Indrukken uit Voorthuizense boekenbunker
Gesprek met Jac. Overeem
De boekenbunker van Jac. Overeem in Voorthuizen is ronduit indrukwekkend. Tienduizenden boeken staan her en der opgetast, in stallen en stalletjes, op hooizolders en in varkenskotten, in zoldervertrekken en achterafkamertjes. Geen wonder dat menig aankomende doctor of predikant-in-spé, maar ook menig andere boekenliefhebber Overeems boerderij oftewel boekerij bezoekt, om te zoeken wat van zijn of haar gading is of om boeken te ruilen of van de hand te doen.
Er blijft voor Overeem ook nog enige ruimte over om te wonen. In de schemerige keuken bij een snorrende potkachel, waar de vrouw des huizes van tijd tot tijd wat houtblokken inwerpt, voerden we een gesprek met Jacob Overeem, vooral gericht op vragen van het kerkelijke en geestelijke leven. Maar uiteraard kwam ook aan de orde zijn liefde tot het boek. Zelfheeft hij tientallen titels op zijn naam staan.
Krullenjongen
Overeem noemt zichzelf in literair opzicht een krullenjongen. Aan het lezen van romans heeft hij een geduchte hekel. Toch besprak hij enkele honderden boeken van dit genre in de Barneveldse Courant. Zijn vrouw las ze en hij schreef er vervolgens wat over. Zelf leest hij liever werken of preken van oudvaders. J.C. Philpot heeft dan zijn voorliefde. De affiniteit met de Reformatie is bij zulke schrijvers voelbaar, zegt hij. Zijn tijd vult hij ook door stukken of preken, die hem al lezende aanspreken, op de band te zetten; om zo door te kunnen geven aan anderen wat hem aan schatten uit het verleden onder ogen kwam.
Wat het schrijven betreft merkt hij op, dat hij op school vroeger een dom jongetje was: voor rekenen niet hoger dan een vier maar voor een vrij opstel een tien. Later zou onder een preek van prof. dr. A.H. de Hartog in Rijnsburg het verlangen om te schrijven ontwaken. Onder die preek over de tekst 'mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten maar de Heere zal mij aannemen' sprong er in zijn denkwereld iets los, dat hij nooit eerder had. Was hij voordien onvermogend iets op papier te krijgen, vanaf dat moment 'sprong het duister denken open'.
Van tijd tot tijd bezoeken ook schrijvers de Voorthuizense bunker. Er wordt ook 'schrijverskring' gehouden, ergens op de deel waar vroeger de koeien stonden, midden tussen de met boeken gevulde wanden.
Men behoeft overigens maar op een knopje te drukken als het over schrijvers gaat of Overeem weet wel een typering.
C. Rijnsdorp, de schrijver van o.a. 'Konings kinderen': 'ik wilde, dat er meer zo waren: een klassiek voorbeeld'.
Gerrit Achterber: 'als dichter de grootste maar hij kende geen zelftucht'. Maar diens gedicht 'Bekering' is machtig: 'ik was verdoemd…', gestorven in het land der levenden. Met ook die prachtige regel: 'nu is het stil geworden, gelijk een zomer om de dorpen bloeit'.
Overeem voelt zich echter meer verwant met Willem de Merode. Die heeft zijn hele leven geworsteld met de zonde ('daar wil ik bij horen'). Hoe meer deze de zonde kende, hoe dichter hij bij de Heere was. Hij populariseerde het kwaad, met name dat van de homosexualiteit, niet, zoals vandaag maar al te veel geschiedt.
Godfried Bomans: een modern mens, van alle markten thuis. 'Maar op Rottummerplaat hield hij het niet'.
Michel van der Plas schreef af en toe prachtige gedichten, zoals 'een nieuw lied voor de Heere, die vogeltjes schiep en hun (zang)wijzen voor iedere dag'.
Van allerlei moderne schrijvers hebben vooral de bloemlezingen hem geholpen; vooral van Arthur van Schendel, Bertus Aafjes, Slauerhoff.
En tenslotte, ds. Johan Poort: een persoonlijke vriend, een artist, een levenskunstenaar, een woordkunstenaar. Een man met bijzondere afwijkingen en met bijzondere genade. 'De lofprijzing is in zijn hart.'
Levensgang
Als we samen de geestelijke gang in het leven nagaan, beginnen we bij de doop. In Ede werd Overeem in 1915 – hij werd op 19 maart geboren maar is pas op 20 maart jarig wegens inschrijving op die datum – gedoopt door 'de orthodoxe' ds. J.A. van Boven: 'toen ik hem later hoorde, viel het heel goed bij mij'. Deze gooide altijd zijn vingers door zijn haren, net als prof. De Hartog.
De waarde van de doop wordt maar al te veel onderschat, 'maar de Heere legde in m'n prilste jeugd de handen op me'. De bijbelse geschiedenissen hebben hem vanaf het prilste begin aangesproken. Hij overdacht de verhalen als hij van school naar huis ging. Het christelijk onderwijs is dan ook – zegt hij – voor de jeugdige mens van het grootste belang.
Of de doop in de prediking dan vaak niet te kort komt? 'De prediking schiet altijd en in zovéél te kort: dat is niet te benoemen. Men kan nooit genoeg het werk van God in het rechte licht zetten.'
De wederdoperij gaat geheel voorbij 'aan het begin van God'. Feit is intussen wel, dat door het kerkvolk de doop wordt onderschat en het avondmaal overschat. 'Maar het verschil tussen doop en avondmaal is niet zo groot'.
Belijdenis deed Overeem bij ds. J.W. van der Linden, in die tijd predikant te Kootwijkerbroek en consulent in Voorthuizen (later gevangenispredikant). De tekst was 'opdat ik Hem kenne en de kracht van Zijn opstanding'. Voordat hij belijdenis deed had hij al avondmaal gevierd 'in de geest'. Er was namelijk al jong 'de doodsnood vanwege het Godsgemis en de kracht van het bloed aan het geweten' maar ook 'het overkomen van de hemel met onbeschrijfelijke liefde, in de sferen van het goddelijke leven; geen mond die het uit kan spreken'. Later kwam het er metterdáád van, de avondmaalsgang, ook in andere gemeenten, dit laatste vanwege een zeker (persoonlijk bepaald) zwervend bestaan in kerkelijk opzicht. Hij heeft de neiging predikanten te gaan horen, die hij graag wil horen, maar: 'mensen behoren in eigen gemeente te kerken'.
Vroeger gingen er minder mensen aan het avondmaal dan nu. De prediking was namelijk gestaltelijker. Mensen, die op Schriftuurlijke gronden genodigd werden, hadden aan kunnen gaan maar ze werden weerhouden doordat het bevindelijke element – wat bevonden móést worden en door hen dan werd gemist – de boventoon voerde. Of in uiterst orthodoxe kring: 'als ik niet uitverkoren ben…'.
Paulus heeft echter nooit zo bevindelijk gepreekt. Hij heeft de inhoud van het Oude Testament nieuwtestamentisch verklaard. Dat is bevindelijk genoeg. Het Woord moet het doen, 'niet het verhaaltje'. Door de Geest wordt de Heere uit het Woord een mens te sterk. Maar dan is avondmaalsgang 'ook een zaak van gehoorzaamheid'.
Waren er vroeger minder mensen aan het avondmaal dan er aan hadden kùnnen (mógen) gaan, vandaag mag men zich afvragen of er soms niet méér mensen aanzitten dan er werkelijk aan horen. Was het vroeger beter? Nee. Maar gelaat, gewaad en gepraat maken veel openbaar.
Dat alles geldt trouwens al voor het verkeren in Gods Huis op zìch. In Gods huis zal het, ook wat de kleding betreft, eerbiedig toegaan. Hij denkt aan meisjes met ongedekt hoofd. Over baarden en snorren van jongens valt hij niet. Integendeel, dat is in de schepping zo gegeven. Hij zegt zelf: 'Ik wilde dat alle dominees in Nederland een baard droegen', zoals Johannes Bogerman of ds. J.P. Paauwe.
Eerbied komt, als het goed is, ook in de spreekwijze in de prediking tot uitdrukking. Geen uitdrukkingen als 't u belieft als 'Heere, hartelijk bedankt' of 'De Heere houdt het wel in de gaten'. Dat zeggen we niet tòt en vàn de Heilige God. Zelfs het rechte danken is boete doen: 'waar is mijn dankbaarheid?'
Het gaat ook bij het avondmaal om de rechte eerbied. En als verder vandaag mensen het geestelijk gesprek niet voeren, ook niet willen voeren, mag men zich afvragen of er sprake is van rechte avondmaalsgang. 'Waarom ontwijken mensen soms het geestelijk gesprek?'
Vroeger
We borduren wat verder op vroeger. Hij hoorde gaarne de prediking van ds. C.B. Holland. Indrukwekkend was de prediking van ds. I. Kievit. Deze leefde zelf onder de tucht van het Woord. Mensen hingen aan zijn lippen onder de prediking vanwege het geestelijk contact. Maar als ze hem niet volgen konden, was het omdat hij zo hoog ging in Christus, niet omdat hij zo laag afstak.
Er was – zegt Overeem – een sterke band tussen Kievit sr. en Kievit jr. 'De oude Kievit preekte onderscheidenlijker, maar hij gaf zijn zoon, die meer de gemeente als geheel benaderde, de ruimte'. Met veel genoegen las Overeem dan ook het prachtige stuk over vader en zoon Kievit in de recent verschenen boeken van prof. dr. W. Balke. Balke heeft de familie gekend. Vandaag zijn er mensen, die wel veel over Kievit sr. spreken maar geen echte affiniteit met hem hebben. Er zijn vandaag niet zoveel predikers, die in de prediking op I. Kievit gelijken. Er is soms sprake van dode orthodoxie. Waren er maar meer waarvan ècht geldt 'Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken'.
En de Godsverduistering dan? Het woord zelf moeten we eerst nog eens uitleggen. Daarover zegt Overeem: 'Soms moet een mens vragen hoe ben ik aldus?' Het gaat echter om het godvruchtige leven. Een christen, die dicht bij de Schrift leeft, is het dichtst bij God. Bijzondere geestelijke belevenissen zijn in het leven spaarzaam. Maar hetgeen ten dele is wordt teniet gedaan, als het volmaakte gekomen is. De Heere houdt Zich een arm en ellendig volk over, 'dat blijft bedelen om nieuwe gunst'. Het geloof kent echter wel zekerheid. Maar dat betekent nog niet dat het altijd 'zo warm in het hart is'.
En hoe is het met de blijdschap? Blijdschap, bedoelt hij, die iets anders is dan huppelen. Die blijdschap is er inderdaad vaak te weinig na de preek.
Ds. J.T. Doornenbal
Jac. Overeem heeft drie boeken uitgegeven, waarin de schrijfsels van wijlen ds. J.T. Doomenbal uit de Veluwse kerkbode zijn gebundeld. Die boeken hebben gretig aftrek gevonden. Overeem ging vroeger altijd naar de Oener zendingsmiddagen, louter omdat Doornenbal deze opende en sloot. Ds. Doornenbal en genoemde ds. Van der Linden – waarbij hij belijdenis deed – waren dikke vrinden. Hun band lag in de godsvrucht. En daarin weet Overeem zich met hen verbonden. Maar ze waren ook beiden artist. Ze hadden beiden iets poëtisch. Van der Linden was meer een orator. Zijn eerste doel was Schriftuitleg. De kracht van het Woord moest het doen. Maar hij was er vaak zelf bewogen onder en kon dan zeer bevindelijk zijn. Men hoort het of een predikant 'eruit of erover' preekt.
Beide predikanten waren echter ook 'moderne mensen'. Ze lazen beiden de literatuur, stonden open voor de schoonheid van de taal. Doornenbal las Vestdijk en Sartre. Zou hij zelf ooit een boek geschreven hebben, dan zou de gemeente ervan geschrokken zijn. Dan zou hij te weinig zelftucht hebben gehad. Maar als hij preekte was er geestelijke charme in wat hij zei. Doornenbal was zo oorspronkelijk, dat het altijd nieuw was. Die charme lag ook in zijn diepe, maar originele eenvoud.
De Kerk
Een heel leven lang heeft Overeem het hervormd (gereformeerde) kerkelijke leven meegemaakt. Met groot respect spreekt hij over Hugo Visscher, wiens weg in de oorlog hij overigens niet kon en wilde volgen, 'maar hij was een bijbels puritein, van een ontzagwekkende eruditie'. 'Ik ben z'n vriend gebleven, ik heb váker gefaald dan hij.'
Vanwege zijn huwelijk heeft Overeem ook contacten gehad met afgescheiden kerken. Hoewel zijn schoonvader aanvankelijk vond, dat de vrouw de man moest volgen, is het huwelijk toch door ds. J. Fraanje bevestigd (vanwege het hervormde 'Galilea der heidenen'). Hij heeft in afgescheiden kring ook preken gehoord om nooit te vergeten. Ds. W.C. Lamain noemt hij 'de meest bevindelijke mens die ooit geleefd heeft'. Deze kon intussen buitengewoon amicaal omgaan met mensen, predikanten ook uit andere kerken.
Overschrijving van de hervormde gemeente van Voorthuizen naar de Gereformeerde Gemeente te Barneveld stagneerde echter intussen tòch. Men zei: Overeem is 'te remonstrants', te veel een man van 'de vrije wil'. Hij leerde vervolgens, dat hij zich nooit boven de smaad van de Hervormde Kerk zou kunnen verheffen. 'Als het niet goed ging met de Hervormde Kerk, was het ook mijn schuld'.
Samen op Weg vindt hij 'zó tegen de draad in'. Waarom een fusie van de kerken? Als gereformeerden hervormd willen worden kan dat toch? De kerken staan overal voor hen open.
De Heere heeft de Hervormde Kerk nog niet verlaten. Daarom hoopt en bidt hij om de voortzetting van die kerk. Hij zegt vervolgens: 'Ik ben blij met de Gereformeerde Bond en de Waarheidsvriend. Daarin zit een bewarend element. Het houdt de voet bij het geweer. De gereformeerde of reformatorische stroming moet geleid worden. Dan is een zekere organisatie onontbeerlijk.' Maar schotjesgeest is hem vreemd.
Met leedwezen constateert hij tenslotte, dat er candidaten zonder beroep blijven. 'Waarom kunnen ze niet ergens in Drenthe worden geplaatst?' En dan met behulp 'van collecten van de bomvolle kerken op de Veluwe!'
Afsluiting
Als we het gesprek afsluiten, komen we nog over enkele personen te spreken.
Dominee Du Marchie van Voorthuizen was 'een comediant, allegorisch tot en met, maar door genade een kind van God'. Dominees en studenten van allerlei kerken gingen hem horen.
Ds. J. van der Poel noemde Overeem eens bij name vanaf de preekstoel. 'Maar de preekstoel moet geen steekstoel maar een smeekstoel zijn.'
De schrijver J.W. Ooms schreef 'goede boeken'. In 'De Korevaars' is hij echter uitgegleden door raillerend te spreken over het spelonkjesvolk. De conventikels hebben intussen, met al hun schaduwzijden, de belijdenis der vaderen bewaard. Maar 'mevrouw Ooms komt nog regelmatig'.
Een christelijke roman heeft een boodschap, meent hij. Ook als de zonde beschreven wordt, blijkt dat, namelijk uit de afkeer ervan. Boeken, waarin de sex verheerlijkt wordt of zelfs met het bevindelijke wordt geassocieerd, verfoeit hij. Daarom was hij destijds uiterst kritisch bij de verschijning van het boek van C. Lambregtse 'Het scharlaken koord'. De bespreking in dit blad vond hij te positief.
De boeken van J.G. Veenhof zijn zonder geloofsovertuiging geschreven. 'Hij koestert niet de christelijke gedachte in zijn hart'. Bij voorkeur worden zijn boeken veel gelezen 'door jongeren, die niet naar de disco mogen'.
En tenslotte: hoe denkt Overeem over Overeem? Het was in het gesprek al duidelijk geworden. In zijn boeken benadrukt hij graag 'het positieve'. Dat allerlei boeken veel herdrukken beleefden, – 'De landbouwer van Driebergen' elf! – maakt duidelijk dat hij ergens verwoordt wat mensen beleven en denken.
En verder kan alles – zegt hij – worden samengevat in één woord: 'het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn'.
Ik verliet de boekenbunker met veel indrukken. Vlak bij de snelweg, een afgelegen en stille plek. Veel lezen is vermoeiing des vleses, zegt Paulus. Alleen die boeken in de boekenbunker al! Ze kunnen je woordeloos toespreken, zegt Overeem. Maar er wordt nog gelezen. De uitgever-schrijver Martin Ros toont zich telkens geïmponeerd door de boekenbunker. 'Hij moet dan wel een grote geest hebben om zich zo te laten imponeren door een oude boerderij met zulke eenvoudige bewoners', zegt Overeem.
Ook Overeem zelf heeft leesstof aangedragen. Zijn schrijverspad is ook niet altijd over rozen gegaan. Ooit werd een feuilleton in deze kolommen – waarom zouden we het niet eerlijk vermelden – afgebroken, omdat sommigen meenden dat personen, waaronder de dominee, herkenbaar waren. Overeem weerspreekt dit tot de dag van heden. 'Gerrit Lichtvoet in die feuilleton was een aangeklede figuur, die nooit heeft bestaan.'
Maar de tijd slijt. En de middag was om voor we er erg in hadden. Want Overeem kan onderhoudend vertellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's