De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Man, vrouw en sexualiteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Man, vrouw en sexualiteit

Enkele bijbels-theologische aspekten rond de sexualiteit (3)

10 minuten leestijd

De sexualiteit is een deel van het menselijk bestaan. Het mannelijk en vrouwelijk zijn is wel het grootste verschil daarin. De Bijbel laat ons zien, hoe dat teruggaat op de schepping van God. In Gen. 1 : 27 lezen we al heel aan het begin van de Bijbel, dat God de mens schiep naar Zijn beeld en dat Hij ze schiep, man en vrouw. Of, zoals er letterlijk vertaald staat: mannelijk en vrouwelijk. In dat mannelijke en vrouwelijke is de mens het ene beeld van God. Het onderscheid is niet bestemd voor scheiding, maar voor eenheid. De mens zal niet eenzaam, maar tweezaam zijn. Juist voor een echte tweezaamheid is dit onderscheid gegeven.
We kunnen aan deze bijbelwoorden ook aflezen, hoe die tweezaamheid naar buiten gericht is. In vers 26 is het beeld van God-zijn direkt betrokken op het heerschappij voeren over alle schepselen. Daarin mag de mens de vertegenwoordiger van God zijn in de schepping. Zowel mannelijk als vrouwelijk is hij/zij daartoe geschapen en geroepen. In het mannelijk- en vrouwelijk-zijn mag de mens, mens zijn op deze aarde. De man is op de vrouw en de vrouw op de man aangewezen en ze dragen wederzijdse verantwoordelijkheid. Dit is niet specifiek voor de huwelijksrelatie. Het mannelijk/vrouwelijk-zijn bepaalt heel het mens-zijn in de schepping van God. Tegelijk is uit vers 28 duidelijk dat het mannelijk- en vrouwelijk-zijn van de mens ook alles te maken heeft met de voortplanting. Het zou te veel zijn als we stelden, dat het daarin opgaat, maar het hoort er toch wel echt bij.
In Gen. 2 : 18-25 wordt dat op elkaar betrokken zijn van man en vrouw nog verder uitgewerkt. De mens moet niet alleen maar man zijn. Hij heeft het vrouw-zijn nodig. Zonder dat is hij in wezen hulpbehoevend. Hij is op de hulp, de aanvulling van de vrouw aangewezen. Hij bereikt zijn doel zonder haar niet. In de vrouw geeft God de man een hulp, die bij hem past, bij hem aansluit. Hij kan niet zonder haar. Hij is op haar aangewezen als zijn schuilplaats. In de Hebreeuwse uitdrukking speelt zelfs het element van verantwoording een rol. De man verantwoordt zich tegenover de vrouw. Ook de eenheid krijgt hier de volle nadruk. We horen Adam zeggen: Zij is been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees. Met deze zegswijze wordt een heel nauwe verwantschap aangeduid, die overigens niet beperkt blijft tot man en vrouw, vgl. bijv. Gen. 29 : 14 en 2 Sam. 5 : 1. Dat de vrouw uit de man is genomen geeft een bepaalde volgorde in hun onderlinge verhouding, vergelijk ook 1 Kor. 11 : 8, 1 Tim. 2 : 13, maar mag nooit, zoals wel in het verleden gedaan is, worden uitgelegd ten koste van de vrouw. Zij is op geen enkele manier van geringere waarde dan de man. De onderdanigheid van de vrouw aan de man, waarover Paulus schrijft, 1 Kor. 14 : 34 en 1 Tim. 11 : 11 e.a. mag dan ook niet verward worden met slaafse onderworpenheid. In 1 Kor. 11 waar Paulus kennelijk tegen de achtergrond van een heidens emancipatiestreven de vrouw haar plaats wijst, schrijft hij om alle misverstanden te voorkomen er direkt bij: Nochtans is noch de man, zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere. Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.' Beiden zijn afhankelijk van hun Schepper en zo ook afhankelijk van elkaar. In de vreze Gods zijn we ten diepste elkaar onderdanig, Ef. 5 : 21. We geven hier een sprekend citaat uit Matthew Henry's Bijbelverklaring op Gen. 2 : 21 en 22: De vrouw werd gebouwd uit een rib uit Adams zij, niet uit zijn hoofd om hem te overtreffen, niet uit zijn voeten om door hem vertreden te worden, maar uit zijn zij, om zijn gelijke te wezen, onder zijn arm om door hem beschermd te worden, en bij zijn hart om door hem bemind te worden'.
Gelijkwaardigheid is dan ook geen gelijkheid. Zonder daar nu al te uitvoerig op in te gaan, stellen we dat in de Bijbel man en vrouw ieder een plaats en taak hebben. In de menswetenschappen wordt veel gedaan om de totale gelijkheid van man en vrouw aan te tonen. Verschillen zouden slechts voortkomen uit een overgeleverd en kultuurbepaald rollenpatroon.
En zeker mag en moet zelfs wat altijd gezegd en gedacht is, kritisch worden gewogen. Maar dat er verschil is laat de openbaring van God in de Bijbel zonder meer zien. En dat verschil omvat meer dan alleen maar het lichamelijke. Ook al willen we voorzichtig zijn met al te gemakkelijk te spreken over bepaalde vrouwelijke en mannelijke eigenschappen, dan is het toch zo dat ze anders in het leven staan. Juist vanuit de eenheid van lichaam en ziel kan gewezen worden op het ontvangende van een vrouw, het verzorgende, het levensnabije, het mannelijke is meer leidend, afstandelijk en zakelijk.
Dat man- en vrouw-zijn van de mens blijft niet beperkt tot het huwelijk. Ook buiten het huwelijk en zonder lichamelijke omgang kunnen en mogen mannen en vrouwen in hun onderlinge omgang, elkaar verrijken en bevestigen in hun mens-zijn voor God.
Toch is het er wel op aangelegd. In Gen. 2 : 24 wordt aansluitend bij de vorming van de vrouw gezegd: Daarom, nu de stand van zaken zo is, zal een man zijn vader en moeder verlatenen zijn vrouw aankleven en zij zullen tot één vlees zijn.
Deze uitdrukking betreft niet alleen het sexuele, maar dat toch ook. Sexualiteit is bijbels gezien iets wat duidelijk die tweepoligheid van man- en vrouw-zijn nodig heeft.

Homosexualiteit
Homosexualiteit wordt afgewezen als in strijd met Gods bedoelingen en dus als zondig. Een achttal bijbelgegevens zijn hier min of meer relevant. Het zijn Gen. 19 : 1-9, Lev. 18 : 22 en 20 : 13, Deut. 23 : 17 en 18, Richt. 19 : 22-26, Rom. 1 : 26 en 27, 1 Kor. 6 : 10 en 11 en 1 Tim. 1 : 3-11.
We beginnen bij de woorden van Paulus in de Romeinenbrief. In deze brief stelt Paulus zich voor aan de christelijke gemeente te Rome. Hij geeft hier rekenschap van zijn inzichten. Dat zorgt voor een wat minder persoonlijk, leerstellig karakter van deze brief. Het heil van Christus is onontbeerlijk voor joden en heidenen. De heidenen leven evenmin als joden in onschuldige onnozelheid. Wat van God kenbaar is, houden zij in ongerechtigheid ten onder. Zo komen ze tot kwalijke afgoderij. Over die ongerechtigheid ligt de toorn van God, die daarin uitkomt, dat God ze overgegeven heeft aan de kwade begeerten van hun hart. In het kader daarvan noemt Paulus de homosexualiteit van zowel mannen als vrouwen. In vers 29-32 blijkt wel, dat dat niet het enige en specifieke kenmerk is van een 'losgelaten' leven.
Er wordt over deze woorden van Paulus veel nagedacht. Men benadert ze nog al eens sterk vanuit de kontekst. Zo wijst men erop, dat Paulus deze brief schreef vanuit Korinthe. Een stad, die berucht was om haar zedelijke verwildering. Paulus kon daar de schandjongens uit de tempel op straat tegenkomen. Maar daaruit kunnen we toch niet konkluderen, dat hij specifiek het oog gehad heeft op kultische ontucht. Anderen poneren, dat het in Grieks-Romeinse kultuur van die dagen vooral ging om pederastie. De sexuele verhouding dus tussen een volwassen man en een jongen. Zij was zo gangbaar, dat voor joden het heidendom erom bekend stond. Paulus' typering zou dan niet kunnen slaan op wat tegenwoordig onder homosexualiteit wordt verstaan. Uit deze opmerkingen blijkt al, hoe ook toen er verschillende vormen van homosexualiteit hebben bestaan. Toch nuanceert Paulus niet. Op andere plaatsen doet hij dat wel. Vergelijk bijvoorbeeld, hoe voorzichtig en genuanceerd hij schrijft over het huwelijk en het eten van offervlees. Het is opmerkelijk, hoe hij dat hier niet doet.
Nog weer anderen wijzen erop, dat Paulus hier een theologische verklaring geeft van het gedrag der heidenen. Zij laten die verklaring voor Paulus. We geloven echter, dat ook Paulus ook hier niet op eigen initiatief schrijft. Met zijn woorden willen we rekening houden als met woorden van God.
Veel aandacht wordt ook gegeven aan het tegennatuurlijke van de homosexualiteit, waarover Paulus schrijft. Paulus zou uitgaan van een toen gangbaar besef over wat natuurlijk en niet-natuurlijk was in de sexualiteit. Wij hebben inmiddels begrepen, dat voor sommige mensen homosexualiteit vanuit hun aanleg volkomen natuurlijk is. Vandaar dat dit woord in zulke gevallen niet geldt. Dan moeten we echter wel bedenken, dat het misschien wel zo is dat Paulus in z'n betoog gebruik maakt van een algemeen joods-hellenistische opvatting van wat natuurlijk is, maar dat echter het laatste gezag voor hem niet in de gangbaarheid van een besef of opvatting ligt, maar in de openbaring Gods. Natuurlijk is, wat naar de schepping van God is. Daarmee zijn we bij de besproken teksten uit Genesis 1 en 2. Bovendien moeten we bedenken, dat de Bijbel geen psychologieboek is en Paulus geen psycholoog. Het gaat hem niet om de aard of aanleg van mensen. Het gaat om hun handelwijze beoordeeld in het licht van de wil van God. Men kan zich dan ook niet van dit woord van de apostel afmaken met te zeggen, dat het hier gaat om heterofielen, die homosexueel handelen. Het gaat om wat mannen en vrouwen van welke geaardheid ook doen. De natuurlijk sexuele omgang wordt vervangen door een tegennatuurlijke.
Het is niet onmogelijk, dat Paulus hier aansluit bij de woorden van Lev. 18 en 20. Ook daar geldt geen specifiek cultische achtergrond. De kontekst is de heiligheid van Israël tegenover de volken. Als volk van God is het apart gesteld. En als zodanig dient het zich te gedragen. Hoe nauw dat luistert blijkt uit de straffen, die op de overtreding van allerlei wetten toen stonden. Als de Messias geboren is komen de dingen anders te liggen, omdat Hij een gruwel geworden is in Gods oog en de vloek der wet gedragen heeft.
Zijn pastorale praktijk, die we uit zijn brieven moeten opmaken, laat zien, hoe Paulus oproept om vanuit de nieuwe situatie in Christus te breken met het oude van heidendom en jodendom. In 1 Kor. 6 : 8-11 wordt hierbij de homosexualiteit met name genoemd. In 1 Tim. 1 : 8-11 wordt ze in haar algemeenheid tegen de gezonde leer genoemd en niet in overeenstemming met rechtvaardigheid. Het is nodig, dat de wet van God haar als zonde aan de kaak stelt. Opdat de gemeente onberispelijk en oprecht is, kinderen van God zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke zij schijnen als lichten in de wereld.
In de teksten van Genesis en Richteren gaat het over de brute schending van het gastrecht. Sodom wordt in de Bijbel verder als afschrikwekkend voorbeeld gebruikt. Het gaat dan vaak over het schenden van het verbond, geweld en onderdrukking in het algemeen. Vgl. Deut. 29 : 23-27; 32 : 32; Jes. 1 : 10, 17; 3 : 9; Jer. 23 : 14; Klg. 4 : 6; Ez. 16 : 49, 50. Allen in 2 Petr. 2 : 6-8 en Judas 7 gaat het meer om de sexuele kant van de zaak. We kunnen Sodomie en homosexualiteit zeker niet gelijkstellen. Wel wordt het hier aangeduid als een van de uitingen van de goddeloosheid van het volk van Sodom en Gomorra. Ook in Richteren komt homo-sexualiteit aan de orde in een sfeer van misdadigheid en bederf.
Onze konklusie moet zijn, dat gehoorzaamheid aan het woord van God geen ruimte biedt voor homosexuele praktijken. De sexualiteit kan zo ook niet in haar volle rijkdom van de ontmoeting, aanvulling, onderlinge verrijking en bevestiging van het mannelijke en vrouwelijke tot haar recht komen. Ze is niet echt voluit geslachtelijke omgang. Volledigheidshalve wijzen we hier ook nog op de sexuele omgang met dieren. Alleen maar omdat het ook met sexualiteit te maken heeft, niet alsof homosexualiteit in één adem genoemd zou moeten of kunnen worden. Deze afwijking kwam kennelijk ook onder Israël voor. Men vermoedt als zonde van de eenzaamheid bij herders. In Ex. 22 : 19; Lev. 18 : 23, 20 : 15 en 16; Deut. 27 : 21 wordt het zonder meer en krachtig afgewezen.

J. Westland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Man, vrouw en sexualiteit

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's