De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Navolging van Christus (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Navolging van Christus (6)

9 minuten leestijd

Calvijn plaatst in zijn Institutie de navolging van Christus al direkt duidelijk in kadervan het geloofsleven: 'De bedoeling der wedergeboorte is, dat in het leven der gelovigen blijke een evenredigheid en overeenstemming tussen Gods gerechtigheid en hun gehoorzaamheid, en zij zo de aanneming bevestigen, waardoor zij tot kinderen zijn aangenomen.' (III.6.1) Anders dan bijvoorbeeld bij de Moderne Devoten, bij wie de levensheiliging moest leiden tot de gemeenschap met de Heere, is de navolging bij Calvijn juist een vrucht van die gemeenschap. Alleen wie Christus door een waar geloof is ingeplant, kan vruchten der dankbaarheid voortbrengen. Ook het leven van de heiligmaking is enkel genade. 'Daartoe is nodig, dat ons de liefde tot de gerechtigheid in onze harten wordt ingedrupt en ingebracht en dat wij een regel hebben om ons niet te laten afdwalen.' God roept ons tot Zijn dienst, omdat Hij verheerlijkt wordt, waar wij de zonde loslaten en voor Hem leven. In een tussenzin onderstreept Calvijn nog eens, dat we Christus alleen door genade kunnen navolgen: 'Wij moeten veeleer Hem eerst aanhangen om, met Zijn heiligheid overgoten, Hem te volgen, waarheen Hij ons roept.' (III.6.2)

Niet volmaakt
God heeft ons in Christus het beeld getekend, waarnaar Hij wil, dat we gevormd worden. 'Christus, door Wie wij wederom met God verzoend zijn, is ons tot een voorbeeld gesteld, om Zijn gestalte in ons leven uit te drukken.' Dat heeft gevolgen voor ieder die gelooft. Gods genade is immers nooit zonder uitwerking. 'Wat zou men werkdadiger kunnen verlangen dan dit ene?' Tegelijk waarschuwt Calvijn hen, die niets van Christus hebben behalve de naam en het teken, maar toch christenen genoemd willen worden. 'Gemeenschap met Christus hebben slechts zij, die de ware kennis van Hem uit het Woord van het evangelie ontvangen hebben; zij hebben geleerd, dat men de oude mens moet afleggen en Christus moet aandoen.' Christus navolgen betekent zelfverloochening. Dat gaat tegen de begeerten van ons hart in, want wij hebben een 'blinde liefde tot onszelf'. Daarom struikelen en vallen wij dikwijls op de weg van het geloof. Calvijn kent de onvolkomenheid van het christenleven en wil ook hen voor christenen houden, die de volkomenheid nog niet hebben bereikt. Anders zou men iedereen wel van de kerk kunnen uitsluiten, 'daar er niemand gevonden wordt, die niet nog door een grote afstand daarvan gescheiden is.'
De zwakheid van de gelovigen wordt door Calvijn benadrukt: 'niemand op aarde staat zoveel kracht ten dienste, dat hij met voldoende vurigheid zijn loop zou kunnen lopen. Wij moeten gaan, een ieder naar de mate van ons klein vermogen en de begonnen weg voortzetten. Niemand zal zo ongelukkig voortschrijden, dat hij niet tenminste een klein stukje weg dagelijks aflegt. Laat ons dus niet ophouden het hierop toe te leggen, dat wij voortdurend iets vorderen op de weg des Heeren en niet de moed laten zinken vanwege de geringheid der vordering.' Als een echte zielherder wil Calvijn de zwakken in het geloof niet ontmoedigen, maar hen juist aansporen om te volharden in de strijd van het geloof. 'Laat ons in een voortdurend streven ons hierop toeleggen, dat we beter worden dan we zijn, totdat we tot de goedheid zelf gekomen zijn.' Die volmaaktheid wordt echter pas ontvangen na dit leven, wanneer de zwakheid van het vlees is afgelegd. Hierin onderscheidt Calvijn zich duidelijk van de Middeleeuwers, die de volmaakte heiligheid najoegen, alsof die een bereikbaar doel was.

Onderweg
Eén van de hoofdzaken in de navolging van Christus is het dragen van het kruis. Dat betekent volkomen onderwerping aan de wil van de Heere. 'Dus heeft niemand naar behoren zichzelf verloochend, dan wie zich geheel zo aan de Heere heeft overgegeven, dat hij het verdraagt, dat alle delen van zijn leven door Gods wil bestuurd worden.' Zelfverloochening betekent kruisdragen op de weg achter de Heiland aan. Christus heeft Zelf gehoorzaamheid moeten leren uit hetgeen Hij heeft geleden. Zo gaf Hij ons in Zichzelf een voorbeeld der lijdzaamheid en leert Hij ons door Zijn Geest 'als trouwe metgezellen' Zijn voetstappen drukken. Het kruis brengt lijden mee, maar 'als wij op de Zoon van God onze ogen slaan, zo wordt de bitterheid verzoet. Want wie wilde die Voorganger weigeren te volgen?'
Onder het kruis is een christen onderweg. 'Het tegenwoordig leven is voor de Zijnen een zekere reis, waardoor zij trekken naar het hemelse Koninkrijk.' Daarom is het goed, het toekomende leven te overdenken. Dat kan alleen, als wij het tegenwoordige leven op de juiste waarde hebben leren schatten: de wereld gaat voorbij met haar begeerlijkheid. Daarbij is het één van beide: 'of de aarde moet ons waardeloos worden, of zij moet ons in ongebreidelde liefde tot zich vasthouden.' Tegelijk blijft waar, dat het leven op aarde 'een geschenk is van Gods goedertierenheid'. Maar het hoogste is toch, dat wij weten van een ander leven, dat niet vergaat. 'Het kruis van Christus triomfeert dan eerst in de harten van de gelovigen over de duivel, het vlees, de zonde en de goddelozen, wanneer hun ogen gericht worden op de kracht der opstanding.'

Wie Christus navolgt, moet de wereld zo gebruiken, alsof hij haar niet gebruikt. Dat leidt echter niet tot een zure, negatieve levenshouding, zoals sommigen Calvijn willen toeschrijven. In onze tijd heeft het woord 'calvinistisch' in de media een negatieve klank; het wordt verbonden met ascese en somberheid. Calvijn heeft integendeel een heel afgewogen visie op de navolging van Christus in het dagelijks leven. Dat is een duidelijk verschil met Thomas à Kempis, bij veel meer sprake is van 'wereldverachting en miskenning van des mensen aardse levenstaak' (Bavinck). Dat onderscheid komt goed uit, wanneer Calvijn schrijft: 'We kunnen ook die dingen niet vermijden, die meer genot dan noodzakelijkheid schijnen te dienen. Wij moeten dus maat houden, om ze met een zuiver geweten te gebruiken.' (III.10.1) Daarmee komen we op een 'glibberig terrein'. De ascese van sommigen wordt door Calvijn 'rijkelijk streng' genoemd; hij veroordeelt de onmatigheid van anderen. God roept ons niet op, het gewone leven los te laten, maar wil, dat wij Hem daar dienen. Wetend, hoe moeilijk het is om de juiste maat te houden, geeft Calvijn raad, hoe christenen moeten omgaan met de dingen, die zij in deze wereld ontvangen. 'Dit zij het beginsel, dat het gebruik van Gods gaven niet van de rechte weg afdoolt, wanneer het gericht wordt tot dat doel, waarvoor de Gever Zelf die gaven voor ons geschapen en bestemd heeft: tot ons welzijn en niet tot ons verderf' (III.10.2).
Daarbij zijn schoonheid en blijdschap niet bijvoorbaat uit te sluiten of te veroordelen, maar gaven van de Heere. Het voedsel is niet alleen tot nooddruft geschonken, maar ook tot genieting en blijdschap. In de kleding was niet alleen de noodzaak, maar ook de sierlijkheid en de eerbaarheid Gods bedoeling. 'De natuurlijke gaven der dingen zelf tonen genoegzaam aan, waartoe en in hoeverre men ze mag gebruiken. Of zou de Heere de bloemen een zo grote schoonheid geschonken hebben, die zich vanzelf aan onze ogen voordoet, een zo grote lieflijkheid van geur, die in onze reukorganen komt, en zou het dan niet geoorloofd zijn, dat de ogen getroffen worden door die schoonheid, of de neus door die heerlijke geur?' (III.10.2) De grauwe monnikspij en het voortdurend vasten van Franciscus en anderen vinden geen steun bij de Reformator. 'Weg dus die onmenselijke filosofie, die doordat ze slechts het noodzakelijk gebruik van het geschapene toestaat, ons niet alleen boosaardig berooft van het geoorloofde gebruik der Goddelijke weldadigheid, maar ook zich niet kan handhaven zonder de mens van al zijn zintuigen te beroven en tot een blok hout te maken.' (III.10.3)
Tegelijk waarschuwt Calvijn, dat de lusten van het vlees binnen de perken gehouden moeten worden, zodat overdaad voorkomen wordt. Daarom is het nodig, het tegenwoordige leven op de juiste waarde te schatten. Dat kan alleen wanneer wij de rijkdom van het toekomende overdenken. Daarmee heeft Calvijn beide uitersten vermeden en tegelijk het hoofddoel van de navolging aangewezen: we zijn mensen onderweg naar Gods toekomst. Praktisch als hij is, wijst hij ons tegelijk op de noodzaak bij alles wat we doen te rekenen met de roeping, die God ons gegeven heeft. Waar God ons geplaatst heeft, wil Hij door ons gediend worden. Dat blijkt ook in zijn commentaren. Wanneer hij spreekt over de roeping van de discipelen, merkt Calvijn op, dat niet iedereen geroepen wordt zijn vorige levenswijze te verlaten of al zijn bezit op te geven. 'Niemand doet meer afstand van al wat hij bezit, dan wie, elk ogenblik bereid alles te verlaten, zich als vrij en ongebonden, geheel de Heere ten dienste stelt en alle beletselen overwinnend zijn roeping vervult.' Verloochening van onszelf bestaat niet zozeer in uiterlijke daden, maar in de hartelijke overgave van alles aan Christus.
Op meerdere plaatsen wordt duidelijk, dat Calvijn grote moeite heeft met de gedachte, dat de eigenlijke weg tot de volmaaktheid bestaat in het opgeven van alle rijkdom om als monnik te leven. Hij noemt die gedachte meer dan belachelijk en stelt, dat een boer, die met het werk op het land zijn gezin voedt, zou zondigen als hij zonder enige noodzaak dat land verkocht. Het is een groter deugd om te bewaren wat God ons gegeven heeft, ons spaarzaam en sober te voeden en de armen een deel te geven dan alles weg te werpen. Het komt erop aan, dat 'de zoetheid van Christus' genade alle aanlokselen van het vlees hun smaak zal ontnemen. 'Telkens wordt de navolging vanuit Christus gerealiseerd. Hij is het Voorbeeld, maar ook de werkende Oorzaak, zodat tenslotte de conclusie getrokken kan worden: 'Niemand kan een erfgenaam der hemelen zijn, die niet tevoren de eniggeboren Zoon van God gelijkvormig is geweest.'

A.W. van der Plas, Waddinxveen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Navolging van Christus (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's