De staties van de Via Dolorosa
Leer mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten…
Met stille stap volgen onze voeten de gang, die onze Heere ging naar Golgotha. We lopen op de Via Dolorosa, de weg der smarten, die de Man van smarten eens is gegaan. Kennelijk ervaren we, wat iemand eenmaal schreef: Wie deze weg met eerbied volgt, ziet zichzelf gaan in de voetstappen van zijn Meester. Zien we onszelf gaan? Wie iets mag beleven van dit heilig gebeuren ziet Hèm gaan, dragend zijn kruis.
Een ander spreekt: als we deze weg betreden, bedenken we, dat dit het beginpunt is van een weg van eindeloze vernedering. Een derde geeft zijn gevoelens weer met woorden, die gewagen van een van de meest gewijde plaatsen van het christendom. Het doet ons denken aan de doodsstrijd van Jezus, nadat Hij het rechthuis van Pilatus had verlaten en beladen met het kruis naar Golgotha ging. De schrijver weet, dat de gewoonte van de Romeinen was om een veroordeelde door de hoofdstraat naar de gerechtsplaats te leiden. Dat was de weg van smarten, die Jezus is gegaan, de Via Dolorosa.
Ach, ik weet wel, dat men niet altijd deze straat daarvoor heeft gehouden. Eerst in de middeleeuwen noemt men dit de Via Dolorosa. We weten ook wel, dat de oorspronkelijke straat veel lager heeft gelegen. Na iedere verwoesting van Jeruzalem ruimde men het puin niet weg, maar bouwde daarop verder. Wie dan ook in de kerk van de 'dames van Sion' komt, daalt een meterslange trap af om het oorspronkelijk niveau van de kruisweg te bereiken. Maar we zijn hier niet om te meten maar om te mediteren, niet om na te pluizen maar om na te denken, te denken en te danken, dat de Heere deze weg voor zondaren is gegaan.
We komen langs de veertien staties van de Via Dolorosa in de heilige stad. Met statie bedoelen we 'elk der plaatsen, waar Jezus op weg van het huis van Pilatus naar Golgotha zou hebben stilgehouden of geleden en waar pelgrims bidden'. Nu weten wij wel, dat de ware aanbidders de Vader aanbidden in geest en waarheid – Johannes 4 : 23. Toch brengen meerdere van deze staties ons tot stilzijn voor God en tot gebed.
Dat geldt zeker voor de eerste van de veertien staties, een van de plaatsen, waarvan met grote waarschijnlijkheid, wellicht zekerheid kan worden gezegd, dat de Heere daar is geweest. We dalen de lange trap af in de kerk van de 'dames van Sion'. Nu staan we op Gabbatha. De vertaalde naam – Lithostrotos – geeft de situatie duidelijk weer, het is een geplaveide ruimte met stenen uit de tijd van de Heere Jezus. In gedachten zien we de Heere staan, we horen de stem van de weifelende stadhouder en de wilde roep 'Kruis Hem, kruis Hem!
Voor Gabbatha staan de verdwaasde Joden
en krijsen wild het 'Kruis Hem! Kruis Hem!' uit;
verguizen dien ze kort'lings nog vergoodden,
laaghartig door hun leidsliên opgeruid.
We zien de Heere daar staan voor Pilatus:
Wie brengt de grijze rechter daar
ten rechtshuis uit in 't openbaar
door zijnen hofsoldaat ten toon?
gekroond met ene doornekroon…
Maar er is meer. In enkele stenen staan lijnen gekrast. Zoals bij ons kinderen op de stoep een spel uittekenen om dat straks te gaan spelen, zo hebben destijds soldaten in deze stenen met krassen de lijnen getrokken voor hun spel. Het blijkt een koningsspel te zijn geweest, een spel met een 'koning', zoals wij dit kennen bij het schaken. Een koningsspel, dat zij straks zullen spelen maar zonder dobbelstenen, met de Koning der Joden. Zij zullen die Koning kronen met doornen. Hem een purperen mantel om de schouder werpen, een rietstok geven in Zijn hand en voor Hem knielen: Koning der Joden wees gegroet. Om dan bij de gedachte, dat ooit een Joodse Messiaskoning hen zou dwingen te buigen voor hem op te springen en in redeloze wreedheid Hem te slaan. Dat alles heeft zich hier voltrokken. We zien het voor ons en weer komt een lied in onze gedachten:
Is dat, is dat mijn Koning,
dat aller vaad'ren wens,
is dat, is dat zijn kroning?
Zie, zie aanschouw de mens.
Moet hij dat spotkleed dragen,
dat riet, die doornenkroon,
lijdt hij die smaad, die slagen.
Hij, God, Uw eigen Zoon?
En dan te bedenken, dat 'dit alles is voor mij geschied'. Voor mij… Lang zouden we hier willen blijven, maar de volgende statie wacht ons. Het is de plek, waar de soldaten het kruis op de schouders van de Heere hebben gelegd. Hij dragende Zijn kruis ging uit… We leerden, dat het kruis smartelijk is, smadelijk en vervloekt. Nu zien we de Heere gaan, gebogen onder Zijn kruis. De Barmhartige met het kruis, dat wreed is. Noemde een Romein uit die tijd de kruisiging niet de meest wrede straf? De Verhevene draagt het teken van de schande, de Heilige het teken van de vloek. Stil zien wij Hem gaan:
Daar gaat een Lam en draagt de schuld
der wereld met zich mede;
het boet in eindeloos geduld
voor al wat wij misdeden.
Daar gaat het en het wordt zo moe,
stil gaat het naar de slachtbank toe…
De derde statie spreekt ons minder aan. De overlevering meent te weten, dat de Heere drie maal onder het kruis zou zijn gevallen, maar de Schrift spreekt daar niet van. Zelfs wordt er niet verteld, dat de Heere eenmaal onder het kruis zou zijn bezweken. Sober vertellen drie evangelisten alleen, dat de soldaten Simon van Cyrene, die van de akker kwam, dwongen het kruis te dragen. Was de Heere werkelijk gevallen of dreigde hij te bezwijken en grepen de soldaten daarom al in?
De ontmoeting van Jezus met zijn moeder, die de vierde statie weergeeft gaan we voorbij, want ook daar zegt de Bijbel niets over. Te meet spreekt ons echter de vijfde aan. Op de hoek van een kleine zijstraat staat een kapel. Het straatnaambordje vermeldt in drie talen de naam van onze straat. In drie talen; zoals op het kruis in drie talen, Hebreeuws, Grieks en Latijn de beschuldiging van Jezus stond, zo staat hier in drie talen de naam van de straat: weer in het Hebreeuws, het Latijn en dan ook in het Arabisch. Boven de ingang van de kapel lezen we, dat hier Simon van Cyrene het kruis van Jezus overnam om te dragen. Dat dit juist hier plaatsvond begrijpen we, als we bedenken, dat in Jezus tijd hier een stijle helling begon; de last van het kruis zou Hem bij het bestijgen daarvan te zwaar zijn geworden.
Ons komen woorden uit een oud geschrift van onze kerk in gedachten, woorden voor mensen die spoedig zullen sterven: Help ons met Simon van Cyrene het kruis te dragen. We bidden het na en tegelijk danken wij, dat niet wij het kruis dragen maar dat het kruis ons draagt, dat de Kruiseling ons draagt ook in onze uiterste ure.
De zesde statie verlaat weer de eenvoud van het Woord. Hier zou de vrouw van een Fransman, die in Romeinse dienst was vol mededogen aan de Heere een doek hebben aangereikt om het bezwete en bebloede gelaat te drogen. Op deze doek zou daardoor het gelaat van Jezus zijn afgedrukt. De 'zweetdoek van Veronica' is nog te zien, maar kortaf zegt iemand ons, dat zelfs rooms katholieke geleerden aan deze doek weinig waarde toekennen.
Neen, niet deze doek vertoont het gezicht van de Heere. Maar wie er over nadenkt, komt een psalmregel in gedachten: Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht. In ons hart rijst het blijde antwoord, zoals we dit lezen in de berijmde psalm:
Dat wil, dat zal ik doen, ik zoek de zegen
alleen bij U, o Bron van troost en Licht.
Maar we worden gestoord in onze overpeinzingen.
Met eentonige stem smeekt een bedelaar om een gave. Luid roepend met harde stem tracht een zwaar beladen lastdrager ruimte te krijgen om te kunnen passeren. Een boer drijft zijn ezel met manden vol vruchten op zijn rug tussen de mensen door. En twee mannen maken ruzie; met steeds bozer gebaren bedreigen ze elkaar en maken harde verwijten. Bedenken deze mensen dan niet, dat ook zij op de Via Dolorosa zijn? Op gewijde grond en dat er wel andere dingen zijn dan waarom zij zich druk maken?
We moeten er aan denken, dat, toen Jezus naar het kruis werd geleid, het niet anders zal zijn geweest. Misschien hebben zij even een blik op de kruiseling geworpen en daarna ging het leven van elke dag gewoon door.
Alleen daar? Wie in de lijdensweken zichzelf beziet, weet, dat het bij ons vaak niet anders is. We horen de lijdensprediking, zingen de psalmen van het lijden van onze Heere, maar verder? Kort geleden klaagde iemand in ons blad, dat men ook in deze tijd zijn leventje voortleeft zonder concentratie op Jezus, Zijn wonden, Zijn striemen, Zijn bidden. Zijn bloed. Zijn dood. We vouwen verschrikt onze handen en bidden:
Leer mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten,
in deze zee verzinken mijn gedachten.
O Liefde, die om zondaars te bevrijden,
zo zwaar woudt lijden.
Nu zijn we de stadspoort genaderd; een oude zuil, een overblijfsel van dit gebouw trekt onze aandacht. Hier werd naar de gewoonte van die tijd het vonnis aangebracht van de veroordeelden. Van Jezus kunnen we zeggen: een vonnis, dat Hij niet had verdiend. Hij niet, maar wie dan wel? We herinneren ons een koraal uit de Mattheüspassion:
Ik ben het, ik moest boeten
aan handen en aan voeten
gebonden in de hel…
Nu naderen we de achtste statie. Jezus ziet de wenende vrouwen, de dochters van Jeruzalem. Wellicht waren dit dezelfde vrouwen, die uit medelijden met de kruiselingen zorgdroegen, dat op de kruisheuvel een kruik stond met een verdovende drank om het eerste lijden enigszins te verzachten. In elk geval zijn zij bewogen over het lijden van Jezus. Bewogen zijn zij stellig, maar begrijpen waarom het gaat doen zij niet. Bewogenheid in de lijdenstijd is nog geen bekering! Terecht klaagt een bekend lied:
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer;
ik weende om de pijn van mijn lijdenden Heer,
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon had gevlochten. Zijn beker gevuld.
De negende statie, waar Jezus opnieuw zou zijn gevallen, willen we snel voorbijgaan. Maar wel worden we herinnerd aan onze val in Adam. Ook denken we eraan, dat we uit zwakheid zo vaak in zonde vallen. Of Jezus hier gevallen is, weet ik niet, maar wel, dat wij, omdat Hij het kruis heeft gedragen, niet aan Gods genade behoeven te twijfelen. Voor onze val heeft de lijdende Borg betaald met Zijn bloed.
De laatste vier staties bevinden zich in de Grafkerk; de kerk, die gebouwd is over Golgotha en over het graf van de Heere.
Hoe we deze plaats zo nauwkeurig kunnen aanduiden?
Daar hebben de heidenen voor gezorgd!
Over de 'heilbrengende heuvel' hebben zij puin uitgestort, veel puin om die helemaal te bedekken. Daarop heeft men een tempel gebouwd voor een van hun godinnen om zo de gewijde plaatsen voorgoed aan het oog te onttrekken en onbereikbaar te maken voor christenen. Maar
schoon de heid'nen samen
list op list beramen
God verbreekt hun raad.
Juist daardoor werd nauwkeurig de plaats bewaard in de herinnering van Golgotha en graf. Zo kon men in later tijd deze tempel afbreken en op dezelfde plaats de kerk bouwen, die beide plaatsen overwelft.
In de kerk vinden we de elfde statie, de plaats, waar de soldaten Jezus Zijn klederen hebben afgenomen. Staks zullen ze daarom dobbelen… We huiveren als we hieraan denken. Eens had de Vader van onze Heere de beschaamde mens gekleed, nu wordt de Zoon door mensen ontkleed:
Schamel en bloot
stierf Hij de dood,
arm uitermaten…
Maar daardoor is het, dat allen, die in de Gekruiste mogen geloven, het wonder beleven: hun vuile klederen worden weggedaan, zij zullen bekleed worden met de klederen van het heil, de mantel der gerechtigheid. Straks zullen zij staan voor de troon van God en van het Lam en bekleed met lange witte klederen en palmtakken in hun handen. Eeuwig brengen zij Gode eer en heerlijkheid. Hoe groot zal dan de dank en aanbidding zijn. Zullen we hier blijven en in stille verwondering verder mediteren? We mogen al deze plaatsen toch niet als toerist voorbijgaan. Zij vragen er om, dat de toerist pelgrim wordt.
Maar ons wacht de elfde statie. Hier werd de Heiland aan het kruis genageld. De handen, die hadden geheeld en gezegend worden doorboord. De voeten van Hem, die meer dan iemand voor of na Hem het goede had geboodschapt en de vrede had doen horen worden doorgraven. Bij iedere hamerslag dreunt het in onze oren en in ons hart: Voor ons, voor ons… Nu staan we – de twaalfde statie – op de plek waar het kruis werd opgericht. We horen de stem van het kruishout met de zeven heilige woorden. Een oud lied komt in gedachten:
Het dorre kruishout groende
droeg rozen van gena,
toen Christus ons verzoende
op 't bloedig Golgotha.
Ja, Golgotha. Het kruis is er niet meer, maar de rots, die het kruis heeft gedragen is onder onze voeten. Een zilveromrande ring duidt aan, waar het kruis heeft gestaan. In die ring is een opening: we kijken er in en zien Golgotha. Hier daalde het bloed van onze Heere neer op de rots, deze rots werd besprenkeld met het bloed en water, dat uit de doorboorde zijde van de Heere vloeide.
Ja, amen ja
op Golgotha
stierf Hij voor onze zonden,
en door Zijn bloed
wordt ons gemoed
gereinigd van de zonden.
Hier kan men alleen nog maar knielen en aanbidden.
Nog is de rij van staties niet ten einde. De dertiende wijst de plek aan, waar de Heere werd gebalsemd. We denken aan Maria, de moeder des Heeren, aan Maria van Magdala. Ook aan Jozef van Arimathea en aan Nicodemus; die wel laat toch ook is gekomen. Heeft hij gedacht aan de woorden uit het nachtgesprek, dat zoals Mozes de slang had verhoogd de Zoon des mensen verhoogd zou worden, opdat ieder, die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwig leven hebbe?
Stil weemoedig horen we de klanken van het slotkoraal van de Mattheüspassion:
Wij zetten ons met tranen neder
en roepen nog in 't graf U toe:
rust nu zachtkens, zachte rust…
Nog een statie ligt voor ons: de laatste is die bij het graf van Jezus. Aarzelend en bijna verlegen gaan we het graf binnen. We zien de steen, waarop het lichaam van de Heere heeft gerust. Fluisterend – want wie durft hier hardop te spreken? – zegt iemand: Ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.
Maar terwijl we daarover denken, lijkt het of we de stem van de engel horen zeggen: Wat zoekt gij de Levende bij de doden? Hij is hier niet, want Hij is opgestaan!
Geen graf hield Davids Zoon omkneld;
Hij overwon, die sterke Held.
Hij rees uit 't graf door eigen kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.
De Via Dolorosa eindigt bij Pasen! En omdat hij bij Pasen eindigt eindigt hij niet, want het onvergankelijk leven is Hem geschonken. Hem en allen, die in Hem geloven.
Onze reis langs de veertien staties is ten einde. Straks keren we terug naar Nederland, hoofd en hart vol heilige herinneringen. Wie over de Via Dolorosa mocht gaan, vergeet dit niet.
Maar even rijk en rijker is het de Heere te volgen in gedachten en gebeden op de weg van Zijn smarten, mediterend in oneindige dankbaarheid. We volgen in de geest de Heere op Zijn Via Dolorosa, waar eens Zijn voeten gingen. Zacht zingt het hart van allen, die Hem leren volgen:
Ik zet mijn schreden in Uw spoor.
Dat spoor leidt langs de kruisweg en de heuvel Golgotha naar boven, hemelwaarts. De weg van het kruis is de weg van het Licht. Daar is het eeuwig Jeruzalem.
C.A. Korevaar, Rotterdam
Tekst foto: Via Dolorosa, reliëf bij de vierde statie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's