De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

11 minuten leestijd

Wereld en kerk
In de rubriek Reflexen van Theologia Reformata (jaargang XXXVI no. 1 maart 1993) geeft dr. A. Noordegraaf o.a. aandacht aan een missionair beraad waaraan hij zelf onlangs leiding gaf.

De theoloog drs. G.J. van der Kolm ging na zijn theologische studie werken bij een multinationaal chemisch concern in Dordrecht. Samen met anderen richtte hij in 1982 de basisgemeenschap 'De Buitenwacht' op, een gemeenschap die nadrukkelijk present wil zijn in de wereld van de arbeiders en de ervaringen van het leven in de buurt, onder de zwakken en de kansarmen, wil delen. In zijn boek 'Eigenlijk geloof ik niets'. Theologie in de praktijk van fabriek en volkswijk heeft hij zijn ervaringen als buurtbewoner, theoloog en werknemer neergelegd, een boeiend relaas van de weg die hij gegaan is, een weg waarop steeds meer de afstand tot de gevestigde kerk ervaren werd. Het boek geeft een onthullend beeld van het isolement en de uitzichtsloosheid waarin vele werknemers in de industrie verkeren, tekent anderzijds de solidariteit, het verzet en de geloofsinspiratie van de betrokkenen. 'De Buitenwacht' wordt door Van der Kolm vergeleken met de orden die we in de geschiedenis van het christendom in verschillende tijden tegenkomen.
Een van de 'regels' van die Buitenwacht luidt: 'Wij hebben een boodschap aan mensen die geen boodschap hebben aan kerk en christelijk geloof. In de vertolking van het evangelie blijven wij binnen de grenzen van de werkelijkheidbeleving en het taalveld van de deelnemers'. Missionaire presentie in de wereld van fabriek en buurt…

Dr. Noordegraaf meldt dat in het beraad naar aanleiding van het boek van Van der Kolm vooral theologische vragen aan de orde kwamen. Onder andere de vraag: hoe kunnen we de woorden van de christelijke Traditie delen met de volstrekt geseculariseerde tijdgenoot?

Ik heb die middag met gemengde gevoelens beleefd. Het verhaal van Van der Kolm is voor theologen en kerkmensen een onthullend verhaal. De kerk is in vele opzichten afwezig in de wereld van de arbeiders. Je ontdekt in zo'n gesprek hoe beschermd je eigen wereldje is. Hoe ver de kerktaal, ook als je je vleit met de hoop gewoon Nederlands te spreken, afstaat van de beleving van velen van onze medemensen.
Ik werd getroffen door de eerlijkheid en de authenticiteit van Van der Kolm. Solidariteit blijkt voor de 'Buitenwacht' geen loos woord te zijn. Een van de deelnemers vergeleek deze opzet met de werkwijze van Wesley die arbeiders in kleine groepen (het class-system) bij elkaar bracht.
Grondvorm van geloof is voor Van der Kolm het verzet tegen het kwaad en het onrecht, tegen de machten die ons leven zinloos maken. Maar, zo werd hem gevraagd, hoe zit het dan met de titel van je boek?
'Eigenlijk geloof ik niets'
In zijn boek verwijst Van der Kolm naar een gedicht van G.K. van het Reve:

'Eigenlijk geloof ik niets
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U
maar soms,
wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik dat Gij liefde zijt, en eenzaam
en dat in zelfde wanhoop Gij mij zoekt
zoals ik U'
Waarom riep dit gedicht bij de auteur een schok van herkenning op? Omdat, antwoordde Van der Kolk desgevraagd, geloven niet de meest normale zaak van de wereld is, maar een wonder dat je gegeven moet worden.

Hervormd-gereformeerden zullen dit herkennen: dit besef van met lege handen te staan, de geestelijke verlating, het geloof als een geschonken zaak… 'Je kunt het zomaar niet aannemen…' De moderne geseculariseerde theoloog en de piëtist reiken elkaar hier de hand. Geloven is een wonder. Zo zeggen we dat aan de rechterzijde van de kerk. Dat moet dan tocht wel leiden tot een houding van restloze solidariteit met onze agnostische en atheïstische tijdgenoot, een houding van missionaire bewogenheid. Wij zouden ons over het ongeloof van zo velen niet moeten verbazen. Geloven spreekt immers niet vanzelf.
Hoe komt het dan toch dat juist orthodoxe kerkmensen zo spijkerhard kunnen reageren op allerlei uitingen van ongeloof?

Je kunt op de vraag van dr. Noordergraaf een verschillend antwoord bedenken. In het beste geval kan het voortkomen uit geschoktheid om de overtreding van Gods Woord en wet. Als de baas wordt aangevallen, dan blaft de hond. Maar is het soms ook niet onkunde en onwetendheid betreffende de leefwereld van de ander. Leven in een isolement maakt angstig en krampachtig. Soms lijkt het op dezelfde botheid die we anderen verwijten. De grote heidenapostel Paulus vermaant ons: wandelt met wijsheid bij hen die buiten zijn… uw woord zij altijd in aangenaamheid, met zout besprengd… (Kol. 4 : 5-6).

Gemeente in de wereld
Dr. Noordegraaf vertelt hoe hij dezelfde avond op een gemeente-avond in het land mocht spreken over kortweg gezegd 'gemeente-opbouw'.

Niet helemaal onkundig van de kaart van kerkelijk Nederland had ik wel zo'n vermoeden, waarom juist dit onderwerp gekozen was. Mijn vermoeden bleek juist. Spanningen tussen groepen, met als uitersten enerzijds het 'Gekrookte Riet' en anderzijds een rechts-confessionele vleugel, dreigden deze eenmansgemeente te verscheuren: Een kerkeraad staat dan voor de spannende vraag: hoe houden we de gemeente bij elkaar!
Het was voor een leerzame avond. Opnieuw ontdekte ik dat de theorie van de gemeenteopbouw en de harde praktijk zich niet zo makkelijk laten verbinden. Met recepten komen we er niet. Het is een moeizaam proces, een weg van vallen en opstaan. Er is veel wijsheid nodig om de theologische en de niet-theologische factoren van elkaar te onderscheiden.
Het blijkt op zo'n avond ook moeilijk de hele gemeente bij elkaar te krijgen. Hoe gaat het vaak? De overtuigden komen en worden bevestigd. De andere vleugel laat het afweten.
Nu is een gemeente-avond niet het geschiktste middel om echt met elkaar in gesprek te raken. Terecht merkte één van de aanwezigen op dat, wil je echt met elkaar spreken van hart tot hart, de intieme sfeer van een huiskamer geschikter is dan een wijkgebouw waar mensen in rijen achter elkaar zitten.

Wie op één dag met twee zulke verschillende werelden te maken krijgt en reflecteert op dit gebeuren, moet wel stof vinden voor tenslotte nog deze 'reflex'.

Twee ontmoetingen op één dag. 's Middags de confrontatie met de vraag naar de mogelijkheid van missionair werk in een geseculariseerde wereld. 's Avonds de binnenkerkelijke problematiek van een 'Bondsgemeente' met de vaak wat smalle vraagstelling hoe om te gaan met de sjibbolets…
Wanneer ik die twee ontmoetingen met elkaar vergelijk is er enerzijds een geweldige afstand! Waar zijn we in onze gemeenten mee bezig? Zouden de mensen die Van der Kolm in de fabriek ontmoet, ook maar iets begrijpen van de discussies rondom al of niet ritmisch zingen, bijbelvertaling, oude of nieuwe psalmberijming, enz.? Wordt er niet veel energie gestoken in zaken die als het er op aankomt met de communicatie van het Evangelie en de echte vragen zo bitter weinig te maken hebben? En dan hoef je niet alleen naar de buitenstaanders te kijken. Polarisatie in de gemeenten leidt maar al te dikwijls tot opmerkingen als: 'Ze bekijken het maar… Mij zien ze hier niet meer!'
Een wereld van verschil… of toch niet? Polarisatie, groepsvorming, het staan op je eigen recht, het harde conflict… het zijn zeer eigentijdse verschijnselen! Je kunt het een vorm van binnenkerkelijke secularisatie noemen.
Merkwaardig; de uitersten raken elkaar. Ook in onze gemeenten dreigt de subjectieve beleving te heersen over een onbevangen luisteren naar de Schrift. We laten ons dan niet meer gezeggen door de grote Traditie, de grote woorden van de Schrift en van het belijden, maar bijten ons vast in de kleine prietpraat van kerkelijk geharrewar. Ik denk, dat we daar niet te licht over moeten denken. Zou het niet veel te maken kunnen hebben met wat de Bijbel noemt het bedroeven van de Geest? Want juist de Geest is het die het Woord aan het woord wil laten komen in ons leven.

Ik las dezer dagen in De Hoeksteen, tijdschrift voor vaderlandse kerkgeschiedenis, 22e jaargang no. 1 maart 1993, een uiterst boeiend artikel van H.J.Ph.G. Kaajan over de kwestie – ds. Netelenbos in 1919. Voor liefhebbers van de geschiedenis van o.a. de Gereformeerde Kerken in Nederland in de 20-er jaren zeer aan te bevelen, vooral ook vanwege de positie in deze kwestie van de later zo bekend geworden dr. J.J. Buskes. Maar de reden waarom ik dit artikel hier noem is, omdat ik er een citaat van H. Bavinck in las wat helemaal aansluit bij wat dr. Noordegraaf aan het slot van het geciteerde bedoelt en wat nog altijd zo vaak van toepassing is op veel gekrakeel onder ons. Bavinck moet gezegd hebben: 'Het huis staat in brand, maar de bewoners van het huis hebben ruzie over een gordijntje, dat scheef hangt'. We moeten van dat scheve gordijnte eens meer letten op het brandend huis van Christus' kerk, ook in onze gemeenten.

Gesprek met het heidendom
In het kaderblad voor zendings- en evangelisatiecommissies Transmissie, een uitgave van GZB en IZB, schrijft ds. H. de Leede een verslag van een lezing die dr. J. van Eek hield in het kader van een zaterdagcursus over het thema 'Modern atheïsme en christelijk geloof'. Dr. Van Eek plaatste een aantal kanttekeningen bij Handelingen 17. Paulus gaat heel serieus in op heel de leef- en denkwereld van de mensen die hij in Athene aantreft. Hij blijkt zich geheel in te leven in wat hij ziet en opmerkt. Hij citeert een in die dagen bekend gedicht van de dichter Aratus, een stuk poëzie waarin de stoïcijnse godsbeleving van binnenuit wordt verwoord. Dr. Van Eek sluit af met de volgende vier leerpunten voor ons uit dit bijbelgedeelte.

Wat zijn de leerpunten voor ons? Vier punten in elk geval. Op het voorbeeldig karakter van de stemming die Paulus in Athene overvalt, wezen we al. Hij kent Gods liefde. Het doet hem leed dat die niet overal doorstraalt. Dat deze verduisterd wordt door de godsbeelden en godenbeelden die de mensen aanbidden.
Een tweede lijn die ik wil trekken is deze: Paulus heeft geluisterd voor hij ging preken. Hij weet de diepere motieven van zijn hoorders te honoreren. Zelfs die van de anti-godsdienstige Epicureeërs. Nog steeds veronderstelt preken ook luisteren. Ook luisteren naar de critici van de godsdienst en naar de critici van kerk en prediking. Hun kritiek kan legitiem zijn. Religie als bron van angst is ook in de kerk ruim voorhanden. De liefde die de vrees uitdrijft is niet overal te vinden.
Luisteren betekent ook rekening houden met sporen van Gods aanwezigheid bij de ander. In zijn leven, denken en spreken. Weerklanken van Gods aanwezigheid in Zijn schepping, maar ook van Zijn intieme nabijheid bij Zijn schepselen. Zoals Paulus bij Aratus opgevangen had. Rekenen we daarmee als we mensen van een andere godsdienst of zelfs zonder godsdienst ontmoeten? Bovendien kunnen we altijd flarden van het Woord aantreffen. Je kunt het in Nederland bijna niet ondopen.
Luisteren betekent ook onderzoek van cultuuruitingen. Paulus probeerde zich in te leven in de beleving van de dichter Aratus. Zijn besef van goddelijke nabijheid. De leiding van de voorzienigheid. Hoe vaag en diffuus zijn godsvoorstelling ook blijft, Paulus honoreert Aratus' zoeken. Hij geeft zijn gedicht een plaats in de vertolking van de scheppingsleer. Zo hebben wij rekening te houden met sporen van godsbesef in de moderne literatuur en de popmuziek. Zo leren we de taal van de rnensen van onze tijd verstaan, ons in te leven in hun diepere gevoelens, hun tasten naar het goddelijke, hoe aarzalend ook, hoezeer zij ook mistasten. Paulus heeft geluisterd. Hij wilde dat men hem in Athene verstond. Ook in dit opzicht is de toespraak voorbeeldig.
Ten derde heeft Paulus nadat hij geluisterd heeft ook de moed om God en Jezus ter sprake te brengen. Hij komt zijn hoorders tot het uiterst tegemoet, maar deinst er niet voor terug het beslissende te zeggen. Ook dat moeten we durven, maar niet zonder dat we de ander zo dicht mogelijk genaderd zijn.
Ten vierde moeten we ons niet laten ontmoedigen als de omkeer niet direct gestalte krijgt. Er zijn er die nog eens willen luisteren of nog tien of honderd keer. Er zullen er zijn die gaan geloven. Paulus dramt niet maar liet zich ook niet ontmoedigen. We mogen doorgaan met luisteren en spreken. God opent de harten en het Woord gaat zonder ophef zijn koninklijke weg.

Ook al zijn er in onze samenleving allerlei zorgelijke ontwikkelingen te constateren die ons te denken geven, we hoeven daarom niet in een soort paniek te raken of een slachtoffergevoel over onszelf op te roepen. Het bijbels vermaan tot nuchterheid houdt ons staande. We hebben nog altijd een Woord voor de wereld. De apostolaire wijsheid en moed van Paulus zij ons daarbij een inspirerend voorbeeld.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's