Wanneer kerkelijk bestuur een juk wordt
Als we de vraag aan de orde stellen door wìè en hóé de kerk wordt bestuurd of geregeerd, dan mag het antwoord niet anders zijn dan door de verhoogde Christus vanuit Zijn troon. Hij wandelt temidden van de kandelaren. Hij heeft de zeven sterren in Zijn rechterhand. De kerk is kerk van Christus. Hij heeft het voor het zeggen door Zijn Woord en Geest.
Maar intussen behaagt het Hem de kerk ook concreet te dóén besturen, door en vanuit de ambten. Ambtsdragers vertegenwoordigen de verhoogde Christus, om de gemeente Gods te leiden en te weiden. Als zodanig verdient het ambt respect. En als zodanig zou het werk van de ambtelijke vergaderingen der kerk ook in hoog aanzien moeten zijn bij de gemeenten. Zo op het eerste gezicht is het daar s'oms verre van. Wat de synode betreft lijkt bijvoorbeeld de afstand tot de gemeente groot te zijn en het respect gering. Men komt soms ook niet al te gunstige bejegeningen van dit hoogeerwaarde college tegen in de gemeenten. 'Die synode doet maar', is een vaak gehoorde uitdrukking. Synodale stukken heten verder al snel onder de tafel van kerkeraden te verdwijnen.
Vandaag speelt ook een rol de devaluatie van het ambt. Die gaat zeker ook niet aan de gemiddelde kerkeraad voorbij. Maar de kerkeraad is in ieder geval merkbaar en zichtbaar méér nabij voor de leden der gemeente. 'Leidschendam' vertegenwoordigt, om zo te zeggen, een veel meer onzichtbaar gebeuren. Dáár doet men maar, welnu dan dòèt men er ook maar.
Toch wordt anderzijds allerwegen in de kerk beseft – en dat blijkt bij cruciale ontwikkelingen in de kerk – dat in de ambtelijke vergaderingen toch wezenlijke beslissingen worden genomen en ook moeten worden genomen. Zouden we vragen hoe kerkelijk bestuur anders zou moeten dan langs de weg van de ambtelijke vergaderingen – kerkeraad, classis en synode – dan hebben we toch geen deugdelijk alternatief. De vraag is bovendien of we dat als nazaten van de Reformatie, staande in een presbyteriaal-synodale kerkelijke traditie, ook moeten of zelfs mogen willen.
Kerkelijk bestuur is onontbeerlijk. Wanneer wordt kerkelijk bestuur echter tot een juk? En wannéér het een juk wordt, wat dan? Hierover wil ik verder nog wat met u nadenken.
Bijbels
In Handelingen 15, waar over het apostelconvent gehandeld wordt, vinden we bijbelse richtlijnen voor een synode. Niet ieder is van gevoelen, dat het apostelconvent een synode was. Maar ik voeg mij in deze naar Calvijn, die het convent een synode noemt en dan tevens zegt, dat ons in het apostelconvent van Godswege wordt voorgeschreven op welke wijze en met welke orde het zal toegaan in de kerk, namelijk 'wanneer zich een geschilpunt voorgedaan heeft, hetwelk op geen andere wijze kan worden bijgelegd.' Hij bedoelt dan, dat de apostelen en de ouderlingen – dus de ambten – samenkwamen en er bijvoorbeeld niet een publiek twistgesprek, ten aanhore van het ganse volk gehouden werd.
Aan de orde was op het apostelconvent de besnijdenis naar de wijze van Mozes. Er kon – zo meenden christenen uit de joden – geen sprake zijn van heil, van zaligheid, zonder besnijdenis. Het geding in deze kwestie tussen christenen uit de joden en uit de heidenen was daar heel duidelijk dus een leerkwestie.
Calvijn legt er dan nogal de nadruk op dat, hoewel de afgevaardigden 'ernstige mannen en openlijke leraren der kerk waren', ze nogal wat tijd hebben nodig gehad om uit deze netelige kwestie te komen. Terwijl Christus zelf het voorzitterschap bekleedde – zegt hij – heeft Hij toch toegelaten, dat over het voornaamste stuk der leer verschillend werd gedacht. Petrus zegt, bij alle verschil, dat er was, niet onduidelijk: 'aan de heidenen is de Heilige Geest geschonken, gelijk ook aan ons' en hij voegt eraan toe, dat er geen onderscheid is: 'hùn harten zijn gereinigd door het geloof, evenals ònze harten.'
Het wordt uiteindelijk een synodevergadering, waar het op een bepaald moment heftig toegaat. Maar men komt eruit. En uiteindelijk wordt een besluit genomen, waarin wordt gezegd, dat het de Heilige Geest en die ambtelijke vergadering sámen, en bovendien samen met de hele gemeente (vs. 22), goed heeft gedacht enkele dingen te regelen, die voor alle gemeenten zullen gelden, waarbij men echter geen lasten oplegt, die voor de gemeenten te zwaar zullen zijn om te dragen. In het beroep op de Heilige Geest en op hun ambtelijke volmacht ligt dan intussen de legitimiteit, waarmee men zich met gezàg tot het volk richtte.
In vers 10 van Handelingen 15 valt echter het woord juk. Er wordt niet gezegd, dat géén juk wordt opgelegd. Er wordt gezegd, dat geen juk wordt opgelegd, dat de váderen niet hebben kunnen dragen en zij zelf ook niet zullen kunnen dragen. Calvijn zegt hier, dat 'de eenvoudige leer van goed te leven, door welke God ons tot Zich roept, een juk is, dat wij allen gewillig op ons moeten nemen'. 'Wij mogen dus allerminst het juk der wet weigeren – zegt hij – indien wij alleen het oog hebben op haar eenvoudige leer.' Maar wie de gemeente weer ònder de wet brengt – in het geval van het apostelconvent dus van de besnijdenis – die legt een juk op, dat ondragelijk wordt. Ik citeer Calvijn hier letterlijk:
'Waar overigens niet alleen de genade van de Heilige Geest tegenwoordig is, om ons te besturen, maar wij ook de genadige vergiffenis der zonden deelachtig zijn, die ons verlost en vrijspreekt van de vervloeking der wet, daar wordt het woord van Mozes waargemaakt: dat het gebod ons niet te hoog is. Dan gevoelen wij ook hoe zacht het juk van Christus is, en hoe licht Zijn last. Want overmits wij weten, dat ons door de genade Gods geschonken wordt wat in ons ontbreekt vanwege de zwakheid in ons vlees, zo nemen wij gewillig en zonder tegenspreken op ons, wat Hij ons oplegt. Indien dus de vervloeking der wet slechts weggenomen is, is de leer der wet niet aleen dragelijk, maar zelfs aangenaam en zoet; dan zullen wij de teugel niet weigeren, die ons liefelijk regeert, en ons niet harder knelt, dan behoorlijk is.'
Men proeft hier de intentie. Het juk van Christus mag worden opgelegd en dat zal nooit te zwaar zijn om te dragen. De kerk zal 'liefelijk worden geregeerd'. Het ging op het apostelconvent over de leer van de wet of de genade. Dáárover kon met apostolische volmacht worden gezegd: 'het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht.' Niet ons en de Heilige Geest maar de Heilige Geest en ons. De ambtsdragers schuilen weg achter de Geest.
Synoden
Nu zegt prof. dr. D. Nauta over synoden, dat het bijeenkomsten zijn van kerkelijke aard, die tot doel hebben het behandelen van kerkelijke aangelegenheden, in het bizonder betreffende 'de leer, de inrichting, de cultus en de tucht', en die daaromtrent bindende beslissingen nemen. Zo kennen we de vroeg-christelijke concilies. Die hadden aanvankelijk overigens alleen geestelijk aanzien. Maar op den duur werd aan hun besluiten ook rechtskracht toegekend, ondersteund soms ook door gezag en geldigheid van rijkswetten. De besluiten werden bindende besluiten.
Nauta legt er nog eens de nadruk op, dat Calvijn de voorwaarde aan concilies en synoden heeft gesteld, dat Christus er de voorzitter is en alles er door Zijn Woord en Geest bestuurd wordt. Calvijn was van oordeel – aldus Nauta – 'dat er geen beter en zekerder geneesmiddel is dan dat een synode van ware bisschoppen (!) samenkomt om een uitspraak, uit de Schrift genomen, openbaar te maken, die twijfel bij het volk kan wegnemen.'
Voetius heeft in deze gezegd, dat alle bevoegdheid in de kerk berust bij Christus en dat de bevoegdheid in de kerk, zowel van de kerkeraad als van de meerdere vergaderingen, daarom 'een dienend, een gelegitimeerd, een geestelijk en een afgeleid karakter draagt.' Met gelegitimeerd karakter bedoelt hij dan, dat er geen strijdigheid mag zijn met het Woord Gods.
Lijnen naar vandaag
Het is, besef ik, intussen allemaal niet niets wat we tot nu toe in kort bestek uit de Schrift en de uitleg van Calvijn naar voren brachten met betrekking tot het karakter van synoden en het rechte functioneren daarvan.
Christus moet er voorzitter zijn. Wie durft als synodepraeses nog op de voorzitters stoel plaats te nemen?
Het gelegitimeerde karakter van een synodevergadering betekent, dat er geen strijdigheid mag zijn met het Woord Gods. Maar een éénparig geloofsgetuigenis aangaande het Woord zelve is er vaak niet.
En, last but not least, na afloop van beraad mag worden gezegd: 'het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht.' Is dat niet ver van de werkelijkheid vandaag?
Dit laatste slaat dan vooral op kwesties inzake 'de heilige leer'. Ik onderstreep nog eens wat Calvijn zei, namelijk, dat het een synode er vooral om te doen moet zijn om bij het volk twijfel weg te nemen door uitspraken, uit de Schrift genomen, openbaar te maken.
Het moet in de meerdere vergaderingen van de kerk, zo bezien, dan ook vooral en in de eerste plaats gaan om de rechte leer. Altijd weer de rechte leer! Het gáát om de leer en dan drááit het ook om de ethiek. Elke generatie moet opnieuw horen wat de leer van vrije en bevrijdende genade is. Daarin moeten kerkelijke vergaderingen gemeente-opbouwend zijn. Daaromtrent moet alle twijfel worden weggenomen. Gebeurt dit niet, dan blijft het volk ten diepste onder het juk van de wet, van welke wet dan ook, of van allerlei menselijke inzettingen, in ieder geval van lasten, die te zwaar zijn om te dragen.
De meerdere vergaderingen der kerk zullen dus vooral geestelijke vergaderingen zijn, waar het gaat over de fundamenten van het kerk zijn, ook al zal er soms geducht moeten worden geworsteld om de onderste steen boven te krijgen. Dat geldt voor de synode en voor de classis. Er mag best een stuk moeite zijn om te komen tot klaarheid omtrent het juiste verstaan van de Schrift. Overhaaste beslissingen zijn hier zelden goed. De factor tijd is ook voluit geestelijk. Met betrekking tot de moeite, die het apostelconvent in deze reeds had, zegt Calvijn, dat daaruit blijkt hoe de Heere Zijn Kerk door de zwakheid van mensen heeft geoefend, 'opdat zij leren zou bescheiden te zijn in haar weten.'
We moeten echter in alle eerlijkheid zeggen, dat er met betrekking tot dit geestelijke, op de rechte leer gerichte karakter van de meerdere vergaderingen der kerk toch wel grote wijzigingen zijn opgetreden. In de eerste plaats heeft dit als oorzaak, dat het synodale gebeuren zo gedifferentieerd oftewel verdeeld is als de kèrken verdeeld zijn. Ieder heeft eigen synodetje. Eén nationale synode is allang verleden tijd. En allang gaat het meestal niet meer om de klassieke leer der Schriften, de leer van de Kerk der eeuwen. Noem mij één kerk waar dat wèl het geval is.
Waar beraad over de leer intussen wel aan de orde was, vanwege een leergeschil, werden de verschillen erover vaak alleen nog maar aangescherpt zodra men er dan synodaal over kwam te spreken. De kerkgeschiedenis alleen al in ons land, zowel in de grotere kerken als in allerlei kleinere kerken op het protestantse erf, leveren er de voorbeelden van. In plaats van de conclusie: 'het heeft de Heilige Geest en ons behaagd eenparig te spreken', sprak de één over de ander in naam des Geestes. Het resultaat was niet zelden een kerkscheuring: Assen (1923), de Vrijmaking (1943), de scheuring in de Gereformeerde Gemeenten (1953). In plaats dat synoden dan kwamen tot bevrijdend spreken werden eerder extra lasten opgelegd. De leer moest nog begrensder worden geformuleerd. Wanneer dan ook kerkelijk bestuur inzake de léér een juk wordt, kan het hard toe gaan. Meestal gaat het dan overigens niet om de klassieke leer van de kerk der eeuwen maar om eigen kerkelijke leer-stelligheid.
De Hervormde synode heeft in de naoorlogse jaren een opbloei gekend als het gaat om bezinning op klasssieke thema's uit de schat van de kerk der eeuwen, zoals de verkiezing en de verzoening. Ook hier was echter geen eenparigheid. Er was echter wel bezinning. Van de weeromstuit zijn we er als Hervormde Kerk nu grosso modo ook het zwijgen toe gaan doen. We hebben de resultaten van het beraad over genoemde thema's opgeborgen in kerkelijk min of meer geijkte geschriften en het lijkt alsof er vandaag, wat de klasssieke leer der kerk betreft, niets meer te spreken valt. Dat moet op zich, de grote verschillen ten spijt, als een grote verarming worden aangemerkt. Intussen komt het zo maar moeilijk meer over onze lippen, dat we ten aanzien van synodaal beraad zeggen of kùnnen zeggen: 'Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht'.
In het gesprek, dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond enige weken geleden had met het moderamen van de synode van de Gereformeerde Kerken, werd overigens wèl gezegd, dat de nieuwe wegen, die men daar momenteel in theologisch opzicht, of liever: inzake het belijden der kerk gaat, wegen zijn, die de Heilige Geest wijst. Ons werd zelfs als hervormd gereformeerden tegengeworpen, dat we die nieuwe wegen van de Geest niet zien. We zouden er dan overigens aan willen herinneren, dat het nog niet zo lang geleden is, dat de synode van de Gereformeerde Kerken een zogeheten 'verschralingsrapport' heeft uitgege ven, namelijk toen de kanteling daar echt begon door te werken. Daarin werd gesproken over een 'manco des Geestes' in deze kerken. Is dat manco des Geestes er nu niet meer? Of moeten we juist niet zeggen dat, wanneer enerzijds over verschraling gesproken moet worden, het anderzijds toch wel uiterst riskant is om de bakens in belijdend opzicht te verzetten?
Appèl
Dit alles zo zijnde zullen we nochtans, gegeven onze presbyteriaal-synodale kerkstructuur, de kerk in haar synode aanspreken op de noodzaak om, in eenparigheid, onder aanroeping van de leiding van de Heilige Geest, te spreken over fundamentele zaken. Wat zou het groot zijn wanneer in deze tijd van Godsverlating en wetsverzaking de kerk tot een bevrijdend, geestelijk woord zou mogen komen, waarin we samen zouden herkennen de wegen, die de Geest vandaag wijst. Maar misschien moet er dan wel allereerst fundamenteel worden nagedacht over wat we onder het werk van de Geest Zèlf vandaag vanuit de Schriften zullen verstaan. Misschien is het vandaag daarvoor zelfs wel de kairos, de gelegen tijd. Om de geesten te onderscheiden of ze van God, of ze van Zijn Geest zijn, en om de geestelijke gaven te onderscheiden, die vandaag geoefend moeten worden. New Age enerzijds en de charismatische beweging anderzijds, alsook de uitingen van moderne spiritualiteit nopen daartoe.
Wanneer nu de kerk in haar ambtelijke vergaderingen – de synode niet in de laatste plaats – niet echt geestelijke leiding geeft, ontstaat een vertrouwenscrisis. Dan devalueert de synode tot een regelgevend lichaam, waarvoor het gevaar geldt, dat haar bestuur een juk wordt. Concrete maatregelen kunnen dan zelfs als bedreigend voor de gemeenten worden ervaren. Dat geldt zeker als intussen wel ethische beslissingen worden genomen of richtlijnen worden ontworpen, waaraan ethische keuzen ten grondslag liggen. In dat opzicht gaat de Hervormde Kerk vandaag over het scherp van de snede. We denken aan het zogeheten partnerpensioen.
Op de vergadering van de hervormde synode van 19 maart laatstleden werd gesproken over een onderzoeksrapport 'Ruim aan bod'. In dit rapport, opgesteld door de Hogeschool De Vijverberg, werd geconcludeerd, dat 75 tot 80 procent van de gemeenten niets doet met de aangeboden synodale post. Dat mag te denken geven. Dat heeft enerzijds ongetwijfeld te maken met het feit, dat deze post ook goeddeels komt uit een functionarissencircuit. Maar anderzijds werd ook eerlijk gezegd, dat – en het is al herhááldelijk eerder gezegd – de kloof tussen synode en gemeente groot is. Dat moet op zich een ongezonde toestand heten. Want wanneer we ten principale kiezen voor een gereformeerde, ambtelijke structuur van de kerk, moet er sprake zijn van een lage drempel en een gezonde wisselwerking tussen de meerdere vergaderingen en de plaatselijke gemeenten.
Wat de kerk bovendien, bij alle geestelijke malaise, die er is, in haar synodale structuur ook mist, is een levende, persoonlijke relatie tussen top en grondvlak. In kerken van gereformeerde signatuur in Oost-Europa, kent men behalve het ambt van ouderling en predikant – niet altijd het ambt van diaken – ook het ambt van bisschop. Gezien de hiërarchische ontsporingen bij Rome wordt in het algemeen in de gereformeerde traditie terecht gevreesd voor te grote machtsconcentratie bij enkelen en kent men het ambt van bisschop derhalve niet. Bij mijn laatste bezoek aan Hongarije heb ik echter van nabij ervaren hoe het ambt van bisschop in een gereformeerde kerk ook zó kan worden uitgeoefend, dat deze heel dicht bij de gemeenten staat, namelijk wanneer hij in prediking en voorbede de gemeenten bemoedigt of anderzijds geestelijk present is in andere verbanden van de kerk. Dat element is te onzent vanuit de landelijke kerk volstrekt afwezig. Ik voeg er direct aan toe dat men zulks ook beter nìèt kan hebben wanneer het verkeerd wordt ingevuld, maar ik zeg anderzijds nog eens, dat een geestelijke kloof tussen meerdere vergaderingen en gemeenten nog versterkt wordt door het ontbreken van een persoonlijke communicatie. We hebben ons synodebureau.
We hebben als Hervormde Kerk overigens ook geen roepende gemeente, wanneer de synode samenkomt, met een bidstond aan de vooravond van de synode.
De apostelen en de ouderlingen van het apostelconvent werden ontvàngen door de gemeente in Jeruzalem. Bij die ontvangst ging het ook voluit geestelijk toe. De afgevaardigden hebben met elkaar en met de gemeenten gesproken over de bekering van de heidenen, over de grote dingen, die God gedaan had.
Samen op Weg
Wat betreft bestuur, dat als juk ervaren wordt, permitteer ik me toch opnieuw enkele opmerkingen over Samen op Weg. De beleidsmatige structuur is hier al zo complex geworden, dat niemand meer weet waar de echte verantwoordelijkheid nog precies wordt gedragen. Het proces is al zó ver gedifferentieerd en gedemocratiseerd, dat er sprake is van een wirwar van beleidslijnen. Maar uiteindelijk wordt in de gemeenten toch – en terècht – de verantwoordelijkheid gelegd bij de synode. Dat is dan overigens ook nog eens een vergadering met steeds wisselende mensen, die ook niet persoonlijk echte invloed kunnen uitoefenen op een koers, die al vóór hen is uitgezet. Maar in de gemeente leeft de gedachte: de trein gaat maar door, de synode doet maar. Samen op Weg als bureaucratisch juk!
De gemeente ondergaat de druk van het proces als een juk, dat wordt opgelegd.
Hier valt met name ook te denken aan de ingrijpende beslissingen, die genomen staan te worden, ten aanzien van de classis, waar immers de gemeente nog het dichtst bij staat. Maar ook waar plaatselijk het proces geforceerd wordt, is er soms sprake van een juk, dat te zwaar is. Wat te denken van een gemeente, waar in de meeste wijken het proces is doorgezet en waar van het ene moment op het andere gold, dat met betrekking tot het aantal kerkgangers één plus één één was? De gemeente haakte af.
In het verleden hebben afscheidingen plaatsgevonden, waarbij de problemen werden herleid tot die van het zogeheten 'synodale juk', waar de gemeenten onderdoor gingen. 'Het synodale juk' is zelfs een staande uitdrukking geworden. Welnu, bij hereniging van kerken kan, zo goed als bij afscheidingen, óók dit synodale juk drukken.
Recent heeft in het Centraal Weekblad drs. M.J. Aalders, gereformeerd predikant in de gefedereerde gemeente te Amstelveen, gezegd dat, wanneer het Samen op Weg proces voort moet gaan met al te veel toegeeflijkheid in de richting van de Gereformeerde Bond, een keer de grenzen van de gereformeerde tolerantie worden bereikt. Mutatis mutandis kan worden gezegd dat, wanneer het proces geforceerd voortgaat zoals het gaat, ook de grenzen van de hervormd gereformeerde tolerantie worden bereikt. Dat geeft toch een onverkwikkelijk spanningsveld. Drs. Aalders is bevreesd, dat de kerk zich derhalve verliezen zal 'in lastige en vooral ook kostbare bureaucratie.' Hij pleit er dan ook voor, dat het proces in dat geval volstaat met het laten voortgaan van federatieve gemeenten, want die, zegt hij, 'kunnen nu heel goed functioneren onder de tussenorde en dat zal ook in de toekomst mogelijk zijn.'
We beamen dit. Waarom moeten we met elkaar onder het juk van een voortgestuwd proces met geforceerde eenheid door, dat op den duur een harnas wordt, waarin tenslotte niemand meer zal kunnen gaan. Deze cri de coeur mogen we dan met name dáárom nog wel weer eens uiten, omdat het vaak aan geestelijk vertrouwen tussen synode en gemeente schort. Een kerkelijke vergadering, die geen geestelijke gemeenschap schept, komt niet verder dan het opleggen van kerkelijke eenheid.
Laagkerkelijk?
Van de weeromstuit, gegeven het feit dat kerkelijk bestuur als knellend juk is of wordt ervaren, worden hier en daar ook keuzen gemaakt voor laagkerkelijke structuren, of men dat nu vangen wil onder de benaming congregationalisme of independentisme. Dan spreek ik niet over de evangelische wereld, waar men überhaupt de bizondere ambten niet kent maar volstaat met het ambt aller gelovigen. Ik bedoel hier ook het protestantse, liever nog het gereformeerde erf. De Nederlands Gereformeerden bijvoorbeeld zijn van synodaal gekrakeel – eerst de doleantie, toen de vrijmaking en later de vrijraking – zó kopschuw geworden, dat ze niet tot synodevorming zijn overgegaan. En oud gereformeerden hebben met hun laagkerkelijke model ook nooit van synoden willen weten.
Op de laatst gehouden conferentie van het Contact Orgaan voor de Gereformeerde Gezindte kwam één en ander ook aan de orde. Staan al onze kerkelijke structuren, met name onze synodale instituten, kerkelijke toenadering, ook van kleinere kerken, niet in de weg? En – nog een stap verder – zouden ze niet belemmerend zijn voor het werk van de Heilige Geest? Zou een laagkerkelijk model, met meer vrijheid voor de gemeenten, ook niet heel wat bevorderlijker zijn om verkeer tussen kerken of zelfs meer kerkelijke eenheid te bevorderen?
Feit is, dat onze doortimmerde instituten, waar alles langs synodale weg of langs de weg van organen of commissies, die door de synode zijn ingesteld, moet verlopen, grote moeizaamheid en traagheid betekent in het kerkelijk overleg. Samen op Weg zelve is er een voorbeeld van. Binnen de kortste keren kan een geestelijke zaak bureaucratisch worden ontkracht. Wat dit betreft zou onze hoogkerkelijke structuur meer laagkerkelijk dienen te worden afgedrempeld, bijvoorbeeld naar de classis toe.
Toch kan een principieel laagkerkelijke weg naar onze vaste overtuiging geen echt begaanbare weg zijn. In de eerste plaats willen we opmerken dat, wanneer het geestelijk laag tij is, de kerk met welke andere structuur dan ook niet geestelijker wordt. Maar in de tweede plaats: wanneer gemeenten niet meer bijeengehouden en samengebonden worden, worden kerkeraden zelf synoden in het klein. De vraag is of het dan geestelijker zal toegaan. Kleine pausen krijgen dan hun kansen. Het is bepaald niet uitgesloten, dat gemeenten dan mutatis mutandis onder het juk van kèrkeraden doorgaan; kerkeraden, die heersen in plaats van te dienen.
In feite is het zó, dat alles wat we aan waarschuwingen hebben geuit ten aanzien van synodaal bestuur ook van toepassing is op bestuur en beleid van plaatselijke kerkeraden. Bovendien zegt de Schrift: zo het volk, zo de priester. Een kerk heeft een synode, die past bij haar eigen geestelijke gestalte. En wie dùrft zeggen, dat het in eigen gemeente, c.q. kerkeraad altijd zo geestelijk toegaat, màg het zeggen.
Een kerk van laagkerkelijk, zeg congregationalistisch type zal niet per definitie geestelijker zijn. Het zou zelfs kunnen zijn dat, gegeven de moderne mondigheid, de verwarring alleen maar groter wordt. Ik zeg dit met inbegrip van de hervormd gereformeerde sector in de kerk. Wij staan niet achteraan in de rij om synodaal beleid onder kritiek te stellen. We heffen de vinger als de meerdere vergaderingen der kerk hun legitimiteit, wat hun beleid betreft, niet aan het Woord Gods ontlenen. Maar vandaag is innerlijke samenhang van al wat gereformeerd wil heten ook niet per definitie gegeven, de formulieren van enigheid ten spijt.
We moeten ons uiteindelijk echter realiseren, dat wie zich vandaag van een synode zou willen ontdoen, daarmee ook de presbyter, de ouderling ter discussie stelt. Het gereformeerde kerktype is nu eenmaal ambtelijk bepaald. Men kan niet het synodale op losse schroeven stellen en in onze gereformeerde traditie het presbyteriale ongemoeid laten.
Tenslotte
Hiermee kom ik nu nog één keer terug op de titel van mijn betoog, 'Wanneer kerkelijk bestuur een juk wordt'. Zowel de synode als de kerkeraad zullen geestelijk besturen. In onze presbyteriaal-synodale structuur van vandaag dreigt de synode echter weg te groeien van de ouderling en diens geestelijke, opzicht-oefenende taak, niet in het minst namelijk omdat de synode zich in commissies en raden verliest.
De synode zelf zou er voor moeten zorgen, dat drempels tussen haarzelf en de gemeenten worden geslecht. Als ze maar door blijft regelen, ook in de meest omstreden zaken, regelt ze zichzelf buiten spel. Want de ouderling gaat nog altijd wel aan de synode vooraf. Als ze zich niet concentreert op haar geestelijke taak zullen de regels, die ze vaststelt, tenslotte knellende banden worden. 'Putten' was daarvan een teken, een teken overigens waarvoor we ons niet schamen en behoeven te schamen.
Ik eindig met het punt waarmee ik begon: synode en gemeente geestelijk dichtbij elkaar.
Naar zo'n kerk kan een mens verlangen. Een kerk met meerdere vergaderingen, waar van hart tot hart dan óók gesproken wordt over grote dingen die God doet. Dan is kerkelijk bestuur geen juk en, als het al een juk is, dan is het het juk van Christus. Een lichte last en een zacht juk voor wie Hem vrezen. Onder voorzitterschap van Christus kan kerkelijk bestuur geen juk worden, dat te zwaar is om te dragen.
J. van der Graaf, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's