode eind januari jl. Woorden die door velen met instemming zijn aangehoord of gelezen, onder wie ik ook mezelf reken. Maar van welke aard is onze instemming? Die van ingehouden leedvermaak, om het ook eens wat scherp te formuleren: wij zijn dan toch maar het gereformeerde beginsel trouw gebleven, al zaten wij dan in die door velen afgeschreven Hervormde Kerk? Maar steekt daar dan niet hetzelfde triomf antelij kheidsgevoel achter, dat we in het recente verleden de gereformeerden zo vaak hebben verweten? Let wel: Ik zèg niet dat die gedachte er bij ons achter zit, zeker niet bij de woordvoerders die ik zoeven noemde. Maar het kan toch goed zijn ons dat eerlijk af te vragen. Waarom maken wij de Gereformeerden zulke heftige verwijten? Laten we de discussie in elk geval zakelijk houden. Bij de voortgang van het S.o.W.-proces zal het onontkoombaar worden dat we met elkaar in gesprek geraken. Dat zal niet meevallen. Niet alleen omdat we elkaar heel ver uit het oog verloren zijn. Ook niet alleen omdat de Gereformeerden, blijkens het verhaal van prof. Veenhof, nogal wat wissels hebben omgehaald, waar wij uit principe nog steeds vóór zijn blijven staan. Maar de moeilijkheid van de gesprekken wordt óók opgeroepen door het feit dat de vragen zo ingrijpend zijn, waar we in onze tijd voor staan. Voor hervormd-gereformeerden net zo goed als voor wie dan ook. Eén regel uit prof. Veenhofs artikel is bij me blijven haken: Traditie en ervaring beginnen uiteen te wijken. Merkt een pastoraal ingesteld catechiseermeester dat niet op als hij met zijn catechisanten echt in gesprek raakt over wat de catechismus allemaal zegt? Beluister je dat niet als je als pastor met de gemeenteleden in gesprek raakt over de geloofsvragen van onze tijd? Zijn wij er als dominees wel zo zeker van dat onze goed gereformeerde preken zo overkomen als we zelf menen? Zien onze kerkgangers nog wel iets van de verbinding tussen wat ze zondags horen en 's maandags in onze samenleving meemaken? Traditie en ervaring beginnen almeer uiteen te wijken. Voor onze jongeren maar ook voor ouderen. Misschien, als we eerlijk zijn, ook voor ons als voorgangers. Grondige bezinning op het erfgoed dat ons zo kostbaar is, blijft geboden. En laten we elkaar dan maar vragen stellen over wat ons ten diepste beweegt. Dat moet kunnen lijden. En de zaak is het waard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1993
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 maart 1993
De Waarheidsvriend | 18 Pagina's