De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Christusbelijdenis en Christusgetuigenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Christusbelijdenis en Christusgetuigenis

10 minuten leestijd

Dezer dagen werd ik opgebeld door een jongeman, die een punt aan de orde stelde, dat nadere overweging verdient. Is het niet zo – zei hij – dat rondom Pasen, in allerlei artikelen en andere bijdragen binnen de kerken, veelvuldig over de Persoon van Christus wordt gehandeld, terwijl daarna veel meer gesproken wordt over God of de Heere, terwijl de persoon en het werk van Christus veel minder worden benadrukt? Is hier niet sprake van een manco?
Op het eerste gehoor lijkt deze vraag buiten de werkelijkheid. Want wat is de kerk als niet Christus centraal staat? Altijd weer gaat het toch in de prediking en alle kerkelijke arbeid ook juist om Christus? Bij dieper nadenken echter ligt in die vraag toch meer opgesloten dan op het eerste gehoor zou blijken. Er zou toch inderdaad wel een diepe kern van waarheid kunnen schuilen in de veronderstelling, dat na Pasen, buiten de hoge feesten, Christus ter sprake komt dan verantwoord mag heten.

Christusbelijdend
Toen de Hervormde Kerk in 1951 een nieuwe kerkorde kreeg, werd daarin vastgelegd, dat de kerk een Christusbelijdende volkskerk zou zijn, die weren zou al wat haar belijden weersprak. De uitdrukking Christusbelijdend is – afgezien van de nadere uitwerking – eigenlijk een trefzekere formulering. Had eigenlijk niet gezegd moeten worden, dat de kerk een drieënig God belijdt? Dat werd zeker ook bedoeld en op andere plaatsen ook gezegd. In zulk een formulering gaat het niet om Christomonisme (éénkennigheid). Want in de rechte Christusbelijdenis ligt ook de rechte belijdenis aangaande de Vader en de Heilige Geest opgesloten. De Heilige Geest neemt het immers uit Christus en verkondigt het ons. En niemand – zegt Jezus zelf – komt tot de Vader dan door Mij. Of ook: 'Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien'. De drieënige God laat Zich slechts kennen in en door Christus door de werking van de Heilige Geest. Daarom ligt in de rechte Christusbelijdenis een afgrendeling naar allerlei bewegingen, die buiten Christus om over God willen spreken.


Neem Christus weg uit het belijden der kerk en we houden een God over naar eigen makelij. Het is dan ook niet voor niets, dat de Nederlandse Geloofs Belijdenis in artikel 27 de kerk belijdt als een heilige vergadering van ware Christgelovigen, al hun heil en zaligheid verwachtende van Jezus Christus, 'gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Ook hier weer die concentratie op Christus: Christgelovigen!
De Kerk is Lichaam van Christus. Daarom zijn de gelovigen Christgelovigen en is de kerk Christusbelijdend. In die belijdenis ligt mede besloten de rechte belijdenis aangaande de Vader en de Geest.
We belijden de God van Abraham, Izak en Jacob, die de God en Vader van Jezus Christus is.
En we belijden de Heilige Geest als de Geest van Christus. Hij heeft de levendmakende Geest verworven om het heil uit te delen.
Het gaat dan ook in de kerk niet om een algemeen Godsbesef of een algemene religiositeit, waarin we geloven dat er een God is. Het geloof richt Zich op die God, die ons in en door Christus is en wordt geopenbaard.

Besef
Nu we in onze tijd een aangrijpende neergang van het geestelijk leven om ons heen en ook in de kerken ontwaren, kan men van tijd tot tijd de gedachte tegenkomen, dat religiositeit, die vandaag buiten de kerk wordt aangetroffen, positief moet worden gewaardeerd. Zo vertelde recent majoor Bosschardt van het Leger des Heils in een vraaggesprek, dat ze in haar dagelijkse werk in Amsterdam zo veel mensen tegenkwam, die weliswaar niet naar een kerk gingen maar die toch gelovig waren. Er was namelijk altijd wel een aanknopingspunt voor een gesprek over God. De vraag is echter maar welke waarde aan zulk een religiositeit moet worden toegekend. Heeft het betekenis in Gods Koninkrijk? Veel mensen geloven altijd nog wel, dat er 'iets' is of dat er 'zoiets als een God' bestaat of gewoon, dat er een God is. Dat komt met name naar voren in gevoelige levenssituaties, bij ziekte, lijden en dood. Maar ook de Bijbel kent dat al. 'Gij gelooft dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook en zij sidderen', zegt de Schrift (Jac. 2 : 19). Het is daarentegen nog maar de vraag of in religieuze gesprekken, waarin God ter sprake komt of nog ter sprake mag komen, ook Christus ter sprake komt en komen mag. Dan kunnen de kaarten opeens anders komen te liggen. Ik bedoel dan Christus ter sprake brengen in Zijn noodzakelijke werk tot verlossing en bevrijding van zonde, duivel en machten. Daarin zit opgesloten: Christus ter sprake brengen als degene, die ook verdeeldheid op aarde brengt, scheiding tussen geloof en ongeloof. Christus, die de wan in Zijn hand heeft. Christus die door Zijn Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. In een eerlijke confrontatie van de mens van alle tijden, ook van de moderne mens van nu, met de Christus der Schriften blijkt Hij immers een Steen des aanstoots te zijn. Toen Jezus de schare, die Hem volgde om de tekenen, ging vertellen waarom Hij werkelijk gekomen was, droop de één voor de ander af: deze rede is hard.


In de ontmoeting met buitenkerkelijken is niet het gesprek over Gòd beslissend, maar het gesprek over Christus. Daarom is dunkt mij religiositeit buiten de kerk, geloof buiten het geloof van de gemeente, op zich geen positief gegeven. Ze biedt nog niet een echt aanknopingspunt voor de boodschap aangaande Christus.
Het is ermee als met het 'religieuze' gevoel, dat mensen hebben in de natuur, in de tempel van ongekorven hout. Van de natuur kan een diepe vrede uitstralen, rustbrengend voor het moede bestaan. Zelfs – zegt de Nederlandse Geloofs Belijdenis, art. 2 – zijn er twee middelen om God te kennen: het Boek der Natuur en de Heilige Schrift. Maar ten diepste is het zo, dat God alleen op de rechte wijze wordt gekend in de natuur bij het licht van de Schriften, waaruit we God als Schepper kennen. En die God heeft Zich ten diepste geopenbaard in het Woord, dat vlees werd en onder ons heeft gewoond. Deze boodschap aangaande Christus vinden we niet in de tempel van ongekorven hout, of, zo maar in levenssituaties, buiten de verkondiging van of het horen van het Woord om.


Telkens weer dienen zich in de samenleving bepaalde verschijnselen van religiositeit aan. Een mens blijkt nu eenmaal niet zonder religie te kunnen. En altijd weer wordt dan de gedachte geopperd – zoals vandaag bijvoorbeeld ten aanzien van New Age – dat daarin een aanknopingspunt ligt voor het christelijk geloof. Maar de jaren door liep dat steeds weer op een teleurstelling uit. Dat komt, omdat de echte Christusbelijdenis altijd ontmaskerend werkt op elke religiositeit, die het met God op een accoordje wil gooien. Dat sluit niet op elkaar aan. In de Christusbelijdenis gaat het immers om verzoening, omdat God niet een liev(ig)e God is. Buiten Christus is Hij een verterend vuur, die de zonde niet ongestraft kan laten. En daarom, nog eens: de gelovigen zijn Christgelovigen en de kerk is Christusbelijdend. Niet meer en niet minder.

Christusgetuigend
Ik ben hiermee weer terug hij de vraagsteller uit het begin van dit verhaal. Als het waar is, dat we in kerk en gemeente buiten de hoge feesten spaarzamelijk(er) over Christus spreken, is er iets niet in orde. Want wat is de kerk zonder het getuigenis van die Naam? Groen van Prinsterer zegt: 'buiten de leer…, die Jezus Christus belijdt als waarachtig God en waarachtig mens… is er in het geheel geen kerk'.

Het is intussen wel een ontdekkende vraag voor elke prediker en elk christenmens, voor gemeente en kerk, of Christus wel voldóénde ter sprake komt. Is die vraag niet overbodig? Toch niet. Mij dunkt, dat Hij ook vandaag hier en daar, her en der in de prediking en in het spreken van de kerk(en) tekort komt. Enerzijds daar, waar Zijn verzoeningswerk in verachtering is, het Christusbelijdende in de grondslag der kerk ten spijt. Maar ook dáár, waar Hij bij alle rechtzinnigheid toch spaarzamelijk of onder een deksel verkondigd wordt.
Het overkwam mij jaren geleden tijdens een dienst in vacantietijd over de grenzen. De voorganger hekelde de prediking, die een paar straten verder gehoord kon worden. Hij permitteerde zich daarover zelfs de kwalificatie vrijzinnig, hoewel er daar geen sprake was van bijbelse prediking. Intussen ontbrak in de preek, die deze voorganger zèlf toen bracht, ten enenmale de Naam van Christus. Dan rest de prediking van een onbekende God, een God van eigen makelij zelfs, in het uiterste geval een God als lot.
Dezer dagen stond in het blad Koers een opmerkelijk vraaggesprek met ds. M. Pronk, begonnen als christelijk gereformeerd predikant in Dordrecht, maar, na twee uittredingen (eerst in Dordrecht, vervolgens in de oud-gereformeerde gemeente te Ede) thans predikant van een vrije gemeente in Rotterdam Kralingseveer. 'Vroeger had ik de neiging om bij de hemelpoort te gaan staan en de mensen min of meer tegen te houden. Er zou toch eens iemand bekeerd worden', zegt hij. Via Calvijn heeft hij ontdekt, dat zijn prediking te arm was. 'Het is wonderlijk dat mijn ogen geopend zijn voor de rijkdom en ruimte van het evangelie. Je moet niet bang zijn de beloften van het evangelie aan de ganse gemeente te verkondigen. Ook voor mijn eigen geloofsbeleving is het een verademing geweest. Een bevrijding zelfs. Laten we door het geloof in de kracht van de Geest alles zoeken in Christus (curs. van mij, v.d.G.). Dat navelstaren werkt alleen maar verlammend.'


Hier is iemand aan het woord, die kennelijk bijtijds heeft ontdekt dat zijn prediking te arm was. In het bekende geestelijke testament van prof. dr. A.A. van Ruler 'Ultra orthodox en vrijzinnig' spreekt deze over 'Christusmannetjes'. Hij bedoelt, dat predikers soms zo worden aangemerkt door mensen, die het eigenlijk verdacht vinden als Christus in al Zijn volheid wordt gepredikt en aangeprezen. Mensen kunnen Hem immers toch niet aannemen. Christusprediking is dan al gauw te ruim. Maar Paulus wenste niemand anders te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. En hij wist van een mens (een man) in Christus! Achter een manco inzake Christusprediking zit dunkt mij een manco aan geestelijke kennis aangaande Christus bij de prediker zelve. Als echter de gemeente een heilige vergadering van ware Christgelovigen is – en dat ìs ze, naar haar wezen – zal haar getuigenis ook alleen maar een Christusgetuigenis kunnen zijn.
Alleen daarin en alleen zó zal de gemeente ook de smaad van Christus dragen. Omdat ze in die weg vijandschap ontmoeten zal. Als vijandschap van de wereld tegenover de christelijke gemeente of tegenover afzonderlijke christenen niet is vijandschap aangaande het kruis van Christus is het zelfopgeroepen vijandschap. Wie echter tot Christus uitgaat buiten de legerplaats zal met Hem smaadheid dragen (Hebr. 13 : 13).


De vraag is of onze Christusbelijdenis en ons Christusgetuigenis nog wel honderd karaat zijn. Ook het kerkelijk spreken, in boodschappen vandaag, moeten we, evenals artikelen en verhandelingen, maar toetsen op hun gehalte aan Christusbelijdenis en Christusgetuigenis.

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Christusbelijdenis en Christusgetuigenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's