De bazuinen en de kruiken van de Gideonsbende
Bij de openbare geloofsbelijdenis
Om maar direct een mogelijk misverstand weg te nemen: in het hiervolgende wil niet gezegd zijn, dat ieder, die vandaag belijdenis des geloofs aflegt, daarmee behoort tot een Gideonsbende, als waarvan in het boek Richteren (6 en 7) sprake is.
Als men zich nog eens te binnen brengt met wie men ooit vooraan in de kerk stond om, samen en ieder afzonderlijk, belijdenis des geloofs af te leggen en men zich dan ook realiseert hoevelen er maar echt hebben volgehouden, om het maar heel menselijk te zeggen, kan men tot schrijnende ontdekkingen komen. Het is bepaald niet zeker, dat dat anders zal zijn voor groepen belijdeniscatechisanten, die vandaag aantreden. Soms wordt wel eens te gemakkelijk gesteld, dat diegenen, die vandaag hun jawoord geven, dat wel bewuster, meer gemeend zullen doen dan vroeger vaak het geval was, als we immers zien in welke tijd we leven. Belijdenis doen is niet meer vanzelfsprekend, dat doe je vandaag niet zo maar. En dus zouden diegenen, die het nu nog aandurven, een soort Gideonsbende vormen.
Hoe dankbaar we ook mogen zijn, dat ook vandaag nog weer mensen bewust hun jawoord geven mogen en hoezeer we er ook van overtuigd mogen zijn, dat dit ja vandaag ook bij velen van harte gemeend is, de tijd zal leren of bij allen sprake zal zijn van volharding. Velen, die in het verleden op de feestelijke dag van hun belijdenis hun jawoord gaven, hebben met Demas later de tegenwoordige wereld lief gekregen. Het mag een aansporing zijn tot waakzaamheid voor diegenen, die nu aantreden.
Gideon
Waarom dan toch aandacht voor de Gideonsbende? Omdat het nochtans waar is dat de Heere zich ooit ten tijde van Gideon van een handjevol mensen wilde bedienen om Zijn plannen uit te voeren. Ze werden daartoe geroepen in een situatie van een overmacht van vijanden. Zo zou het ook vandaag kùnnen.
Altijd weer is het indrukwekkend om die aaneengesloten passages in het boek Richteren over Gideon te lezen. Ze vragen om geestelijke doordenking en toepassing in onze tijd.
Gideon werd geroepen toen de kinderen Israëls deden wat kwaad was in de ogen des Heeren en de Midianieten het volk ten onder richten wilde.
Hij werd geroepen nadat het volk in de nood tot God had gebeden (6 : 7).
Hij werd geroepen door een engel, die hem vooraf bemoedigde voor zijn opdracht met te zeggen 'de Heere is met u, gij strijdbare held' (vs. 12), terwijl Gideon zich afvroeg waar de tijd van de vaderen gebleven was: de tijd van de wonderen Gods, die de vaderen hun vertelden (vs. 13).
Hij kreeg de opdracht erop uit te trekken 'in deze uwe kracht' (vs. 14) en kreeg er de belofte bij Israël te zullen verlossen uit de hand van de Midianieten.
Hij mocht allereerst het altaar van Baal afbreken en voor de Heere een altaar bouwen (vs. 25-27), al deed hij het 's nachts omdat hij zijns vaders huis en de mannen van de stad vreesde.
Maar het begin van de triomf, die hij behalen zou, was, dat de Geest des Heeren Gideon aangreep (vs. 34). Toen blies hij de bazuin om manschappen te verzamelen.
Nòg wilde Gideon eerst een teken. Tot twee maal toe kreeg hij dat: een droog wollen vlies, terwijl dauw op het land was, en een nat wollen vlies, terwijl de omgeving droog was.
En dan tenslotte dat prachtige stuk, waarin Gideons leger eerst door de Heere Zelf wordt uitgedund. Wie bang was hoefde niet mee. Tweeëntwintigduizend man – verreweg de meerderheid – trok zich toen terug en tienduizend man bleef over. Maar uiteindelijk mochten er toch slechts driehonderd mee, geselecteerd op de wijze, waarop ze water dronken.
En dan uiteindelijk de ontknoping. De driehonderd man werd in drie groepen verdeeld. En door het loutere feit dat ze op bevel van Gideon de bazuinen staken werden de manschappen in het leger van de Midianieten in verwarring gebracht. Die hebben elkaar afgslacht, 'het zwaard van de een was tegen de ander' (7 : 22). Hier gold ten volle dat andere Schriftwoord: 'De Heere zal voor u strijden en gij zult stil zijn' (Ex. 14 : 14).
Uiteindelijk mocht de rest van het leger er ook aan te pas komen. De mannen uit Efraïm mochten er op het laatste moment ook nog bij. Hun nalezingen – zei Gideon, toen ze zich verongelijkt toonden – zouden beter zijn 'dan de wijnoogst van Abi-ezer,' oftewel van de eerst-geroepenen (8 : 1).
Door de hand van Gideon werd uiteindelijk grote schoonmaak gehouden onder de Midianieten. Honderdtwintigduizend man sneuvelde en ook de koningen werden gevangen genomen en door Gideon eigenhandig gedood.
Niet vergeten mag worden tenslotte het getuigenis van Gideon zelf, namelijk dat het de daden des Heeren waren, waardoor het volk was verlost. Ook hij moest er als mens tussenuit. Gideon weigerde het hem aangeboden koningschap: 'Ik zal over u niet heersen, ook zal mijn zoon over u niet heersen; de Heere zal over u heersen' (8 : 23).
Bovendien bleek uiteindelijk ook nog een keer, dat Gideon ook maar een mens was, aan wie niets menselijks vreemd was. Hij maakte nog wat goud tot het zijne en maakte daarvan een efod, wat Gideon en zijn huis 'tot een valstrik' (vs. 27) werd. Het werd na Gideons dood een voorwerp voor afgoderij.
Maar intussen werd kennelijk het land veertig jaar gezegend na de daden, die Gideon met zijn bende mocht doen. En als het erop aankwam hadden ze niet meer gedaan dan de bazuin steken en met brekende kruiken rammelen.
Actueel
De geschiedenis is overbekend. Maar ze kan opeens gaan oplichten in eigen tijd, gegeven de situatie, waarin we ons als kerk en volk bevinden. Één ding is daarbij dan van meet af aan duidelijk: de Gideonsbende was niet door Gideon zelf bedacht of geprogrammeerd. Het was er ook verre van, dat de Gideonsbende een nog overgebleven keurtroep was, toen alles eromheen afvallig was geworden. Me dunkt dat het goed is, dat in onze tijd te onderstrepen, omdat al te gemakkelijk de gedachte op kan komen, dat in de grote afval van vandaag, diegenen die nog trouw blijven, de Gideonsbende vormen. We mogen niet uitluiten, dat ook onder hen de afval 'gewoon' zou kunnen doorgaan.
Uiteindelijk was er nog een heel léger achter Gideon aangegaan en ze waren allemaal voorzien van bazuinen en kruiken. Maar God Zelf vond het nodig, dat het volk, waarmee Gideon de strijd moest winnen, aanmerkelijk minder zou zijn dan dat hele leger, 'opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.'
De Heere bedient zich niet van een meerderheid, van de helft plus één maar van een handjevol mensen, dat door Hem wordt uitgekozen en zich bedienen mag van machteloze middelen: bazuinen en kruiken.
Op bevel
De Gideonsbende is niet een overgebleven gezelschap, dat de fanfare nog vermag te blazen. Het gaat er niet om dat mènsen zichzelf aangorden om nog eens stevig de bazuin te blazen. Gideon wèrd aangegord door de Geest des Heeren en als geroepene mocht hij, zichzelf een klein, onmachtig en onbekwaam mensenkind wetende, op het bevel des Heeren en met de belofte des Heeren uitgaan.
En daarom zetten we in een tijd, waarin we als kerken klein en als tot niet schijnen gekomen te zijn in de ogen der mensen, geen is-gelijk-teken tussen de rest, die tot heden overbleef, en de Gideonsbende, waarover de Schrift spreekt. Dat is-gelijk-teken zetten we ook niet tussen de (nog betrekkelijk) weinigen, die vandaag in ons land nog openbaar de Naam des Heeren belijden en zulk een keurbende. Als het erop aankomt zou er ook vandaag de vreesachtigheid kunnen zijn en de realiteit van retireren zodra de kans zich voordoet.
Als we zien op de tijdsomstandigheden, op de machten, die zich breed maken in de samenleving, op de overmacht aan Godevijandige stromingen in ons volksleven, dan blijft er slechts één weg over, namelijk zoals ten tijde van Gideon: 'roepen tot de Heere.' Op dat gebed zond de Heere Zijn engel en riep hij Gideon.
Ooit schreef ds. J.H. Velema een boekje getiteld 'Profeet, sta op.' Daarmee werd niet bedoeld, dat de profeet zich maar melden moest, parmantig en strijdvaardig op moest staan. Het gaat om het diep doorleefde besef, dat we vandaag verlegen zijn om profeten, die in de Naam des Heeren aanwijzen wat kwaad is in de ogen des Heeren en die ook van Godswege mensen mogen roepen tot de strijd, die vandaag gestreden moet worden.
De overmacht is te groot vandaag dan dat we rekenen mogen op overwinningen waanneer we met louter menselijke overredingskracht of met eigen wapengekletter of met nieuwe programs van actie in het strijdperk treden.
Zo er al ooit reden toe was, dan is er zeker vandaag geen enkele reden om te roepen 'Voorwaarts christenstrijders.' De Heere zal voor u strijden…
Dat neemt niet weg onze blijdschap, dat vandaag ook – Gode zij dank – weer mensen toe mogen treden tot de militia Christi. Aantallen en meerderheid of minderheid doen dan echter niet ter zake. De Almachtige behoeft het niet te hebben van onze menselijke aantallen. Hij kan Zich op Zijn tijd en wijze bedienen van een Gideonsbende, die in Zijn Naam mag strijden en ovenvinnen. En als het er nu helemaal op aan kwam lag het selectiecriterium voor die kleine keurbende helemaal bij de Heere zelf: het was een kwestie van water drinken uit de holle hand. Er was toch bepaald geen enkele uitspringende eigenschap van die mannen zelf, die telde om voor verkiezing in aanmerking te komen.
Het zou kunnen zijn, dat de Heere ook vandaag een kleine groep inzetten wil, verdeeld in enkele onderdelen, die zodanig de bazuin mogen steken, dat er verwarring ontstaat in het leger van de vijand: in wetenschap en cultuur, in handel en techniek, in onderwijs en bij de media; maar ook gewoon op de plek waar ieder is gesteld, in een vaak godloze omgeving.
Ieder is geroepen de goede strijd des geloofs te strijden. Daartoe roept ook de openbare geloofsbelijdenis op. We bidden diegenen, die vandaag staan aangetreden moed toe met het oude gezegde: welkom in de strijd. Maar wíj́ zullen de vloedgolven van ongeloof en godloosheid in de samenleving niet keren met onze strijd. Daarvoor zijn we afhankelijk van de overmacht van de Geest. Die wil echter wel mensen – een klein aantal soms – inschakelen, met gebruik van middelen, die geen naam hebben in de wereld.
Uit de geschiedenis van Gideon valt op te maken, dat donkere tijden er vandaag niet voor het eerst zijn. Soms denkt men: wanneer waren ze er níét? Het volk Israël deed wat kwaad was in de ogen des Heeren. Maar uit die geschiedenis valt ook op te maken, dat.de Heere vrijmachtig ruim baan kan maken voor een klein aantal mensen, die in Zijn Naam grote daden mogen doen. Het zij ter bemoediging gezegd van hen, die nu aantreden. Het zij ons allen ter bemoediging in een tijd, waarin ons volk wegzinkt in goddeloosheid.
Als de Geest roept tot het blazen van de bazuin kan er ook vandaag een groot wonder geschieden. Daar is maar een Gideonsbende voor nodig. Die wordt – en worde ook nù – gerecruteerd uit hen, die tot de militia Christi behóren en daarvan deze weken belijdenis afleggen. Onze zwakke krachten wil Hij sterken.
Een kruik en een bazuin zijn hier wel treffende symbolen.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's