De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

In het verleden werden soms discussies gevoerd, die men thans niet meer mogelijk acht. In het 'Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis' schrijft de lutheraan prof. dr. W.J. Kooiman in 1968 een artikel over 'Philippus Nicolai contra Petrus Plancius in de strijd om de ubiquitas'. Op Hemelvaartsdag van het jaar 1603 hield de calvinist Petrus Plancius een preek, waarin hij uitpakte tegen de lutheranen vanwege hun leer inzake de 'ubiquitas carnis Christi' (alomtegenwoordigheid van het vlees van Christus). In datzelfde jaar nog schreef de Hamburger predikant Philippus Nicolai een boek, deels bestaande uit een Open Brief aan de Staten-Generaal en deels (500 bladzijden) bestaande uit een uiteenzetting van de lutherse 'ubiquiteit'. In de strijd met de gereformeerden hadden de lutheranen van oudsher de stelling verdedigd, dat de werkelijke aanwezigheid van Christus 'niet met de mathematische en fysische ruimtebegrippen van deze wereldtijd kan worden beschreven'. Hier volgen nu twee citaten uit het artikel van Kooiman:

• 'Had Plancius in een nabeschouwing op zijn preek de leer van zijn tegenpartij geridiculiseerd, Nicolai kan niet nalaten in de "Summa" van zijn boek hem met gelijke munt te betalen. Dat gaat dan zo: Plancius weet als geograaf toch wel hoe hoog de hemel is? Wanneer het paradijs zich boven het firmament zou bevinden, is dat een afstand van in ieder geval 16.338.562 duitse mijlen, want zover is het volgens de berekeningen der sterrekundigen tot aan de vaste sterrenhemel. Brenz had dat reeds aan Bullinger voorgehouden en er bij gezegd, dat een loden gewicht dat van deze hemel valt, 500 jaar nodig heeft om de aarde te bereiken. Nicolai gaat nog een stapje verder. Hij heeft uitgerekend, dat als Christus met dezelfde snelheid als waarmee een loden molensteen naar beneden zou komen, is opgestegen, hij in het jaar 534 na zijn geboorte is aangekomen bij het bovenste firmament, waar hij doorheen moet om aan Gods rechterhand te komen, zoals Plancius zich die voorstelt. Stel, dat Christus' wederkomst over twee jaar plaats zal hebben, dan moet hij reeds in 1105 zijn weggereisd "und vonder zeit seiner raumllchen Ankunfft in den Himmel, biß zur zeit seiner raumllchen Widerkunfft, allein fünfhundert und ein und siebentzig jahr im Himmel still sitzen blieben". Maar stel dat Christus – naar ons mathematisch discours! – nog boven is en dat een ziel van een stervend calvinist met zijn ruimtelijke "Sursum corda" net zo snel kan opstijgen als het lichaam van Christus, dan hebben Zwingli, Calvijn, Occolampadius c.s. nog niet een vierde deel van de reis volbracht "und demnach uber vier hundertjahr noch zu klattern und zu steigen haben, ehe sie den driften Himmel ergreifen".
Ja, Nicolai doet er nog een schepje bovenop. Christus is immers niet van Amsterdam maar van Jeruzalem ten hemel gevaren, dat scheelt op de globe 36 graden en aangezien 1 graad op de globe correspondeert met 570.581 mijl in de hemelcirkel, moet Plancius, als zijn ziel naar het ruimtelijk paradijs varen gaat, er wel rekening mee houden, dat hij na zijn reis omhoog van 500 jaren nog een tocht moet maken van 20.540.916 mijl "ehe dass er Christum zu sehen kriege" (525-529)! (…)
Hij eindigt met een waarschuwing aan de Nederlandse lutheranen om zich door de "unruhigen Peter" niet te laten afhouden van de ware leer.
Dit bewogen getuigenis met zijn avontuurlijke theologische visies en zijn tekort aan understatements kwam uiteraard direct in handen van Plancius zelf. Hij liet er geen gras over groeien. Reeds een week na aankomst nam de schout bij de boekbinder Jac. Hermans in de Warmoessteeg alle 42 exemplaren in beslag. Hans Hunger moest de beide exemplaren die hij had achtergehouden persoonlijk naar schepenen brengen, waar hij een ernstige berisping had te incasseren. Dan beginnen de moeilijkheden.'


• 'Toen de lutheranen het waagden om hun gebouwencomplex aan het Spui uit te zetten, vond de knaap in de kerkzaal een bladpapier, als brief gevouwen. Daarop stond: "om door d'Ubiquitisten geopend te worden" en daarin:
Ubiquitisten, soo gij verder wilt versoeken
U Predickplaetse te vergrooten aan zijn hoeken
En geerne ruymte voor uwe alomheyt hadt:
Soo moet gij laeten nae te senden door de stat
U grove lasteraers, die valschelijck en met Loogen
De ware Leer en Lien hier te bekladden pogen
Met wonder veel bewijs –, dan alster comt op aen
Nochtans beschaemt en gelijck stomme boeken staen…
De dichter besluit met een ernstige waarschuwing om maar erg op te passen, "oft preekhuijs in de plaets van ruijmer, wort u nauwer".'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's