De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrucht op het werk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrucht op het werk

10 minuten leestijd

Onze Heere Jezus heeft eens een woord gesproken, dat elke dienaar des Woords zich voortdurend voor ogen moet stellen. Een ander is het die zaait en een ander die maait. Ik heb u uitgezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid en gij zijt tot hun arbeid ingegaan. De spreuk, die in het gewone leven smartelijk menselijk onrecht, nijd, afgunst, geweld demonstreert, zodat de een geniet of profiteert van datgene, waarvoor de ander heeft gezwoegd, wordt op de akker van het Evangelie in heerlijke en hartelijke vreugden doorleefd. De profeten, Johannes de Doper, Jezus zelf – dat zijn de anderen – zij hebben gezwoegd; de discipelen mogen oogsten, wat zonder hen en buiten hen is gezaaid.


Deze gedachtengang kan ons iets leren voor de juiste houding van iedere predikant. Wij moeten ons namelijk nooit verbeelden, dat het Evangelie met ons begonnen is in een gemeente. De genade is er al, vóórdat wij in een bepaalde plaats kwamen. Eeuwenlang is er doorgaans al gepreekt en gecatechiseerd. In een geordende gemeente wordt dit alles al in een lange keten vóór onze komst gedaan. Wanneer wij daar nu komen, gaan wij op de arbeid van het voorgeslacht in. Dat houdt in, dat twee eigenschappen door ons bestreden moeten worden.


In de eerste plaats hoogmoed. Goed – het is wel vleiend, wanneer de kerk goed bezet is. Als uit een naburige gemeente deze en gene eens komt en een vrij geregelde kerkganger wordt. Ja, het wil er bij ons in, als op het huisbezoek de leden van de gemeente hun ingenomenheid met onze prediking en arbeid duidelijk te kennen geven. Wij vinden het mooi, wanneer sommigen, die vroeger nooit naar de kerk kwamen, nu trouwe bezoekers worden. Ja, het doet ons wat, wanneer we een zekere naam maken in de omgeving; als het gerucht ons bereikt, dat men ons graag hoort. Vooral streelt het ons, als op het einde van de vier jaren al hoorders komen en enkele beroepen ons ten deel vallen.


In de tweede plaats moeten wij vechten tegen ontevredenheid. Het is ook teleurstellend, wanneer langzamerhand deze of gene kerkganger wegblijft; of wellicht in een andere kerk of lokaal voedsel zoekt. Het vermoeit, als wij niet voorwaarts komen en telkens weer dezelfde bezwaren tegen ons worden ingebracht; het fnuikt, als dezelfde zonden telkens zich weer voordoen en wij met al onze ijver en vermaning het niet klaren kunnen het peil van de gemeente te verhogen. Er blijft eenzelfde grauwe geestelijke sfeer, hangen; de gemeentetheologie wordt niet doorbroken; er ligt over het gehele leven der gemeente een dodelijke traagheid. Die ontevredenheid is vaak enkel gekrenkte trots. Wij doen ons werk toch zo goed, het verdiende meerder vrucht!…


Wat nu de hoogmoed betreft – die kunt u overal vinden. Stelt u zich vóór, een zoekende ziel wordt onder onze prediking tot de blijdschap gebracht van het vinden of het gevonden zijn en spreekt met tranen van vreugde tegenover ons van de zegen onder de prediking genoten. Kijk, dan springt het duiveltje van de hoogmoed op onze rug en lispelt ons iets in over onze voortreffelijke arbeid. Wij zweven al de hoogte in. Maar laten wij wel nuchter zijn. Wat in de prediking de toehoorder zozeer getroffen had, was vaak niet hetgeen wij hadden gezegd, maar wat hij naar aanleiding van ons spreken had gedacht, wat er toen bij hem omging en wat hij vermengde met onze woorden. Het was de Geest des Heeren, die daar onder en door het Woord zich krachtig betoond heeft. Maar daar glijden wij gemakkelijk overheen. Onze eigenliefde wil toch het hare hebben. Weet u, wat dan niet zeldzaam gebeurt? Diezelfde hoorder, die eerst zo opgetogen over ons was, die enkele lof over onze prediking had, verdwijnt op een goede dag uit de kerk; wij zien hem nergens meer. En opeens – dan lopen wij hem na vele weken weer tegen het lijf. Hij kijkt ons schichtig aan, hij probeert ons listig te ontlopen. Probeer toch niet hem met alle geweld te vangen. Vandaag of morgen hoort u wel, wat de reden van zijn verdwijning is geweest. Een nieuwe ster is aan zijn hemel verschenen. Daar vindt hij meer geestelijk licht. U kunt het niet halen bij de nieuwe vondst. Er zijn nu eenmaal veel van die springers in de gemeente. Zij houden het niet bij een vaste gang. Ze wapperen van het ene naar het andere. Het zijn eigenlijk geestelijke snoepers.


Weet u wat er dan bij ons gebeurt? Er komt een verbittering in ons hart. Wat is die man ondankbaar! Bij ons ging het licht hem toch op onder de prediking? Het mag wel waar zijn – maar een beetje meer geestelijk inzicht had ons hier wel kunnen helpen. Hadden wij maar eenvoudig gelet op hetgeen die man tot licht bracht, wij zouden minderhoogmoedig en nu ook minder verbitterd tegen hem zijn. Wij zouden toen ook reeds hebben opgemerkt, dat het zaad sedert lang was gestrooid, maar nog in de aarde sluimerde. Op de tijd des Heeren vertoont het zich boven de grond.


Wij moeten diverse factoren bezien. De zonnestraal kan niet zeggen: ik ben de oorzaak van de vruchtbaarheid van de akker. Maar dat kan de lenteregen evenmin. Als de akker tevoren niet bewerkt was en het zaad er niet in was gestrooid, dan zou zich geen enkele tarwehalm vertonen. Zonnestraal en lenteregen werken alleen maar mee om het jonge plantje te voorschijn te roepen. De plant, die nu gaat groeien, heeft om rijp te worden iets anders nodig dan wat de lente haar kan aanbieden: meer warmte, hitte zelfs, is voor haar onmisbaar. Een klein kind vaart eerst wel bij melk, soms zelfs bij zeer aangelengde melk, maar als het opgroeit, begint het al meer behoefte te krijgen aan vaste spijs. Kijk, wanneer wij nu nog jong zijn als predikant, dan kunnen wij uiteraard niet veel meer dan rnelk bieden. Wij geven melkpreken. Wie kan het anders verwachten? Het is geen wonder, dat deze preken niet ten volle voldoen. Daar moeten wij maar niet boos om worden.


Het kan gebeuren, dat wij van mening zijn, dat het brood, dat die zoekers begeren, zo hard is gebakken, dat de korst bijna ondoordringbaar is. Laten wij dan niet denken, dat het hun om die korst te doen is, het gaat om het brood. Licht komt dan wel eens bij ons de neiging om de hoek kijken ook wat meer gewicht te leveren. In plaats van melkpreken zoeken we opeens volkorenpreken. Wij zetten opeens een andere toon aan. Een diepere laag van dogmatiek; wij hanteren vaststaande termen; wij gebruiken reeksen holle frasen. Heel diep in ons hart begeren wij die zoekers van weleer terug. Wij willen hun waardering terug.


Maar, ach lieve, het gelukt toch niet. Men heeft gauw dóór, dat die dingen niet behoren bij het overige wat wij bieden. Het blijkt, dat wij geestelijk op stelten lopen. Intuïtief bemerkt men het aan ons: zo'n bleek jong gezicht en zo'n toon van een preek – dat kan eenvoudig niet. Mensenkenners gevoelen de onwaarachtigheid van het hele gedoe. Je gaat bijna hardop gillen. Het is heerlijk wanneer in een gemeente gezonde hoorders zijn, die dit hele toneelspel ontmaskeren. De gemeente vaart er wel bij. Al te zeer gelukt het in de godsdienst een grote schijn op te voeren. Zozeer zijn wij eraan gewend geraakt, dat het geestelijke altijd hetzelfde moet zijn als zeurig, taai en saai. Laten wij zulke dingen met heel ons hart schuwen. Maar – op onze beurt nu ook weer niet vallen in de modegril van vlotdoenerij, een geestelijke jovialiteit, die evenzeer onecht is. Misschien is het wel zo, dat het zalvende onder ons gaat verdwijnen, maar een luchtigheid onder ons opkomt, die evenzeer onecht is.


Weet u, wat wij nodig hebben? Zelf op te wassen in de kennis van Christus. Natuurlijk kunnen wij onszelf geen groei geven. Dat is waar. Maar aan de andere kant wil de Heere de wasdom geven aan wie het hart ootmoedig voor de invloed van Zijn persoon en Zijn Woord openzet. De bede uit het Onze Vader kan daarbij leidraad zijn: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen. Zie, dan geven wij meer dan ooit ernstig acht op onszelf om al wat de wasdom verhindert te bestrijden. Wij worden evenzo meer ingeleid in de kennis van onze eigen noden en behoeften. Maar wij leren ook beter verstaan wat wij in Christus bezitten. Zo zal de tijd wel weer aanbreken, dat zij, die vaste spijzen behoeven, die ook in onze prediking vinden. Laten wij in ieder geval alle kunstmiddelen vermijden, alle surrogaten. Hier eens huilerig optreden, daar eens melancholiek in de verte kijken, elders weer een paar gewilde dogmatische termen in de preek aanbrengen – dat maakt een preek nog helemaal geen vaste spijs.


Wat nu de ontevredenheid betreft – die verzuurt ook honderden. Stelt u zich voor, je staat in een gemeente, maar het is daar als een rotsgebergte. Er zijn geen tekenen van nieuw leven te bespeuren. Er ontdooit nooit eens iets. Geestelijke verstarring is de boventoon. De prediking wordt aangehoord, met belangstelling zelfs, maar daar blijft het ook bij. Jarenlang soms werken wij daar, wij komen desondanks niet verder. Het is om uiterst verdrietig onder te worden. Waar ligt het aan? Zijn wij soms te zeer ingenomen met onze prediking, dat wij van de voortreffelijkheid van onze stukken en van onze aangrijpende voordracht heil verwachten? Het is dan de goedertierenheid Gods, dat Hij ons onze afhankelijkheid van Hem recht doet gevoelen. Of ligt het aan onze traagheid, aan onze eigenschap de dingen maar op hun beloop te laten? Ook dan is het genade, als ons die tot last, tot zonde wordt. Want de gemeente lijdt eronder.


Is er liefde tot de gemeente, dan leidt die onvruchtbaarheid tot zelfbeproeving en zelfverootmoediging. Het komt ons voor, dat wij tot dat tweetal het meest moeten doordringen. Echt zelfonderzoek nadert tot het besef van onze volkomen verlorenheid in onszelf. Wij worden ons hoe langer hoe meer bewust hoe Christus voor onze zonde zich moest offeren aan het kruis. Het is daar met al onze predikantsglorie gedaan. Wij worden er alleen verlegen voor de Heere. Maar dat dieptepunt is niet het eindpunt. Het werk zal ook dan telkens weer met vernieuwd gebed worden opgezet. Het zaad wordt gestrooid in de naam des Heeren en tot Zijn eer. En wordt er dan nog geen leven zichtbaar, wij mogen geloven, dat de Heere het goede zaad niet onvruchtbaar zal laten. Maar het moet zijn tijd hebben. Anderen hebben gestrooid en wij zijn tot hun oogst ingegaan. Zo strooien wij op onze beurt en anderen zullen tot onze oogst ingaan.


Het wordt een keten van zaaien en maaien – de eeuwen door. Hoe meer wij arbeiden, des te meer worden wij ervan overtuigd, dat het niet onze oogst is, maar die des Heeren. Het is misschien één van de grootste blijken van het ongelovig ongeduld van deze tijd, dat wij direkt al resultaten willen zien. De haast en de drukte in het gemeentelijk leven van tegenwoordig willen niets meer overlaten aan God. Elk moment moet er geconfereerd worden, gefedereerd, gedelibereerd en geëvalueerd. Als er niet gauw genoeg in de tuin iets opkomt, dan wroet men al in de grond om te zien of het zaad nog niet ontkiemde. Daardoor kwetsen wij de tere kiempjes of stoten ze af en er komt niets van terecht. De predikant moet evenals de landbouwer lankmoedig zijn over het uitgestrooide zaad. Wij hebben de roeping om getrouw te zijn in het opgedragen werk. Daar komt voor ons gevoel tegenwoordig veel overbodig werk bij. Reizen, trekken, vergaderen, veel boeken schrijven, die niemand leest. Wonderlijk, dat het stille werk ook het diepste is. Wij moeten slechts wachten totdat de Heere het zaad uit de diepte laat rijpen. Geen ding maakt ootmoediger dan dit!

A. van Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De vrucht op het werk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's