De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijdenis van het geloof, òf van de Geloofde?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijdenis van het geloof, òf van de Geloofde?

8 minuten leestijd

Dilemma?
Kortgeleden kwam op een van onze belijdeniscatechisaties de vraag aan de orde, wat wij nu eigenlijk doen als wij belijdenis van ons geloof afleggen. Behelst die belijdenis een verklaring van onze gelovigheid, of is het een getuigenis van wàt wij geloven? M.a.w., belijden wij dat wij gelovigen zijn, of belijden wij in wat en in Wie wij geloven? Of gaat deze tegenstelling eenvoudig niet op? Moet men de subjectieve geloofsbetrokkenheid en het object (de inhoud) van de geloofsbelijdenis niet veeleer heel dicht bij elkaar houden? Betreft de tweeërlei benadering niet zozeer een tegenstelling als wel een verschil in accentuering? En als dit laatste het geval mocht zijn, waarop dient dan de klemtoon te vallen? Het zijn deze vragen, waaraan ik een korte beschouwing wil wijden.

Grondwoord
Via een omtrekkende beweging zoeken wij het antwoord. Wij komen het op het spoor wanneer wij nagaan wat de grondbetekenis is van het Bijbelse woord belijden. Het Griekse woord, dat aan deze vertaling ten grondslag ligt, is homo-logein. Letterlijk betekent dit: hetzelfde zeggen. Zakelijk: met iets of iemand instemmen. Deze taalkundige informatie reikt ons meteen een belangrijk gegeven aan! Wie belijdenis aflegt, verricht geen eigenmachtige daad en spreekt geen zelfbedachte en oorspronkelijke woorden, maar spreekt ná wat hem wordt voorgezegd. Belijden is geen produkt van eigen vindingrijkheid, maar louter vrucht van horigheid. Om het op een korte formule te brengen, zou men kunnen stellen: belijdenis is niets anders dan openlijke bijval.

Bijval
Nu dient zich hier onmiddellijk een wezenlijke vraag aan, nl. wie en wat vallen we bij? Stemmen wij in met het geloofsonderricht dat tot ons kwam via ouders, school en kerk? Ik zou hierop niet graag ontkennend antwoorden. Men moet deze door God gehanteerde instanties niet onderschatten. Ieder op hun eigen plaats en wijze nemen zij een bemiddelende positie in om ons de woorden voor te zeggen, die wij na leren zeggen. Zoals een kind leert praten door op moeders mond en klanken te letten, zo leert een mens gewoonlijk belijden wat hem van huis uit is bijgebracht en voorgezegd. Toch is hiermee – hoe hoog deze bemiddeling ook te schatten is – niet alles gezegd. In de eerste plaats omdat het er uiteraard op aan komt of dit onderwijs werkelijk dàt bemiddelt wat waard is om beleden te worden. Wie zijn kind, zijn leerling, zijn catechisant een aantal regels, stellingen en waarheden inprent, maakt nog geen belijder van hem; hoogstens een naprater. Het gaat erom dat het Woord Gòds wordt bemiddeld, in gebod en belofte, in vonnis, vrijspraak en aanspraak. Het tweede waarop het aankomt is dat dit Woord van God niet maar gedachteloos wordt 'geïncasseerd' en achteloos gerepeteerd, maar dat het wordt beaamd en beleden met de overtuiging van het hart. En wie anders kan dit bewerkstelligen dan God de Heilige Geest alleen? Wij zullen het er dan ook op mogen houden, dat het uiteindelijk – door alle bemiddeling heen – de sprekende en overtuigende God Zelf is Die wij bijvallen in ons belijden. Hij zegt voor; wij spreken na.

Geloof
Inmiddels bleek ons dat er tussen dit vóórzeggen door God en het nazeggen (belijden) door ons iets gebeurt dat van onopgeefbare zin is. Aan de openbare bijval van het belijden gaat de verborgen, innerlijke bijval van het geloof vooraf. Wij duidden dat zoeven aan als de overtuiging van het hart, waarmee niets anders is bedoeld dan dat de Heilige Geest ons innerlijk tot geloofsovergave brengt. Dit geloven hangt zoals bekend (naar het Hebreeuwse grondwoord) samen met ons woordje amen. Dàt is geloven: hartgrondig amen zeggen op het Woord. Paulus schrijft in Romeinen 10 dat het geloof uit het gehoor is, D.w.z., het ontspringt aan het gehoorde Woord, dat in de overmacht van de Geest het beleg om de burcht van onze ziel slaat en die inneemt. Het geloof is weliswaar niet te vereenzelvigen met het gehoorde Woord, maar is er toch zo onafscheidelijk mee verenigd, dat het de innerlijke weerklank erop is. Niet ten onrechte is dit geloof wel genoemd 'de dochter van de Stem'. Dat is niet alleen mooi gezegd, maar het is vooral ook waar. Het Woord van de Geest is de moederschoot, waaruit het geloof wordt geboren. En niet alleen zijn ontstaan dankt het geloof aan deze moeder, maar het wordt door haar ook voortdurend onderhouden, gevoed, gedragen. Van dit ((gehoorde en gelezen) Woord leeft het.

Weerklank
Geloven is een groot geheimenis. Het behoort niet tot onze uitrusting. Het vormt geen kwaliteit waarover we beschikken. Het is zó volstrekt aangewezen op het Woord, dat het wel wordt vergeleken met een echo. Iedereen weet dat een echo slechts bestaat bij de gratie van een stem, een roep. Geen weerklank zonder klank! Wie ooit bij een echoput stond, behoef ik niet te vertellen dat zo'n put, zolang er geen geluid werd ingeroepen, even stom en stemmeloos bleef als het zand. Maar riep je wat, dan 'riep' hij terug. Zo is het met het geloof gelegen. Er zou geen amen zijn, als God had gezwegen. Onweersprekelijk.
En toch heeft ook dit beeld met àlle beeldspraak gemeen, dat het mank gaat. Het is wel waar, maar het is niet de volle waarheid. Het verzwijgt namelijk een vitaal aspect van de geloofswerkelijkheid, en dat is het feit dat de 'echoput' van het geloof niet ogenschijnlijk, maar werkelijk reageert. De wekroep van de Geest weet onze ziel, die van nature zowel sprakeloos als liefdeloos is, tot leven te brengen. Afval schept Hij om tot innerlijke bijval. Verzet tot radicale overgave. Dat doet Hij eigener beweging. Genade heet dat! En het is deze beweging Gods die beweging brengt in de levenloze afgrond van ons hart. Wij vallen Hem bij. Roept Hij: 'Schuldig', ik stem ermee in. Roept Hij: 'Ontferming', ik fluister het na. Roept Hij: 'Volg Mij', ik begeef me op weg. En ten spijt van alle geluidshinder van buiten en stoorzenders van binnen, die Zijn stem onverstaanbaar en verdacht willen maken, roept mijn hart: 'Zoals Jezus' stem is er maar één. Daarop zeg ik amen. Zijn Woord is oneindig meer vertrouwen waard dan alle twijfelzaaiers'.

Belijden
En wat is nu: belijden? Het is dit innerlijk beaamde, omhelsde Woord openlijk gestand doen. Zodat de gemeente het hoort op de zondag van de belijdenisdienst. En zodat de wereld het hoort op de maandag daarop. Het vat geeft uit wat het inheeft! D.w.z., met het hart geloven wij – niet omdat wij het kunnen, maar omdat we het niet laten kunnen –, en met de mond belijden wij – niet omdat de Waarheid de (moderne) mens uitkomt, maar omdat het anders niet met hem goedkomt. Trouwens, komt het ons wel uit? Lijkt ons dat: een boodschap belijden die haaks staat op de tijd en die voor dwaasheid wordt versleten of als ergernis wordt afgewezen? En lukt het ons? Met name dan wanneer belijden met lijden gepaard gaat? En dat gaat het! Luther heeft wel gelijk als hij erop attendeert, dat het belijden van Christus meteen de stervensgang van de zelfverloochening insluit. Geen belijder legt er eer mee in. Maar uitgerekend wie denkt (en voor God belijdt!): 'Het ligt me niet en het lukt me niet', en dan nochtans naar de Stem van de Meester hoort, die zal ervaren dat zijn lege vat gevuld wordt met geloof en het gevulde vat een schat aan belijden in zich bergt. Voor de binnenkant van het geloof zo goed als voor de buitenkant van het belijden staat Hij Zelf garant.

Twee handen
Ik meen dat wij het antwoord op de opgeworpen vraag gevonden hebben. Belijden wij onze gelóvigheid? Of belijden wij Hèm Die wij geloven? Het vat geeft uit wat het inheeft. En wie anders is die 'inhoud' dan Hij Die onze Zegsman is? Wij belijden wat wij van horen zeggen hebben. Uit de bron van het Woord. Dat is waar. En dit moet eerst en vooral gezegd. In kapitale letters. Maar in kleine lettertjes – hoewel goed leesbaar – voegen wij eraan toe: wat wij van horen zeggen hebben, dat vernemen wij niet alleen uit betrouwbare bron, uit Zijn eigen mond, maar hoorden en beaamden wij ook met ons eigen hart, zodat wij, door de vruchtbare inwoning van de Geest en de verborgen vereniging met Christus, op onze beurt een bron voor anderen zijn. Wij belijden Hèm, en niet ons geloof, als zou geloofsbelijdenis een demonstratie van ònze beslissing en bekeerdheid zijn. Wij hebben betere dingen te etaleren. Niettemin, de Heere en Heiland Die wij met de mond belijden, is ons dierbaar in ons allereigenste hart. Volmondig belijd ik Hèm. Hartgrondig belijd ik tevens, dat Hij de mijne is en ik de zijne ben. De 'rechterhand' van de belijdenis wijst naar Jezus' hart: Hij is ons geworden wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiliging en verlossing, opdat het zij gelijk geschreven is: Wie roemt, roeme in de Heere. De 'linkerhand' wijst naar ons eigen hart: mij, de voornaamste van de zondaren, is barmhartigheid geschied. En ook hier geldt: Wie roemt, roeme in de Heere.

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Belijdenis van het geloof, òf van de Geloofde?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's