De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hemelse roeping van de kerk op aarde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hemelse roeping van de kerk op aarde

11 minuten leestijd

Het is bij de opening van deze 87e jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk niet de plaats voor een terugblik op alles wat ons in het afgelopen jaar heeft beziggehouden. U bent daarover van week tot week op de hoogte gehouden door onze algemeen secretaris in het bondsorgaan, de Waarheidsvriend. Bovendien vindt u al die aandachtspunten terug in het jaarverslag van de secretaris. Toch wil ik nog wel twee vergaderingen, die ons bijzonder bezighielden en die een aparte plaats hebben gekregen in de geschiedenis van onze beweging, noemen. Dat is de ambtsdragersvergadering te Putten in november vorig jaar en de bijzondere synodevergadering in januari dit jaar. Er zijn weinig momenten geweest in de geschiedenis van de Gereformeerde Bond, die zoveel aandacht hebben gekregen als deze en die van zo groot belang waren voor de kerk en de gemeenten. In ootmoedige dankbaarheid mogen we daaraan terugdenken, dankbaarheid aan de Heere God. Hij heeft ons daarin niet alleen laten staan, in al de voorbereidingen daartoe en in de uitwerking daarvan. Ik denk daarbij dan ook aan het vele werk, dat hiervoor verzet is door de algemeen secretaris en zijn bureauassistentie. Het zijn ook momenten geweest, waarop wij bijzonder sterk ervaren hebben het meeleven van ieder, die onze beweging een warm hart toedraagt en zich nauw betrokken weet bij de nood, waarin de Nederlandse Hervormde Kerk zich bevindt.


Ik wil dan nog eens herhalen wat de algemeen secretaris na afloop van de synodevergadering schreef: 'Indrukwekkend is het meeleven van velen geweest in de weken die achter ons liggen. Er is veel gebed geweest. Velen hebben brieven geschreven. We kunnen er niet aan denken om allen die op enigerlei wijze hun diepe geestelijke betrokkenheid lieten blijken, soms gepaard gaande met vragen en adviezen, te beantwoorden. Maar wel is uit dat alles gebleken hoe breed en diep de zorg was, die we samen in de breedte van de hervormd gereformeerde kring en vaak ook daarbuiten hadden om de ontwikkelingen, die gaande zijn. De Heere heeft ons hierin ook doen ervaren, dat er sprake was van de stok van samenbinding en dat de gemeenschap een diepe notie is binnen de kerk. Daarvoor danken we Hem. We geven ook de verdere ontwikkelingen in Zijn hand. Dat sluit onze verantwoordelijkheid intussen helemaal in. Maar de kerk is des Heeren'.


Juist dat laatste: Maar de kerk is des Heeren, moge ons de moed geven op de ingeslagen weg voort te gaan. Het is niet onze zaak waarmee we bezig zijn. Indien dit niet zo was zouden alle pogingen onzerzijds tot vruchteloosheid gedoemd zijn. Alleen vanuit de róéping van de kerk op aarde is er hoop en verwachting, dat ons werk niet ijdel is in de Heere. Er is trouwens geen enkele reden tot enig triumfantalisme gezien de voortgaande diepe zorg over de nood van de kerk. We weten maar al te goed dat het hier de plaats van de rust niet is. Op aarde leven wij binnen de grenzen van de strijdende kerk. Het onbeweeglijk Koninkrijk verwachten we wel, maar het is hier en nu nog niet. Dat spoort ons aan tot het gebed om door de kracht der genade Gode weibehaaglijk te leven met eerbied en godvruchtigheid.

Twee heilsfeiten
Het moge ons daarbij niet ontgaan dat deze jaarvergadering wordt gehouden in de gang van het kerkelijk jaar tussen de herdenking van de twee heilsfeiten, de Hemelvaart van de Heere Jezus Christus en het Pinksterfeest, de uitstorting van de Heilige Geest. Uit alles wat ons vandaag bezighoudt in kerk en samenleving blijkt overduidelijk dat Christus bij Zijn Hemelvaart Zijn Kerk op áárde achter liet. Christus, het Hoofd der Gemeente, voer op, zoals Hij dit Zelf zei: 'Tot Mijn Vader en tot uw Vader'. Maar Zijn Kerk en Gemeente nam Hij niet mee. Wel nam Hij haar mee in Zijn hart om haar nooit te vergeten, maar naar de uiterlijke gestalte bleef zij achter in deze wereld. Zo bleven de elf discipelen als de representanten van de kerk. Hem nastarend achter op de Olijfberg met de opdracht: 'Gij zult Mijn getuigen zijn'. Dat was het eigenlijke antwoord op hun vraag: 'Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?' In deze vraag vertolkten zij hun verlangen naar rust en naat ambtelijke zeggenschap, niet minder ook hun hartstochtelijk verlangen naar de erkenning van Christus heerschappij op aarde.
Een vraag overigens die ons niet minder uit het hart gegrepen is. Wie onzer verlang niet naar rust en vrede binnen de kerk en de gemeenten! Wie ziet niet met groot verlangen uit naar de tijd, waarin de wezenlijke vragen van het geestelijk leven met God door het geloof in de Heere Jezus Christus niet meer in het gedrang komen door de voortdurende vragen naar uiterlijke vernieuwingen in de kerk! Een tijd, waarin elke verandering binnen de kerk geen teken is van verval maar van vernieuwing door de Heilige Geest, een omwending naar en toewending tot de Heere, het Hoofd van de Kerk. Het is niet goed met ons als wij niet van tijd tot tijd bevangen worden door een hartstochtelijk verlangen naar het moment, waarop er een einde komt aan de doelstelling van onze beweging, die immers is: de kerk op te richten uit haar diepe verval; een verval waar wij overigens zelf ook schuldig aan zijn. Ontbreken vaak ook niet in eigen kring de duidelijke tekenen van de alléén-heerschappij van Christus? Christus liet de kerk op aarde niet achter om voor eigen beweging op te komen, maar om getuigen te zijn van Hem als Hoofd van de christelijke kerk, om Zijn heerschappij uit te roepen in kerk en samenleving.

Hemelvaart
Hemelvaart is het feest van de kroning van de Koning der koningen. Nu juist de vragen van de belijdenis der kerk weer zo indringend aan de orde zijn, mogen we niet uit het oog verliezen, dat de oorspronkelijke belijdenis van de eerste christengemeente was, dat Christus de Kurios is, dat Christus de Heere is. Daar is Zijn Hemelvaart de garantie van. Daarom zal te meer onze hoop op Hem gericht moeten en mogen zijn. Deze Christus is onze enige hoop voor onszelf en voor het geheel van de kerk, niet minder ook voor al de inspanningen, die wij binnen de Gereformeerde Bond ons hebben te getroosten. Zo liet Hij Zijn Kerk op aarde achter onder Zijn zegenende handen. Het staat er toch niet voor niets in Zijn getuigenis: 'En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de Hemel' (Lucas 24 vers 51). Dat is toch het ooggetuigeverslag, dat de Heilige Geest liet optekenen tot troost en bemoediging voor de kerk op aarde, in de roeping waarmee Hij haar roept. Dat zijn de zegenende handen van Hem, Wien is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Deze zegenende handen spreken boekdelen. Het zijn de boeken van het Evangelie van Hem, Die eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde en nu is opgevaren ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. Nu mag de kerk. Zijn gemeente, als Zijn lichaam leven op aarde als onder haar Hoofd, onlosmakelijk met Hem verbonden, mits zij leeft in de roeping om getuige van Hem te zijn. Zeker, als kerk op déze aarde, maar Hij regeert haar vanuit de hemel. Calvijn zegt daarvan: 'Zo dan indien wij er naar staan, dat God gediend en geëerd wordt, en wij rustig onze Heere Jezus Christus Zijn koninklijke zetel laten om over ons te heersen, en wij Zijn volk willen zijn, dat leeft onder Zijn hoede, zo zullen wij op Hem gebouwd worden en samenverbonden zijn en daarin ook volharden tot het einde toe'.


Hemelvaart mag voor ons zijn het hart der religie. Het is het bewijs, dat Christus de machten heeft overwonnen. Het Hoofd is boven en ieder, die zich door het ware geloof aan Hem verbonden weet, zij ervan overtuigd dat Hij daar is, de kerk ten goede, ons ten goede. In de roeping om getuigen van Hem te zijn staan wij niet alleen op deze aarde. We staan met al de zorgen en moeiten, die aan het getuigen-zijn verbonden zijn, in de traditie van de kerk, der eeuwen. We mogen geloven, dat Christus het Hoofd van de kerk. Zijn lichaam, naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest nimmermeer van ons wijkt. Met de hemelvaart in de rug mogen we moedig voortgaan, ook in deze bewogen tijd, waarin zoveel in kerk en samenleving op ons afkomt. We moeten bij alle vragen, die op ons afkomen nooit uit het oog verliezen waartoe Christus roept in het werk der bediening. Paulus omschrijft deze roeping voor de gemeente te Efeze: 'De opbouwing van het lichaam van Christus, de enigheid des geloofs en der kennis van de Zoon van God opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind van leer, door bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen. Maar de waarheid betrachtende in liefde en op te wassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus' (Efeze 4 vers 12-15).

Pinksteren
In deze roeping van de kerk op aarde staat zij niet alleen. Zij leeft niet alleen na de hemelvaart van haar Hoofd Christus, maar ook na het Pinksterfeest, de uitstorting van de Heilige Geest. Dat mag ons in deze tijd, waarin zoveel van het getuigenis van Christus in twijfel wordt getrokken, wel tot bezinning brengen. Pinksterfeest is verworteld in Christus' hemelvaart. De Geest is aan de kerk gegeven als een tegenpand. Pinksteren is de blijvende waarborg, dat Christus, het Hoofd der kerk. Zijn gemeente op aarde niet heeft verlaten. Het is en blijft de vervulling van Zijn belofte, die voorafging aan de roeping van Zijn discipelen: 'Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal'. Het eenmalig gebeuren op de Grote Pinksterdag is en blijft het duidelijkste bewijs, dat Christus voortgaat met Zijn verzamelend en bewarend werk van de kerk op aarde. Dat geldt vandaag nog. Hij blijft de christelijke kerk getrouw, ondanks haar vaak ontrouwe gestalte. Zo zal ook de Geest haar trouw blijven tot aan het eind der tijden. Niet voor niets wijst de engel de discipelen op de Olijfberg op de wederkomst van Christus.


In het rechtsgeding in deze wereld, waarin Christus' heerschappij in de samenleving, en helaas vaak ook in de kerk, wordt ontkend en veracht, staat de kerk, zo zij trouw blijft aan haar roeping, niet alleen. Zo zij maar, zoals de Heidelbergse catechismus belijdt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittend ter rechterhand Gods, en niet die op de aarde zijn. Dat wil ook zeggen dat wij niet op aardse wijze bezig mogen zijn in de kerk om allerlei vernieuwingen door te drijven of om het Evangelie van Christus' kruis en opstanding voor de mens aannemelijk te maken. In de apostolische geloofsbelijdenis staat de belijdenis van de heilige algemene christelijke kerk onder de belijdenis: Ik geloof in de Heilige Geest. Deze volgorde van belijden leert ons, dat niet wij kunnen beschikken over de kerk, die immers 'des Heeren' is. Evenmin hebben we zeggenschap over de Heilige Geest. Deze gaat van Christus als het Hoofd van Zijn gemeente op aarde uit. Hij weet, dat dit niet de kerk in ruste is maar dat zij staat in het strijdperk van dit leven, tussen Zijn hemelvaart en Zijn wederkomst.


Bij alle pogingen de kerk op te richten uit haar diepe verval en een dam op te werpen tegen de snelle leegloop van de kerk, is er maar één weg. Dat is de weg van de verootmoediging en onderwerping aan de Heilige Geest. Alleen de Geest kan ons de weg wijzen, waarop wij onze roeping moeten vervullen. Ieder die zo gemakkelijk roept en zegt hoe het antwoord moet zijn op de brandende vragen in kerk en samenleving moge dit wel bedenken. Vanuit onze verlegenheid rijst de dringende bede: Kom Schepper Geest, doorwaai de hof!
Alleen het ongetwijfeld geloof in de vernieuwende kracht van de Heilige Geest geeft ons moed en hoop voort te gaan. Dat is ook de roeping, die wij de kerk in deze tijd hebben voor te houden. Niet het zien op onszelf als beweging, maar het biddend opzien tot Christus schept verwachting. We mogen nooit vergeten, dat Christus aan de roeping van Zijn discipelen al eerder de opdracht verbonden had te Jeruzalem te blijven totdat zij de kracht des Heilige Geestes ontvangen hadden. Zo mogen wij elkaar wel opwekken tot het gebed om de Geest, allereerst voor ons eigen persoonlijk leven, opdat wij met des te meer kracht zullen bidden om de Geest voor geheel de kerk. De Geest alleen kan de noodzakelijke vernieuwing geven, die wij allen in deze tijd nodig hebben. Hij alleen kan ons de eenheid geven, die nodig is om in geloof, hoop en liefde, hand in hand te getuigen van Christus. Alleen de Heilige Geest schept de ware enigheid des geloofs, die onmisbaar is om eensgezind de roeping van de kerk op aarde te volbrengen.

C. van den Bergh, Noordwijk aan Zee

(Openingswoord voor de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op woensdag 26 mei 1993 te Nijkerk.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Hemelse roeping van de kerk op aarde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's