De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Presentatie 'De Statenbijbel en zijn voorgangers'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Presentatie 'De Statenbijbel en zijn voorgangers'

14 minuten leestijd

Op donderdag 22 april 1.1. vond in Den Haag in het gebouw voor de Beeldende Kunst de officiële presentatie plaats van de geheel herziene heruitgave van het standaardwerk van prof. dr. C.C. de Bruin 'De Statenbijbel en zijn voorgangers', voor het eerst uitgegeven in 1937.
Tweede Kamer-voorzitter drs. W. Deetman ontving het eerste exemplaar van het werk, dat door dr. F.C.M. Broeyer, op aanwijzing van de in 1988 overleden hoogleraar werd herschreven. Het boek werd uitgegeven door het Nederlands Bijbel Genootschap en gesponsord door de stad Leiden, de provincie Zuid-Holland en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Hier volgen gedeelten uit de teksten van de toespraken van dr. Broeyer en van drs. Deetman.

'… professor De Bruin hield van een weerwoord. Ik denk, dat mijn afwijkende opvatting over de rol van de overheid bij de totstandkoming van de Statenvertaling een reden geweest is, dat hij mij de herziening van zijn boek opdroeg. Door de ontdekking van de acta van een convent van kerkelijke afgevaardigden, in 1623 hier in Den Haag gehouden, was ik de houding van de Staten-Generaal tegenover de kerk positiever gaan bezien dan in de publicaties van het herdenkingsjaar van de Statenbijbel in 1937 gebeurde. Ander archiefmateriaal had mij in mijn overtuiging gesterkt. Professor De Bruin stond open voor nieuwe visies, die op bronnenmateriaal steunden. Ook kritiek op zijn eigen werk kon hij velen. Over de artikelen, die in kranten en tijdschriften in het herdenkingsjaar van de Statenbijbel 1987 gepubliceerd werden, merkte hij een keer misprijzend tegen mij op, dat de meeste wel erg afhankelijk waren van wat hij vijftig jaar eerder geschreven had. Het ligt in dezelfde lijn, dat hij nooit heeft willen weten van een fotomechanische herdruk van zijn boek van 1937, ook niet als er een inleiding aan vooraf zou gaan met een opsomming van wat er sindsdien over het onderwerp gepubliceerd was. Hij vond zijn boek verouderd en wilde een grondige herziening.
Na mijn ja op de vraag of ik de bewerking van 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' op me wilde nemen, heeft professor De Bruin een aantal wensen op papier gezet. Hij noemde uitdrukkelijk enkele personen, die opvattingen naar voren hadden gebracht, waarvan hij vond dat ik ze ten koste van wat hij zelf vroeger geschreven had zou moeten volgen. Verder liet hij mij vrij, maar het was natuurlijk van meet af aan duidelijk dat ik me bij het putten uit de sinds 1937 verschenen vakliteratuur niet tot de door hem genoemde auteurs zou mogen beperken.
Het is een groot geluk geweest, dat ik de gelegenheid gehad heb om nog een aantal keren met professor De Bruin van gedachten te wisselen. Ik kon hem enkele concrete voorbeelden van mogelijke verbetering of aanvulHng van zijn tekst voorleggen om te zien, hoe hij daartegenover stond. Ik wist zodoende des te beter, hoe ingrijpend hij zich de bewerking van zijn boek voorstelde. Hij gaf mij trouwens dozen vol papiertjes – duizenden en duizenden papiertjes – met literatuuraanhalingen, gedachteninvallen etc. etc, onderling natuurlijk ook vaak zeer tegenstrijdig, waarvan ik maar moest zien wat ik er mee deed. Op een gegeven moment hadden de Staten-Generaal opdracht gegeven in Herbom naar de nagelaten aantekeningen van de door de Statenvertalers zeer bewonderde Johannes Piscator te vragen. Ten gevolge van een overval van struikrovers is een groot deel van die aantekeningen nooit op zijn bestemming aangekomen. Eerlijk gezegd heb ik de Statenvertalers er wel eens om benijd, dat de criminaliteit hen in elk geval van één verplichting ontsloeg.
Dank zij het nadere overleg met professor De Bruin ontdekt ik ook, waar ik zijn 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' moest laten zoals het was. Bij professor De Bruin hield het werk van de historicus niet op met het vastleggen van feiten. Hij wilde het hoe en waarom weten. Zo had hij indertijd met behulp van de door hem vergaarde feiten oplossingen gezocht voor vragen als: wie de maker van een tekst kon zijn, wanneer deze niet bekend was. Verder had hij bijvoorbeeld dikwijls zijn mening over de kwaliteit van het Nederlands van vertalingen gegeven. Professor De Bruin meende, dat theses en beoordelingen als deze in zijn oorspronkelijke editie van 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' doorgaans de tand des tijds hadden doorstaan. Hij verwachtte vanzelfsprekend van mij, dat ik die onaangetast zou laten.
Iedereen, die 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' van 1937 gelezen heeft, weet dat professor De Bruin zelf daarin in die zin aanwezig is, dat zijn innerlijke band met het onderwerp blijkt. Ik heb mijn best gedaan het boek ook wat dat betreft het werk van hem te laten blijven. Om deze reden heb ik passages laten staan, die een hedendaags historicus doorgaans wat afstandelijker zou formuleren. Ik wijs hier met name op zijn beschrijving van Luther en de Statenvertalers als gelovige mensen in hun omgang met de bijbel. Drie jaar geleden publiceerde de Delftse hoogleraar in de natuurkunde A. van den Beukel, een intussen al vele malen herdrukt boek 'De dingen hebben hun geheim. Gedachten over natuurkunde, de mens en God'. Eén van de hoofdstukken handelt over getuigen, mensen, die voor de richting die iemand in zijn leven inslaat van doorslaggevende betekenis zijn. De auteur noemt voor zichzelf drie getuigen. De tweede is professor De Bruin. In de paragraaf over hem citeert hij Nicolaas Beets' gedicht 'De moerbeitoppen ruisten/God ging voorbij' als uitdrukking van wat deze zijn leerlingen zo graag als het eigenlijke wilde meegeven.
De innerlijke band van professor De Bruin met het onderwerp van de bijbelvertalingen had te maken met zijn standpunt over de bijzondere betekenis van de bijbel als Gods Woord. Onder zijn aantekeningen kwam ik een artikeltje van Gerrit Komrij tegen, waarin deze zeer waarderend over het juist vermelde gedicht van Beets sprak. 'Zou je van Komrij niet verwachten' had professor De Bruin erbij geschreven. Ik trof ook een papiertje aan, waaruit blijkt dat hij voor de herdruk van 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' in aansluiting bij Psalm 19 het motto overwoog: 'Begeerlijker dan zuiver goud is het Woord des Heeren'. Ik heb het er nooit met hem over gehad, maar ik denk dat professor De Bruin het van principiële betekenis achtte, dat juist het Nederlands Bijbelgenootschap de nieuwe druk van 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' wilde uitgeven.
Eén van de onderwerpen, waarin professor De Bruin veel tijd aan voorstudie gestoken had, was de visitatie van de archieven van de Synode van Dordrecht en de Statenvertaling. Onder dit archiefmateriaal bevindt zich het eerste exemplaar van de Statenbijbel, dat de Staten-Generaal in 1637 werd aangeboden. Een uitgebreide commissie van vertegenwoordigers van overheid en kerk placht tot aan het eind van de achttiende eeuw eens in de drie jaar in Den Haag en Leiden te onderzoeken, of de stukken er nog allemaal waren en in welke staat zij verkeerden. Professor De Bruin kon prachtig over die visitatie vertellen. Want de heren van de commissie ontbrak het niet aan eigenwaarde en professor De Bruin niet aan gevoel voor humor. Het doel van dit driejaarlijkse onderzoek raakte namelijk allengs aardig achter de formaliteiten zoek. Het doel had te maken met het respect dat kerk èn overheid koesterden voor wat er in het verleden in goede onderlinge samenwerking tot stand gebracht was.
Respect voor wat er in het verleden op het gebied van de bijbelvertalingen tot stand kwam en besef van wat bijbelvertalingen voor mensen betekenen, brachten professor De Bruin tot zijn intensieve en voortdurende bestudering ervan. Het is natuurlijk verschrikkelijk jammer, dat hij zijn ideeën rondom de herziening van 'De Statenbijbel en zijn voorgangers' niet zelf op papier gestalte heeft kunnen geven. Maar ik hoop, dat zijn droom over de bewerking toch althans ten dele door mij verwezenlijkt is.'


Uit de toespraak van drs. W.J. Deetman
U vernam al dat de Staten-Generaal de kosten van de SV voor hun rekening namen. Dat besluit kwam in 1625 tot stand, zes jaar nadat de Nationale Synode van Dordrecht daarom verzocht had. Het besluit had dus enige voeten in aarde gehad, ondanks het feit dat de Staten-Generaal al decennia daarvoor in feite een principe-besluit daartoe hadden genomen. Dit moge blijken uit de benoeming van Marnix van St. Aldegonde tot adviseur van de Staten-Generaal en tot bijbelvertaler tegen een vorstelijk salaris. Marnix overleed in 1598, zodat hij nauwelijks een begin heeft kunnen maken met het immense werk van een bijbelvertaling. Overigens had Marnix al eens bemoeienis met de bijbelvertaling gehad, nl. toen hij in 1578 tezamen met Petrus Dathenus de opdracht van de Synode had gekregen te zoeken naar bekwame mannen die het vertaalwerk tot een goed einde zouden kunnen brengen. Die opdracht leidde tot niets zodat drukkers en uitgevers al snel als het ware in het gat in de markt sprongen, door zelf verschillende vertalingen uit te brengen.

Wellicht is mede hierdoor later – na het gereed komen van de SV – geen haast gemaakt met de officiële invoering in Amsterdam, ondanks een algemeen strekkend besluit daartoe vanwege de Staten-Generaal. Mogelijk dat er destijds bij de Amsterdamse drukkers en uitgevers nog een voorraad bijbels met een andere vertaling voorhanden was, die eerst moest worden verkocht. Zaken blijven zaken.
Zeker zal in Amsterdam ook een rol hebben gespeeld de omstandigheid dat het octrooi op het in druk uitbrengen van de SV door de Staten-Generaal aan de Leidse overheid was verleend, die vervolgens het octrooi verkocht aan de Leidse drukker, de weduwe Van Wouw. In ieder geval gedoogde de Amsterdamse overheid het nadrukken van de SV met verkorte aantekeningen, alsmede het drukken van de SV in een kleinere en goedkopere uitvoering dan die van de Leidse firma.
Uit het feit dat de Staten-Generaal de SV met een octrooi beschermde, kan worden afgeleid dat zij de lotgevallen ervan in eigen handen wenste te houden. Dat ging heel ver. Zelfs drukfouten en onzorgvuldigheden bij het verwerken van de uiteindelijk door de vertalers vastgestelde vertaling mochten nauwelijks worden gecorrigeerd in latere drukken. En in­ dien dat al mocht geschieden, dan alleen na een zeer zorgvuldige procedure van afweging. Verscheidene motieven gaven de Staten-Generaal deze houding in. Ik laat ze rusten. Er zijn ook meer historische 'incidenten'. Ik zal de verleiding weerstaan ze alle nu te melden. Alles kunt u immers lezen in 'De Statenbijbel en zijn voorgangers'.
Het voorafgaande maakt in ieder geval duidelijk dat problemen m.b.t. kosten, afspraken over de benodigde tijd voor het afleveren van het werk, octrooien, concurrentie en auteursrechten toen evenzeer als thans actueel waren. Misschien zal alleen daarom al menigeen gelukkig zijn met de huidige scherpe scheiding tussen kerk en staat; zeker in een tijd van grote geestelijke verscheidenheid en pluriformiteit. Maar hiermee is niet alles gezegd over de verhouding kerk en staat.
Er is meer, ook in een tijd waarin de banden tussen kerk en staat worden losgemaakt.
In het maatschappelijk verkeer komen de leden van de kerken en de kerken als zodanig, de staat – d.w.z. de overheid – dagelijks tegen. Het is dus niet verwonderlijk dat binnen de desbetreffende kerkelijke verbanden de vraag aan de orde is welke plichten hun leden jegens de overheid hebben en welke taakvervulling aan de overheid zelf, zonodig, moet worden voorgehouden.
Omgekeerd ontmoet de overheid bij zijn burgers belijdende christenen. In een parlementair-democratisch bestel als het onze zal de overheid hun opvattingen niet kunnen negeren. Zo bezien is er een wisselwerking, indirect en direct, tussen overheid en kerk in het openbaar, d.w.z. in het publieke domein.
Die wisselwerking geeft een zekere dynamiek. Enerzijds omdat de chirstelijke levensovertuiging het gehele leven omvat. Anderzijds omdat het publieke domein niet neutraal kan zijn. De wetten zijn gevuld met concrete regels en normen door middel waarvan sturing in de samenleving wordt beoogd. De recente voorbeelden van de Wet gelijke behandeling en de euthanasiewetgeving maken dat nog eens haarscherp duidelijk. In het publiek domein komen de dingen tot hun recht en wordt in de wet het recht vastgelegd. En het doet er wat toe hoe dat geschiedt. Vanuit christelijk optiek gaat het erom dat de keizer gegeven wordt wat des keizers is en dat Gode gegeven wordt wat Gods is. Dit wil ook zeggen dat de keizer niet dat gegeven kan worden wat Gods is.
Deze norm, zo u wilt richtlijn, lijkt in de toepassing ervan duidelijk, de geschiedenis heeft geleerd dat zulks niet het geval is. In deze tijd mag men zich evenmin verkijken op de moeilijkheidsgraad. Er zijn twee punten waarop ik thans kort de aandacht wil vestigen.
1. Recent hebben ministers herhaaldelijk gewezen op de betekenis van normen en waarden voor de samenleving in het algemeen en voor het publieke domein in het bijzonder en hebben opgeroepen tot bezinning en discussie. Ondanks de vele, doorgaans zeer afgewogen regels van overheidswege, nationaal en internationaal, kan een omgeving waarin normatieve noties door burgers als waardevol worden gezien en als een groot goed worden ervaren, niet worden gemist. Dat hebben wij in Nederland ervaren. Dat ervaren wij internationaal evenzeer, dagelijks. Door schade en schande. We konden het weten. De overheid staat nu met betrekkelijk lege handen. Vandaar het vragen voor aandacht voor normen en waarden.
Waarden en normen staan dus weer hoog op de maatschappelijke en politieke agenda. In de NRC spreekt prof. Van Maarseveen over de jaren '90 als het decennium van de ethiek. Er is behoefte van en in de samenleving aan normatieve oriëntaties, die na feitelijk vastgesteld kan worden zowel in het vlak van de microethiek als de macro-ethiek liggen.
Men zou nu kunnen zeggen dat bij de bezinning en discussie over normen en waarden, waartoe in het publieke domein wordt opgeroepen, de kerken niet mogen zwijgen. Maar is het niet beter te spreken over een uitdaging en over kansen voor de kerken? Juist nu, in een tijd waarin de verscheidenheid aan opvattingen over normen en waarden zo groot is.
2. De bezinning en discussie over normen en waarden zou niet beperkt dienen te blijven tot de kring van 'deskundigen' afkomstig uit allerlei maatschappelijke instituties. Het gaat uiteindelijk om de leden zelf van de samenleving; de mensen, stuk voor stuk. Wil althans enig positief resultaat verwacht mogen worden van de genoemde bezinning en duscussie. Voor de kerken en de christenen individueel wordt het richtsnoer voor handelen gevonden in – om met de eerste bladzijde van de SV te spreken – 'de Bijbel, dat is de gansche Heilige Schrift'. Daarom is een voor een ieder toegankelijke bijbelvertaling van belang.
Voor een ieder. Erasmus zei het ongeveer zo: 'Bekrompen geestelijken beweren dat er iets ongeoorloofds geschiedt, wanneer een vrouw of een schoenmaker over de Heilige Schrift spreekt. Maar ik hoor liever meisjes en vrouwen van Christus spreken dan geleerden. Let eens op degenen, die Christus zelf onder Zijn gehoor heeft gehad. Was het niet het gewone volk? En waren er onder hen geen blinden, kreupelen, bedelaars, tollenaars, soldaten, hoofdmannen, arbeiders, vrouwen en kinderen? Of wil Christus dan, dat Hij niet gelezen wordt door dezelfde mensen die Hij wel onder Zijn gehoor wilde hebben? Als het aan mij lag, dan zouden de boer, de smid, de metselaar, ja zelfs de publieke vrouwen en' – naar ik aanneem in verband met de reële dreiging van het Osmaanse Rijk destijds – 'ook de Turken de Schrift lezen'.
Voor een ieder toegankelijk. Toegankelijk niet in de zin dat er na lezing geen vragen meer behoeven te worden gesteld. Wij weten dat ons dat in dit leven niet is gegeven. Wel toegankelijk in de zin dat de Bijbel 'een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad' is.
Misschien is juist vanwege het voorafgaande het bijbelwerk, zoals dat jaar in en jaar uit door het NBG wordt gedaan, een eerste en niet te onderschatten bijdrage aan de bezinning en discussie over normen en waarden. Vermoedelijk hebben in de 17e eeuw de Staten-Generaal, ondanks alle godsdienstige twisten en menigsverschillen, dat feilloos begrepen toen zij besloten tot financiering van een bijbelvertaling en na voltooiing de SV in de oorspronkelijke vorm koesterden (…).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Presentatie 'De Statenbijbel en zijn voorgangers'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's