Uit de Pers
Woorden en zaken
In een consistoriegebed klinken soms de regels: 'Geef Uw dienaar de woorden in de mond en schenk hem de zaken in het hart'. Onbewust veelal zit daar de gedachte achter dat woorden alleen leeg kunnen raken en dat het gaat om de zaken die in woorden worden uitgedrukt. Het is niet genoeg als bepaalde woorden nog worden gebruikt, als daar niet de beleving van de inhoud mee verbonden is. Met die woorden worden vooral bijbelwoorden bedoeld. Eén van die woorden is het woord 'wedergeboorte'. Het wordt in prediking, catechese en pastoraat in hervormd-gereformeerde gemeenten regelmatig nog gebruikt, even afgezien van de vraag op welke manier. Kennelijk is dat niet het geval in andere delen van de kerk. Dr. A.A. Spijkerboer liet onlangs in Kerk en theologie april 1993 in de Kroniek zijn zorg en tevens bezwaar horen over wat hij noemt 'het midden van de kerk'. Daar bevindt hij zich zelf en hij kan er daarom ook over oordelen. Hij vindt dat er vaak zo vrijblijvend en afstandelijk over Jezus wordt gesproken. In het blad In de Waagschaal jaargang 22 nr 5, 1 mei 1993 komt hij hierop terug. Hij noemt dan als voorbeeld de vorig jaar september in Amersfoort gehouden kerkendag.
Verder op de kerkendag een uiterst gevarieerd aanbod tot gesprekken. Je kon je echt overal in verdiepen: in de betekenis van de vergeving van de zonden voor de heelheid van het milieu, in de joodse oorsprong van het christendom, in het verval van normen en waarden en in wat niet allemaal meer. Maar het zwaartepunt van de hele dag lag wel bij de ethiek. Ik dacht: als ik hier zeg dat ik mijn inspiratie voor de voortzetting van het conciliair proces bij de Boeddha opdoe, wordt dat als een belangwekkende opmerking genoteerd, maar als ik hier zeg dat 'de zwarten terug naar Afrika' moeten, plaats ik me buiten deze gemeenschap der heiligen. Niet dat het evangelie op de kerkendag ontbrak, maar het zweefde meer rond dan dat het mensen pakte om hen niet meer los te laten.
Waarom, aldus dr. Spijkerboer deze impressie van de kerkendag van vorig jaar? Om ermee aan te geven hoe het meestal toegaat in het brede midden van de hervormde kerk. 'Aardige, meestal wat oudere mensen, die tot veel goede dingen bereid zijn, maar het heeft allemaal iets vrijblijvends'.
Peinzend over deze dingen, en dan vooral over die vrijblijvendheid, dacht ik: maar de wedergeboorte/geboorte-van-omhoog is dan ook uit het vocabulaire van het brede midden van de hervormde kerk verdwenen! Te begrijpen is dat natuurlijk wel. Vroeger had je mensen die – in alle bescheidenheid, want het was natuurlijk allemaal genade – wel meenden te mogen zeggen dat ze 'wedergeboren' waren, en die, als ze de kans kregen, eens informeerden hoe het er met jouw ziel voorstond. Nu zullen ze er nog wel zijn, al ontmoet ik ze dan niet meer, maar ze schonden wel het geheim dat er tussen ieder mens en God is. Verder heb je dan je indrukken van de 'born again Bible belt' in de Verenigde Staten, die via een listig gebruik van de televisie mensen onder druk zet, daar is eigenlijk geen ander woord voor. Ook al niet iets om naar te verlangen.
Ik citeer nu uit genoemde Kroniek in Kerk en Theologie, waar dr. Spijkerboer aangeeft dat het woord 'wedergeboorte' hem een woord lijkt, dat kan helpen uit genoemde impasse te komen.
Het is de vraag of het woord wedergeboorte of geboorte-van-omhoog niet uit het vocabulaire van het brede midden van de hervormde kerk verdwenen is. Ik denk niet alleen aan wedergeboorte of geboorte-van-omhoog, maar ook aan woorden die daar mee samenhangen, zoals eeuwig leven, en uitspraken van Paulus zoals '…en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij' en 'zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping'. En als al deze woorden verdwenen zijn, hebben we in het brede midden van de kerk dan ook niet uit het oog verloren waar ze ons hebben willen?
Laat er geen misverstand ontstaan: ik geloof niet dat de wedergeboorte een fase is op de weg naar het heil: wedergeboorte – rechtvaardiging – heiliging, of een andere volgorde. Nee, met wedergeboorte of geboorte-van-omhoog wordt het hele heil, dat ons in Christus gegeven is, vanuit een bepaald gezichtspunt gezien: het is God zelf die nieuw leven schept. 1. Dit nieuwe leven is enkel en alleen Gods werk: om je geboorte heb je niet gevraagd en om je wedergeboorte vraagje ook niet, je bent voor het feit van je geboorte geplaatst en je wordt voor het feit van je wedergeboorte geplaatst. In de gelijkenis , van de twee zonen zegt de vader tot twee keer toe tegen de oudste zoon over de jongste: je broer was dood en is weer levend geworden. Niet zomaar een beetje dood, maar helemaal dood, niet zomaar een beetje levend, maar helemaal levend. 2. Vóór je wedergeboorte vervalt je leven langzaam maar zeker aan de zonde en de dood, maar de wedergeboorte betekent dat je leven een nieuwe richting krijgt: het gaat het eeuwige leven tegemoet. 3. Dat je het eeuwige leven tegemoet gaat, blijkt in de allereerste plaats uit de lofzang: je leeft, om met Paulus te spreken, nog 'in het vlees', maar in het geloof begint toch de lofzang, en er is nog zoveel meer te zeggen. In 1 Johannes 3 : 14 staat: 'Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben', en dat zijn woorden waarover je niet uitgepeinsd raakt.
Ik weet niet meer waar ik het citaat gevonden heb, ik citeer uit mijn geheugen en dus niet precies, maar iemand heeft eens gezegd: 'Overschat je wedergeboorte niet, ze is niet meer dan je geloof en onderschat je geloof niet, het is niet minder dan je wedergeboorte.'
Bonders, 'evangelikalen' en gereformeerden
Deze drie aanduidingen plaatst dr. Spijkerboer boven het vervolg van zijn artikel in In de Waagschaal.
De wedergeboorte/geboorte-van-omhoog is niet uit het vocabulaire van de gereformeerde bond in de hervormde kerk verdwenen! Maar zodra die daar in de 'orde van het heil' geplaatst wordt, beginnen al mijn alarmbellen te rinkelen. Ik vermag namelijk niet in te zien hoe, als je de wedergeboorte/geboorte van omhoog daar eenmaal plaatst, nog te vermijden is dat je je zekerheid in jezelf gaat zoeken. Je hebt die zekerheid dan wel, zegt men in de bond, aan de Heilige Geest te danken, maar je kijkt dan toch maar naar de roerselen van je eigen ziel, en dan kijkje altijd in de verkeerde richting. Mijn bezwaar tegen de bond is dat hij in de klassieke zin van het woord zo weinig gereformeerd is: men kan daar zo bezig zijn met de vraag of er al iets met je gebeurd is. Alsof alles wat er gebeuren moet niet buiten onszelf gebeurd is!
Of je zo generaliserend over wat er zou leven in de bond kunt spreken als hier gebeurt, is voor mij de vraag. Maar dr. Spijkerboer heeft gelijk als hij wil signaleren dat je ook op een eenzijdige manier kunt spreken over de wedergeboorte waarbij de mens inderdaad in wezen op zichzelf wordt teruggeworpen. Er is en er wordt nog altijd verschillend over wedergeboorte gesproken en dat betreft niet alleen 'de bond', maar heel de gereformeerde gezindte. Vroeger kende men de onderscheiding 'wedergeboorte in engere zin', bedoeld als het begin van alle geestelijk leven in ons èn 'wedergeboorte in ruimere zin', waarmee meer de lijn van o.a. Calvijn en de Ned. Geloofs Belijdenis werd aangeduid: we worden door het geloof wedergeboren, wedergeboorte als levenslang proces. Dr. Spijkerboer betrekt ook de 'evangelikalen' en de gereformeerden (hij bedoelt kennelijk de synodaal gereformeerden) in zijn analyse.
Bij de 'evangelikalen' (of hoe je zo ook noemen wilt), waar veel jongeren een goed heenkomen zoeken omdat ze de gevestigde kerken een 'slappe troep' vinden (hebben ze helemaal ongelijk?) is de wedergeboorte/geboorte-van-omhoog gesneden koek. Iets té gesneden koek, denk ik wel eens. Maakt men daar wel een onderscheid tussen de geest die je door middel van opwekkingsliederen en recht-toe recht-aan op het gemoed gerichte toespraken altijd wel op kunt roepen, en de Heilige Geest die zijn eigen soevereine gang blijft gaan en die niet ter beschikking is?
Wordt er in de gereformeerde kerken over de wedergeboorte/geboorte-van-omhoog gesproken? Vergis ik mij wanneer ik denk dat in ieder geval bij de gereformeerden in de Randstad dezelfde vrijblijvendheid heerst die me karakteristiek lijkt voor het brede midden van de hervormde kerk? Ze kunnen wel erg veel kanten op, de gereformeerden, als ik ze zo zie.
Hoe dan ook, ik kan mij niet onttrekken aan de indruk dat we in Samen op Weg en bij de gesprekken over de nieuwe kerkorde niet ter zake zijn en dat we de wezenlijke dingen onder de tafel laten liggen. Ik zou de wezenlijke dingen zo graag op de tafel krijgen. Vandaar mijn vraag: is de wedergeboorte/geboorte-van-omhoog niet uit ons gezichtsveld verdwenen?
Een goede zaak om te proberen een vinger te leggen bij een geweldig manco in ons kerkelijk en geestelijk leven. De zaak die de bijbel met het woord 'wedergeboorte' bedoelt, is te wezenlijk om er aan voorbij te leven. Hoe kan een boom groeien en vrucht dragen zonder wortel?
Reactie H.M. Kuitert
De redactie van In de Waagschaal vroeg aan prof. dr. H.M. Kuitert op Spijkerboers bijdrage te reageren. Ook hij vindt dat het woord 'wedergeboorte' bewaard moet blijven.
Maar anders dan Spijkerboer zou ik mijn kanttekening, voorzover van kritische aard, willen inzetten bij die tobberige vraag naar de zekerheid des heils. Waarom moet alle aandacht daar op vallen? Jezus vraagt aan Nicodemus toch niet: 'ben je wel wedergeboren?'. Hij zegt dat wedergeboren zijn iets fundamenteels is. Zo moet je mijns inziens alle uitspraken opvatten die het eeuwig wel en wee aan de orde stellen. Het zijn dreigementen, zeker, maar wij leven in een cultuur waarin wij geleerd hebben elkaar niet met dreigementen maar met argumenten (emotioneel en/of rationeel) over de streep te krijgen. Dat getob met die zekerheid, daar geloof ik niet in, of liever: ik geloof wel in de oprechtheid van de mensen die over hun eeuwig heil in zitten (ik ben lang genoeg predikant in Zeeland geweest om daarvan overtuigd geraakt te zijn) maar niet in het leersysteem dat deze ongerustheid in stand houdt. Dat systeem deugt niet, het houdt mensen die toch al klein zijn – het gekrookte riet, zeg maar – klein en oefent macht over hen uit door hun onzekerheid in stand te houden. Het lijkt op de manier waarop de klassieke roomse kerkleer over de onmisbaarheid van de kerk praatte: er zonder ben je nergens, maar er 'met' betekent nog geen zekerheid.
Dus anders beginnen, zou ik zeggen. Maar de vraag naar de wedergeboorte van een christen los uit die context van de zekerheidsvraag, belast haar niet met dat zoeken naar 'gewisse kentekenen', en je houdt wedergeboorte als bekommernis om het 'zelf' over. Want – ik zei al, het zal de Gereformeerde Bond deugd doen – zonder die bekommernis verliest het begrip zijn diepte.
Prof. Kuitert geeft aan waarin hij toch met dr. Spijkerboer van mening verschilt in deze zaak.
Spijkerboer zegt: wat daarvoor komt kijken is al gebeurd, buiten ons, toen God mens en wereld met zichzelf verzoende in het kruis van Jezus Christus. De Bonder zal het niet ontkennen, maar hij zal zeggen: ben je het al deelachtig? Dat hoort er toch ook bij? Inderdaad, ik zou dat ook wel zo durven zeggen. Spijkerboer tracht de over-subjectivering (het gescharrel in je eigen innerlijk) van de Bonders te pareren met een over-reactie in de richting van het 'buiten ons'. Dat is mij te weinig, verzoening is een gebeurtenis buiten mij, maar om bij mij terecht te komen gaat de verzoening de wereld in als Woord, als heilsboodschap, en wie Woord zegt in de christelijke geloofstraditie, zegt Geest.
Voor prof. Kuitert is de term 'wedergeboorte' een metafoor (= een figuurlijke uitdrukking, beeldspraak) voor 'er moet ook iets met jezelf gebeuren'.
Binnenstebuiten
Deze uitdrukking plaatst dr. A. de Reuver boven zijn bijdrage aan de hier gereleveerde discussie in een volgende aflevering van In de Waagschaalen wel die van 22 mei 1993.
De formulering wie het gelijk aan zijn kant heeft, lijkt me ondeugdelijk. Wie hier rechtlijnig partij kiest, doet een van beiden onrecht. Want zowel het betoog van de een als dat van de ander bevat momenten die onopgeefbaar zijn. Hiermee geef ik impliciet aan dat beide posities mij eenzijdig en daardoor onvolledig voorkomen. Kort gezegd: naar mijn oordeel is Spijkerboer te weinig pneumatologisch en Kuitert niet christologisch genoeg.
Dr. De Reuver verneemt in het woord 'wedergeboorte' een zevenvoudige werkelijkheid. Hij schrijft er o.a. dit van.
In de kringen waarin ik ben opgegroeid en ik met de spreektaal ook de Tale Kanaäns opving, duidde men gelovigen graag aan als 'veranderde mensen'. Dat is een rake typering, mits ermee gezegd wil zijn dat zulke mensen een Ander toebehoren. Daarmee lijkt me kernachtig weergegeven wat het betekent om wedergeboren te zijn. Als wedergeboorte de dood betekent voor het oude zelfzuchtige en autonome bestaan zonder God, en de geboorte van een nieuwe identiteit en een ander leven, dan kan dit leven niets en niemand anders zijn dan Christus. Hij is immers het Leven. Dat is leven waar de dood niet meer bij kan, omdat Hij de doodschuld droeg aan het hout en achterliet in zijn graf. Toen Hij aan het graf ontsteeg, kwam Hij niet terug aan deze zijde van de dood, maar bevond Hij zich aan de dood voorbij. De Opstanding en het Leven! Hij is het en beschikt erover. Het is dit verzoende en vuurvaste opstandingsleven waarin Hij zijn gemeente laat delen. D.w.z.: toen Hij, aan de oude bestaanswijze gestorven, in (en als) het nieuwe leven verrees, werd mèt Hem zijn gemeente herboren (1 Petr. 1). Zij ontving het onaantastbare leven, dat Hij, als Grond en Garant, in de hemel bewaart (Col. 3).
Het nieuwe leven komt van de Ander Christus. Het heil komt van buiten ons. Het geheim van de wedergeboorte ligt in die Ander, aldus De Reuver. Maar al ligt het buiten ons, het heeft ook alles te maken met wat er in ons geschiedt.
Dit geheim van de Ander wordt mij niettemin eigen. Christus zou de Geestdrager niet zijn als hij extra nos niet tegelijkertijd in nobis was. We dienen hier voortdurend met twee woorden te spreken. Christologisch is de wedergeboorte geschied in het heilshistorische hapax van het Christusgebeuren, pneumatologisch geschiedt zij in het heden van de existentie. Men moet de verwerving en de applicatie ervan wel onderscheiden, maar niet scheiden. Christus en de Geest behoren bijeen. Zonder Christus heeft de Geest – althans soteriologisch – niets te bieden. Maar het omgekeerde is evenzeer van kracht: de applicatie van het heil door het inwerk van de Geest is een even onophefbare component van het heil als Christus' werk buiten ons. Perfectum en praesens liggen weliswaar chronologisch uiteen, maar is het niet het eigen ambt van de Geest om de afstand van ruimte en tijd te overbruggen? Wat mij vreemd was – en blijft! –, wordt mij eigen. Nimmer zo, dat ik erover heb te beschikken en er beslag op kan leggen. Maar wel zo, dat Christus door het geloof in mij leeft.
Of men dit nu mystiek noemt of bevinding of ervaring, dat doet niet zoveel terzake; als maar duidelijk is dat de Geest mij werk en persoon van Christus onvervreemdbaar toebedeelt. 'Wij mogen het kruis van Christus niet als een versiersel op onze hoed zetten. Het moet in ons en aan ons betoond worden te zijn een kracht Gods. Nu leef ik niet meer, maar Christus leeft in mij. Welk een ommekeer!' Noordmans had dit van geen vreemde. Hij was bij Paulus in de leer geweest, en had het een en ander te danken aan de klassieke traditie. Onder andere aan Kohlbrugge, die het ergens zo formuleert: de wedergeboorte vond plaats in Christus' opstanding, en de kracht ervan ervoeren wij toen wij tot geloof gekomen zijn door de prediking van het Woord en de werking van de Geest, waardoor wij 'am Glauben' zijn overgezet in Christus.
Dr. De Reuver gaat terecht ook in op de verhouding wedergeboorte en geloof. Hij citeert dan o.a. Calvijn, die gezegd heeft: terwijl de Geest het geloof werkt, wederbaart Hij ons.
Hij sluit zijn bijdrage aan de discussie als volgt af.
Men moet zich van wat de herscheppende Geest aan ervaring meebrengt niet afmaken door het te doodverven als steriel subjectivisme en egocentrisch piëtisme. Wie wil het Psalmenboek kwijt? Trouwens, wie wil de Godservaring kwijt? Ik acht het vriendelijk gezegd kortzichtig als het brede midden van de Kerk verzekert, de bonders en aanverwante antiquiteiten niet graag te willen missen, vanuit de zonderlinge motivatie dat door hen in ieder geval – naar men aanneemt – de diepte van de bevinding wordt bewaard. Alsof zij een specialiteit van een bepaald soort gelovigen was! En alsof herscheppend geloof en bevinding los verkrijgbaar waren! Waar de Geest geloof schept, brengt Hij de liefde mee. Niet een spatje, maar bij stromen, uit het hart van God tot in het hart van de mens (Rom. 5). In het geloof, zegt Luther, worden wij 'ein Kuchen' met Christus, en het maakt dat 'dyr Christus lieblich gefellt und suesz ym herzen schmeckt'. En Calvijn vindt dat de Godskennis uit het Woord meer uit gevoel (sensus) bestaat dan uit bespiegeling. 'Met de experientia als leermeester gevoelen wij dat God is Wie Hij zegt'. En dat Kohlbrugge, omdat hij zo resoluut de brand stak in alle knusse bevindelijkheidscultus buiten het Woord om, een objectivist zou zijn, kan men wel vergeten. De manier waarop hij bijvoorbeeld in zijn Pinksterpreken de dronkenschap van de liefde bezingt, spreekt boekdelen.
De liefde waarmee de Geest ons herschept, heeft overigens niet alleen een verticale, maar niet minder een horizontale dimensie. Zij geeft ons oog en hart voor de ander. Het wedergeboren Christusleven wordt in de navolging geleefd, waarbij de één een Christus voor de ander wordt.
Wegblazen moet men de ervaring dus niet. Maar opblazen evenmin. Zij staat nog onder de hoede van de hoop, sub custodia aetemitatis.
De laatste Latijnse woorden betekenen 'onder de hoede der eeuwigheid'. Inderdaad, het klinkt soms op z'n zachtst gezegd ongeloofwaardig als in bepaalde verbanden steeds wordt herhaald: we kunnen de Bond niet missen. Die hebben iets wat van wezenlijk belang is. Bevinding als een toeristisch of folkloristisch plus. Aardig in vakantietijd, maar verder kun je er niet veel mee. Maar het moet er wel blijven. Ik denk niet dat dr. Spijkerboer dat ermee bedoelt als hij terecht aandacht vraagt voor persoonlijke innerlijke betrokkenheid op het heil in plaats van het vrijblijvende zwevende van het kerk-zijn zoals hij dat om zich heen waarneemt. Zo kort na Pinksteren leve het verlangen dat ook gemeenten die zich tot 'de Bond' rekenen, levende gemeenten zouden mogen zijn. Want het vrijblijvende dat dr. Spijkerboer signaleert, is helaas ook volop aan te treffen 'onder ons'.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's