De hemelburger
Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op aarde!(Psalm 73 : 25)
Een psalm van Asaf. Daarin is een levensstrijd blootgelegd. De dichter legt zijn hart bloot. Zoals het voor hèm opengelegd is. Hij laat het achterste van zijn tong zien om het diepste te laten horen: de werken van de Heere zijn zeer groot, gedaan en waard om te vertellen.
Wat vertelt Asaf? Als het om het hart gaat, spreekt hij zich voor God uit: Gij, Gij hebt mij gered.
Het duurt wel even voor Asaf dit zijn God belijdt. In het begin van de Psalm maakt hij bekend hoe hij een tijdlang heel anders gedacht heeft: ten nadele van God, ten gunste van zichzelf. Zijn denken was bepaald door de dingen, die hij om zich heen zag. In zijn ogen en naar zijn gedachten ging het diegenen goed die op geen enkele manier met God rekenden. In één adem voegde hij daarbij dat het hem, die toch wel degelijk in alles God voor ogen hield, in alle opzichten slecht ging. Hij snapt niet hoe God hem zo kan plagen en straffen, terwijl hij zo goed zijn best doet.
Asaf piekert er zich suf over. Hij komt er niet uit.
Totdat…! Totdat ik in Gods heiligdommen inging! Dáár neemt de Heere het woord. Hij spreekt. Hij openbaart. Hij geeft inzicht en schenkt vergezichten. In het heiligdom komt Asaf in de koorbank bij David, zijn medebroeder in Christus, te zitten om de woorden van de honderdennegenendertigste Psalm hart-grondig mee te zingen.
Asaf ziet twee dingen: het einde van de goddelozen en dwazen en zijn einde. Dat is het verschil van de verschrikking en verkwikking. Asaf staarde zich blind op de moeilijke omstandigheden. Zijn ogen zijn opengegaan en opengedaan: wat een heerlijkheid! Wat een God! Wat een Heere!
Wie ben ik?, zo vraagt ie. Een beest, zo antwoordt hij.
Wat is de Heere groot! Heere, wat zij Gij groot en machtig! Gij hebt mijn rechterhand gevat. Wat ik ben, ben ik door U. Dat ik nog ben, dat ben ik door genade. Wat ik leef, dat leef ik door Uw bewarende en vasthoudende Rechterhand.
Asaf verliest zijn hoge ogen en ineens zijn zijn beide ogen op God de Heere gericht! Ineens heeft hij alleen maar oog voor zijn God: Heere, wat zijt Gij groot en heerlijk! Dat komt ervan als de oren Gods woorden gaan horen en als de ogen van het gemoed door de Heilige Geest op God worden geheven om alleen op God te letten. Asaf ontmoet God: hij ziet zijn begin en hij voorziet zijn einde in Gods gedachten. Gij hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan mij vele gemaakt!
Asafs blik is verruimd: Uw gedachten zijn niet mijn gedachten. Gij zijt heerlijk, in U is alles.
Daarom staat er in de tekst de vraag: Wien heb ik nevens U in den hemel? Of – en daarmee ligt de nadruk helemaal op de Heere – Wien heb ik in den hemel? Eén antwoord voor Asaf tegenover God: Gij zijt het, U alleen heb ik! Wie is U gelijk bij al de hemelingen? Geen! In de hemel heb ik U! U alleen!
Dàt onderricht drukt een stempel op het leven hier: nevens U lust mij ook niets op de aarde! Een predikant zei in het vuur van de preek eens hetzelfde toen hij zijn bijbel, die hij altijd met zich droeg, met kracht omhooghief en zei: 'Alles mag mij gestolen worden, maar van mijn Kruis blijft u af! 'k Heb geen ander houvast en geen andere vreugd' dan van de Vader gegeven te zijn in de handen van de Zoon, Die om mij te redden en te bewaren Zijn handen ervoor heeft laten doorgraven en dàt toen aan Zijn en onze Vader heeft getoond!' Asaf en die voorganger worden samen gevonden in het heiligdom!
Met deze Psalm neemt de Heilige Geest de draad voor ons op. Onze levensdraad. Want onze naam is gegarandeerd in deze Psalm genoemd. Geschreven òf in vers twintig met de goddelozen òf in vers drieëntwintig met Asaf. Het laatste is verreweg het beste en bovenmate te verkiezen: maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen.
Mag de Geest u en mij een stukje ontsluieren? Neemt Hij ons niet mee en leidt Hij ons in deze dagen niet juist in het Heiligdom? Hij voert ons in de bediening van de verzoening tot het Hart van God: want Christus is ingegaan in het ware Heiligdom, in de hemel zelf, om te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons! Díe Christus in díe Plaats verovert en overwint. Verbonden mèt Hem en mèt Christus verborgen in God, omhelst door mijn Heere en mijn God behelst 'de wandel in de hemelen'. Mijn Schat in de hemel heeft zeggingskracht: in alle dingen wil ik Gode behagen! In de hemel is Hij alles, hier op aarde heb ik niets nevens Hem!
Kom tot Zijn Heiligdom!
Schik u om God te ontmoeten!
Tot Zijn Heiligdom!
U houdt de pas in. Jij draalt.
Zeker omdat dàt vonnis van de wet als een loden last op de schouders drukt?
Zeker omdat de gerechtigheid van Christus u en jou alles ontneemt?
Kom tòch! Kom juist! Sluit u u aan bij het gezelschap van de tollenaar en Asaf. Zij hebben geen van tweeën één goed woord over voor zichzelf, maar elk heeft bij de Heere wat te zòeken en te vrágen!
In Gods Heiligdom. Met schuld. Want er vindt een Godsontmoeting plaats. Dan komt u God tegen en wie God tegenkomt, valt zichzelf vies tegen. 't Is daar toch goed. Want in dàt Heiligdom is de Kerk niet alleen. In dat Heiligdom is er de Kerk niet alleen met schuld. De Hogepriester is er ook. Beter: de Hogepriester is er eerst. De Bedienaar van het Heiligdom heeft de Kerk, toen zij het nog niet wist en zag, allang bij de rechterhand gegrepen.
Dáár is Christus. Hij draagt Zijn Gemeente op en in Zijn Hart. Hij draagt haar een warm Middelaarshart toe. Hij heeft er Zijn leven voor gegeven. In het Heiligdom is Hij met Zijn bloed. Met de bewijzen: doornagelde handen en een doorstoken zijde. Met de kracht van de Geest: ik heb genade gevonden in Zijn ogen.
Ja, in Gods Heiligdom moet u Hèm naar de ogen zien. Hèm in de ogen zien. In de ogen van de Middelaar laat Zich het Vaderhart lezen. Bang om toorn in Zijn ogen te lezen, heerlijk verblijd wanneer genade wordt gevonden.
In Gods Heiligdom, in de hemel: Christus. Puur om te behouden. Zuiver voor de Kerk, Zijn Gemeente. Waar uw Schat is… de Geest verheft het hart opwaarts in de hemel waar Christus is: naar de hemel getrokken. De Heere is mijn levenskracht. In Gods Heiligdom: een verkiezend Vaderhart in de Zoon door de Heilige Geest verklaard.
Christus voor Gods aangezicht. In Christus is er rust voor u. In Christus' handen is er zekerheid voor u. In Christus' hart is er geborgenheid voor u. In Christus…! Zó wordt het te lang en te veel. Het blijft altijd te weinig. Want alles aan Hem is gans begeerlijk.
Met Hem is toekomst. Blijdschap. Vreugde. Met Hem is de heerlijkheid. Ik zie d'r naar uit, zegt iemand die bij Jezus is geweest. Ja, dàt is nu wat Hij Zelf heeft gezegd: de Geest zal het uit het Mijne nemen en Mij verheerlijken. Door Zijn liefde gegrepen: door Zijn liefde gedreven.
Zóveel van Hem in het geloof geproefd. Heere, God van mijn leven, wanneer mag ik voor Uw aangezicht verschijnen? Om Uws Naams wil. Zó hebt Gij, Vader, Zoon en Heilige Geest, Zich geopenbaard.
J.W. van Estrik, Moerkapelle
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's