De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Hier volgen twee gedichten van P.A. de Genestet, het eerste ietwat speels (één van zijn 'leekedichtjes'), het tweede ernstig.

• JAN RAP.
Ware er, in het gemeen, geen andere keus als tusschen rechtzinnig en lichtzinnig, ik zou liever om mijne orthodoxie voor ouderwetsch doorgaan, dan om mijn liberalisme ingehaald worden door lieden van verdachten ernst.

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Hij houdt niet van die vromen:
Hij geeft 'geen weerga' om de leer,
En smaalt van 'breede zoomen.'
Hij vindt geen waren christengeest
Bij al die fijne kwezels;
Hij zegt 'de Liefde is 't hoogst, is 't meest,'
En scheldt hen uit voor Ezels.

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Een vijand van de vromen,
En, ik geloof, ook niet veel meer
Met vroomheid ingenomen.
Jan Rap beweert, na wijs beraad,
"t Bestaat'em niet in 't bidden.'
Maar waarin of 't'em dan bestaat,
Dat laat hij liefst in 't midden!

Jan is geen knecht der wet; hij staat,
Dus zegt hij, in de vrijheid!
Ook, als hij t'huis komt, 's avonds laat,
Psalmzingt hij: Vrijheid, Blijheid!
Jan volgt in denken en in doen
De stem van zijn geweten,
Maar 't is er een van ruim fatsoen
En, min of meer, versleten.

Jan oordeelt – alles, zonder vrees,
Wat hij zegt staat op pooten;
Hij weet vooral van Dominees
Ontelbare anekdoten.
Ook voelt Jan Rap, die menschen kent,
Nogal zijn eigen waarde:
Waar vindt ge zoo'n patenten vent,
Zóó liberaal, op aarde?

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Een standje vol verlichting;
Afbreken Is zijn vreugd, zijn eer,
In spotten vindt hij stichting.
Wat knappe kop! wat diepe blik!
Hij hangt niet aan de letter;
Hij hangt veel meer aan eigen Ik
En nommer Eén – die ketter!

De waarheid heet het doel alleen
Van dees geliefden broeder:
Hij sierde onlangs met aardigheên
Den Bijbel zijner moeder,
Hij grijnst zijn kleine zusjes ân,
Die wonderen gelooven;
Want zijn geloof, 't geloof van Jan,
Staat vast en ver daarboven!

Jan Is niet kerksch; dat spreekt van-zelf,
Hij denkt zoo heel verheven:
'Zijn tempel is het blauw gewelf,
'Zijn godsdienst is – zijn leven!'
Zoek hem in 't Zondagsmorgenuur
Niet bij de vrome scharen!
Hij, wel zoo goed, in Gods natuur,
Houdt kerk en – rookt sigaren!

Nog tegen 't Zendingswerk vooral
Richt Jan zijn geestigheden;
Hij kan zijn geld – Jan is niet mal –
Wel nuttiger besteden.
Het krielt – verklaart hij – om ons heen
Van Heidnen en Heidinnen:
Bekeer die eerst! Heel fraai; alleen
Jan moest met Jan beginnen!

Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer!
Lichtzinnig, wel te weten:
Zoo zijn er – ja! zoo zijn er meer.
Die liberaal! zich heeten!
Hoog Jan dès leven in mijn lied
En heden en nadezen,
Opdat wie 't leze of hoore – niet
Begeer zijn maat te wezen!

• DE HEER IS HAAR HERDER
De Heer is mijn Herder: mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden.
Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijne ziel: Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid.
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen.

Der vrome Herder was de Heer!
Hij liet haar niets ontbreken,
Hij had haar tachtig jaar geleid
In 't spoor van zijn gerechtigheid,
Aan stille beken.

Hij had haar ziele staag verkwikt
In klaverrijke weiden:
Maar of Hij gaf dan of Hij nam,
Zij bleef haars goeden Herders lam
En – liet zich leiden!

Als weduw was ze niet alleen,
In nooddruft niet verlegen;
En ging haar pad langs menig graf,
Haar troostte 's Heeren stok en staf
Op deze wegen.

Haar leven was een lang akkoord
Van stil geloofsvertrouwen;
Een liefelijke wedergalm
Van 's Herders zachten vredepsalm,
In vreugde en rouwe.

Die psalm – het was haar pelgrimslied
Op 's levens lange reize;
Ook nu, ten dierbren tempelgang
Misschien – haar stille zwanenzang,
Haar zielsgepeize.

'Mijn Herder was der Heeren Heer;
Ik ben zijn deel gebleven.'
In iedren trek van 't vroom gelaat,
Kalm van geloof en hope, staat
Dat woord geschreven.

Stille ootmoed, die daar schromend wacht
Op Gods gewijden drempel,
Die Heer, in Wien gij hebt vertrouwd,
Heeft in uw hart zijn huis gebouwd,
Zijn eeuwgen tempel.

O, grijze vroomheid, lang beproefd,
O, heilge, eerbiedwaarde!
Gij wordt gekroond reeds in den tijd;
En de avond van uw dag vol strijd
Straalt vrede op aardel

Met eerbied, naar uw buigend hoofd
Ziet om het oog der reinen;
Uw kalmte leert, uw hope sticht,
En spreidt een glans van hooger licht
In 't hart der kleinen.
1853.

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's