Scheiding en Vereniging
Herdenkingen
Het moet een indrukwekkend moment geweest zijn, toen op 17 juni 1892 in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam de vereniging plaatsvond van de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland met de vierde voorlopige synode van de Nederduitse Gereformeerde Kerken. Kortweg wordt deze gebeurtenis wel genoemd 'de Vereniging van 1892'. De negentiende eeuw sloeg diepe breuken in de Hervormde Kerk: 1834 en 1886, Afscheiding en Doleantie. In 1879 waren er in ons land bijna 2,2 miljoen hervormden en bijna 140.000 gereformeerden, in een verhoudingvan 15,5 : 1. Maar in 1899 waren er bijna 2,5 miljoen hervormden en bijna 420.000 gereformeerden en dat geeft een verhouding van 6 : 1. Prof. dr. O.J. de Jong, uit wiens bijdrage aan de bundel 'De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis' ik deze gegevens haal, spreekt van een 'Herschikt mozaïek'. De manier waarop de leiding van de Hervormde Kerk reageerde, was uiterst formeel. Er werden geen inhoudelijke gesprekken gevoerd over de geldigheid van de belijdenis of over het hanteren van leertucht. Na 1886 werd alleen maar geconstateerd dat b.v. de kerkeraad van Kootwijk met haar predikant ds. J.H. Houtzagers zich buiten de landelijke organisatie van de kerk hadden gesteld en daarom èn plaatselijk èn feitelijk niet meer hervormd waren. Hoe het ook zij, de negentiende eeuw brak de Hervormde Kerk in stukken. Juist in dat licht is de Vereniging van 1892 dan terecht te typeren 'als een waarlijk oecumenische gebeurtenis', gelijk ds. H. Bouma doet in de vrijgemaakt-gereformeerde herdenkingsbundel 'Vereniging in wederkeer'. Wie iets van het verslag leest van de verenigde zitting, merkt het bijzondere ervan op. De twee voorzitters, ds. W.H. Gispen van de Christelijke Gereformeerden en dr. A. Kuyper van de Nederduits Gereformeerden, slaan de handen ineen, Psalm 133 : 1 wordt gezongen, er volgen toespraken, er wordt een telegram verzonden naar koningin Emma. Ds. Beuker, een lid van het moderamen, ziet onder het publiek op de galerij een priester die zijn hoofddeksel het kerkruim in gooit. Hoogtepunt van de dag is het binnendragen van 'Vader Simon van Velzen' de oudste docent uit Kampen, in 1809 geboren in Amsterdam en voorman in de dagen van de Afscheiding in Friesland in 1835. Ds. Gispen sluit zijn toespraak af met de in onze ogen toch wat wonderlijk aandoende beeldspraak: 'Ik weet niet, hoe het in den hemel is; maar als de gelukzaligen daar met elkaar spreken en belang stellen in den strijd en de blijdschap der kerk op aarde, vertel dan uwe oude medestrijders wat gij hier hebt aanschouwd, en hun vreugde zal groot zijn, als Gij hun toeroept: e zijn een!'.
Voor wie de eenheid van gereformeerde belijders een groot goed is, heeft het lezen van alles wat tot de Vereniging heeft geleid en door de Vereniging aanvankelijk is tot stand gebracht, iets wat verblijdt en indruk maakt. Ik weet, je kunt er ook negatieve kanttekeningen bij plaatsen, zoals ook wel is gedaan. Het zou van Kuyper een onderdeel van zijn strategie zijn geweest om het front breder te maken, toen hij eenmaal in de gaten had, dat het grootste deel van de Hervormde Kerk buiten zijn kerkformatie zou blijven. Maar strategie in kerkelijk beleid en handelen kan soms ook geboden zijn om de zaak van Christus. J. Kamphuis stelt dat Kuyper bereid bleek zijn ideaal prijs te geven om met verloochening van eigen kerkelijke inzichten toch de roeping tot kerkelijke eenheid te volgen en na te blijven streven. Dat geldt ook voor iemand als Helenius de Cock, zoon van Hendrik de Cock en lange jaren docent aan de theologische School in Kampen, zoals dr. G.J. Schutte in een boeiende biografische schets weergeeft. Hoezeer hij zich verzette tegen Kuypers speculaties over de veronderstelde wedergeboorte en hoezeer hij ook wist dat deze bezwaren een groep Afgescheidenen ervan bleef weerhouden om tot eenheid met Kuyper en de zijnen te komen, toch hield Hel. de Cock vast aan de roeping tot eenheid. Want, zo zei hij, niet de theologen hebben in een gereformeerde kerk gezag, maar de confessie.
Een soortgelijke gedachtengang trof me ook bij wat dr. Bremmer schrijft over prof. Lucas Lindeboom. Een vooraanstaand leider van de Afgescheidenen en een fel bestrijder van Kuyper en de dolerenden, maar toch wijst ook hij de bezwaren tegen de Vereniging van de hand omdat deze plaatsvindt op de grondslag der Geref. Belijdenisgeschriften en Dordtse Kerkorde.
De confessie verenigt, ondanks een onderling afwijkende interpretatie ervan. Maar niet alle Afgescheidenen dachten er zo over.
Niet meegegaan
In een gesprek van dr. G. Puchinger met de intussen overleden H. Algra, merkte deze op, dat de Vereniging door heel veel afgescheidenen sterk werd begeerd. Algra herinnerde zich dat zijn moeder hem vertelde dat op de zondag na de Vereniging alle kerkgangers bijna van hun stuk raakten van ontroering, toen ze hoorden wat er de afgelopen week was gebeurd in Amsterdam. Dat toch een deel niet meeging, had volgens Algra te maken met hardnekkig verzet van kerkelijke leiders. Die bleven maar praten en kwamen daardoor hoe langer hoe meer van elkaar af te staan. De leiders van de tegenstanders in afgescheiden kring waren de predikanten ds. F.P.L.C. van Lingen en ds. Js. Wisse Czn. Ze stelden een bezwaarschrift op, ondertekend door 701 leden uit de kerken vlak voor de dag van de Vereniging ook in Amsterdam bijeen. Bekend is de formulering 'Tegen die Vereniging, op dit tijdstip en volgens deze voorwaarden, richt zich met alle aandrang onze bede'. Prof. Van 't Spijker schrijft erover onder de titel 'Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk'. Wie er nog meer van wil weten, kan ook terecht in het grote artikel dat Van 't Spijker schreef in de herdenkingsbundel van zijn kerken 'Een eeuw Christelijk-Gereformeerd'.
Theologisch zou je het hoofdbezwaar kunnen noemen om 'voor gereformeerd te erkennen, wat door voorgangeren der dolerende kerken in de laatste tijd in het publiek is uitgesproken en geleerd omtrent de Wedergeboorte en de Heilige Doop', om letterlijk uit het bezwaarschrift te citeren.
In de meer persoonlijke sfeer speelt een belangrijke rol het conflict tussen Kuyper en Van Lingen. Kuyper kon ook als een verpletterende wals over iemand die toch in wezen een broeder was, heenrollen. Van Lingen voelde zich terecht door Kuyper niet begrepen en daarom afgewezen. Het luistert soms heel nauw, juist ook in de persoonlijke sfeer. Maar bij Van Lingen was het toch ook weer niet zozeer persoonlijke geraaktheid, maar veelmeer een diepgevoelde geestelijke kloof. Prof. Van 't Spijker zegt het zo: 'Wat hem vooral in Kuyper tegenstond, was de wijsgerige trant van redeneren, die het eenvoudige geloof onder druk bracht'. Prof. M. te Velde blikt vanuit de huidige relatie tussen Vrijgemaakten en Christelijke Gereformeerden op de argumenten van Van Lingen en Wisse terug. Enige bitterheid is in de toon van zijn stuk te proeven en ik heb daar van zijn standpunt uit begrip voor. Hij acht de argumenten van toen èn die van de Christelijke Gereformeerden van nu om nog altijd niet tot meer eenheid met andere gereformeerde belijders te komen, een vorm van praktisch perfectionisme. Waar er in het wezen eenheid is, daar dient die eenheid ook kerkelijk gestalte te krijgen met ruimte voor verscheidenheid.
Christelijk Gereformeerd voortbestaan
In september vorig jaar hebben de Christelijke Gereformeerden op ingetogen wijze stilgestaan bij hun voortbestaan na 1892. Er verscheen ter gelegenheid daarvan een prachtig uitgegeven bundel, waarin prof. Van 't Spijker het grootste artikel schreef. Wie grondig wil worden ingeleid in de geschiedenis, maar ook in het eigene van deze zusterkerken, vindt hier een lezenswaardige gids. Dat er in 1892 een groep Afgescheidenen niet zijn meegegaan met de Vereniging en dat dit tot op de dag van vandaag zo is gebleven, heeft m.i. vooral te maken met het geestelijk klimaat. Ds. Van Lingen c.s. hadden meer van het geestelijk-bevindelijke in zich dan Kuyper c.s. Eigenlijk ligt daar vandaag nog altijd de oorzaak dat het niet echt wil tussen de nazaten van de Vereniging van 1892 en de Christelijke Gereformeerden. Van Lingen kende een sterker ontwikkeld gevoel voor het wezen van bekering in de mens. Bij Kuyper uitte de bekering zich veelmeer in zijn denken. Van Lingen had een gevoelsmatige verbondenheid aan de confessie, terwijl Kuypers denkkracht werd losgelaten op de confessie om deze 'in rapport met de tijd' te brengen. Kortom, het is een kwestie van een ander geestelijk klimaat. Wel hebben vrijgemaakten gelijk als ze de Christelijke Gereformeerden voorhouden: jullie ontzeggen ons in onze kerken opvattingen die je in je eigen kerken tolereert. Daar hebben ze niet helemaal ongelijk in.
Ik ga niet naar Ulrum!
Dat zijn woorden, hoe kan het ook anders, van dr. Ph.J. Hoedemaker. Ik vond ze in de bijdrage van drs. G. Harinck over de Vrije Universiteit. In de dagen die voorafgingen aan de oprichting van de VU, werd er stevig gediscussieerd in de senaat over de koers, die moest worden gevolgd. Hoedemaker dreigde direct al met opstappen nog voor er één college was gegeven, toen de kwestie van de weg waarlangs kerkherstel diende plaats te hebben, aan de orde kwam. 'Ik ga niet naar Ulrum!' Afscheiding is de weg tot kerkherstel niet, aldus Hoedemaker. Geen wonder dat hij, toen de Doleantie toch werd doorgezet, op 1 september 1887 alsnog zijn ontslag als hoogleraar indiende.
Met alle respect en achting voor en tevens geestelijke verbondenheid met hen die de weg gingen en blijven gaan van Afscheiding en Doleantie, blijven we toch zeggen, dat hun gang en keuze de oplossing voor de ene en ongedeelde gereformeerde kerk in ons land nog altijd helaas niet heeft gebracht… Ik haast me er echter wel direct achteraan te zeggen, dat wij als hervormd-gereformeerden dat evenmin hebben gedaan tot nog toe. De opmerking van prof. Mönnich, die ik een dezer dagen las, bevat veel waars als hij stelt dat de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk in feite de onzichtbare schisma's in de Hervormde Kerk van de negentiende eeuw heeft bestendigd.
Hoe verlegen staan we als gereformeerde belijders in ons land. Wie de hier besproken boeken leest (en ik kan het ieder die belangstelling heeft voor de historie van de gereformeerden in ons land zeer aanbevelen), komt in elk geval diep onder de indruk van de inzet die gereformeerden hebben getoond om tot echte eenheid te komen. Leeft die drang wel voldoende onder ons als hervormd-gereformeerden? Zijn wij soms niet te snel tevreden als ons maar een plekje wordt gelaten in een kerk die toch op sommige punten grondig afwijkt van het belijden dat ons diep in de ziel gekerfd dient te staan? Laten we elkaar in elk geval waar mogelijk blijven zoeken en vooral respecteren.
J. Maasland, Kootwijkerbroek
N.a.v.
– D. Deddens en M. te Velde (red.), Vereniging in Wederkeer, Opstellen over de Vereniging van 1892, De Vuurbaak Barneveld 1992 ƒ 34,75.
– ds. L.J. Wolthuis en dr. J. Vree (eindred.), De Vereniging van 1892 en haar geschiedenis, J.H. Kok Kampen 1992 ƒ 59,50.
– W. van 't Spijker, J.N. Noorlandt, H. van der Schaaf, Een eeuw Christelijk-Gereformeerd, Aspecten van 100 jaar Christelijke Gereformeerde Kerken, J.H. Kok Kampen 1992, ƒ 50,–.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's