De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om Kerk en volk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om Kerk en volk

Rondom de Algemene Wet Gelijke Behandeling

16 minuten leestijd

Hoe houden we op een avond als deze de toon zuiver? Want als we met elkaar nadenken over de voorgenomen Algemene Wet Gelijke Behandeling kunnen we in de kortste keren de uitgestoken vinger verkeerd richten: de regering, de regeringspartijen, de minister van binnenlandse zaken, de minister van justitie. Want allen hebben ze toch geducht boter op het hoofd?
Of we heffen de klacht aan dat geen tijd ooit zo goddeloos was als vandaag onze tijd is. En we weten waar het kwaad schuilt: bij de ander of bij het andere, dat òns vreemd is.
En daarom: hoe houden we de toon zuiver, als we inderdáád iets willen zeggen in de richting van de overheid en als we inderdáád ook 'de ander' en 'het andere' in het blikveld hebben? Laten we vooraf en vooral bidden om het rechte onderscheidingsvermogen. Want oordelen is altijd onderscheiden. Onderscheiden waar het op aan komt, onderscheiden waar de dingen echt scheef zitten.


Is onze tijd slechter dan andere tijden? Nadat Adam had gezegd 'de vrouw die Gij mij gegeven hebt' en nadat de vrouw op haar beurt de beschuldigende vinger naar de slang had uitgestoken, is er van goede tijden geen sprake meer geweest. Kain sloeg Abel dood. Ezau en Jacob leefden in broedertwist. We lezen al in het begin van de Bijbel de brallende taal van Lamech: 'voorwaar, ik sloeg wel een man dood om mijn wond en een jongeling om mijn buil.' En de aarde werd al spoedig door water verzwolgen, omdat Gods Geest niet eeuwig wilde twisten met de mens en de Heere zag dat de boosheid van de mens op aarde 'menigvuldig was.'
Het berouwde de Heere, dat Hij de mens gemaakt had. Daarom werd de aarde door de vloed bedekt. En na de vloed was het al direct wéér mis. De roes van Noach, de torenbouw van Babel. In die torenbouw met name manifesteerde zich de hubris, de overmoed van de mens, toen hij uitriep: Kom aan, laat ons stenen bakken, kom aan, laat ons een toren bouwen, waarvan het opperste tot in aan hemel reikt. Toen zei de Almachtige echter ook 'Kom aan'. Kom aan, laat ons neerdalen en hun spraak aldaar verwarren!


Ach, ik kan zo het hele Oude Testament met u doorlopen. Is het niet één doorlopende klacht van Godswege over een afkerig volk? Vanwege de goddeloosheid van de mens en de ontrouw ook van het Godsvolk op aarde is er de voortdurende oproep der profeten tot bekering.
Ik noem, in het verband van het thema, waarvoor we vanavond bijeen zijn, nu met nadruk die profeten. Het mag dan waar zijn dat de geschiedenis van volk en kerk in Oud Israël om zo te zeggen samenvielen, maar de profeten hebben zich toch gewend tot het volk des verbonds in hun dagen. Juist dat volk werd aangeklaagd vanwege het verlaten van de geboden en inzettingen des Heeren en vanwege verbondsbreuk. En juist dat Godsvolk kreeg, wanneer de gerichten Gods op aarde waren, de hete, vernietigende adem van de omliggende volkeren in de nek. Dat waren vijanden van de God van Israel en derhalve ook van Zijn volk. Maar nochtans liet God toe, dat ze over Zijn volk kwamen.

JoëI 2
Ik vraag uw aandacht nu speciaal voor wat we lezen in Joël 2. In het boek Joel gaat het over een sprinkhanenplaag, die het volk treft vanwege het verlaten van de wegen des Heeren. De bazuin zal worden gestoken. Waar? Te Sion, op 'de berg van Mijn heiligheid' (vs. 1). Van dáár, waar de cultus, de eredienst is, wordt de bazuin gestoken. Van dáár wordt het volk opgeroepen zich te bekeren. En dan gaat het om meer dan uiterlijk vertoon. 'Bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en geween en met rouwklacht' (vs. 12). 'Scheurt uw hart en niet uw klederen', zegt de profeet. Hij knoopt wel aan bij de cultische handeling om de klederen als teken van boete te scheuren. Maar, zegt hij, dat is niet genoeg. Het zit 'm niet in de kleren, ook niet in het boeteklééd, maar in de innerlijke gestalte. Scheurt uw hart!

In één adem laat de profeet er dan merkwaardigerwijs op volgen, dat God genadig en barmhartig is, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Maar voordat we al te snel opgelucht adem halen vanwege Gods barmhartigheid moeten we, zegt de profeet, toch nog maar even wachten. 'Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben', zegt Joël. 'En Hij mocht een zegen achter Zich overlaten, tot spijsoffer en drankoffer voor de HEERE, uw God.' (vs. 14) Zó vanzelfsprekend is Gods barmhartigheid dus kennelijk niet. Wie weet! En dan wéér: 'blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.'
De priesters en de dienaars des Heeren moeten wenen tussen het voorhuis en het altaar. 'Spaar Uw volk, o Heere! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volkeren zeggen: Waar is hun God?' (vs. 17)


Wanneer we dit alles op ons laten inwerken, beseffen we eens te meer, dat God wel barmhàrtig is maar niet zó maar barmhartig, barmhartig alleen ná verootmoediging; en dat God wel genadig is, maar dat Zijn genade niet goedkoop is. In het 'Wie weet, Hij mocht Zich wenden' zit opgesloten het ternauwernood van Zijn reddend handelen Wij hebben het niet verdiend. 'God kan niet tevreden zijn met een middelmatig berouw', zegt Calvijn. En onze cultische handelingen kent Hij allang. 'Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken', zegt op een andere plaats de profeet Amos. 'Scheurt uw hart, niet uw klederen'.
God is wel verzoenigsgezind, maar Hij wil ons eerst uit onze traagheid opwekken – zegt Calvijn – en alle zelfgenoegzaamheid, waarmee we onszelf vleien, uitzuiveren. De profeten van God bieden daarom niet direct 'aangename vertroostingen' maar sporen steeds méér tot verootmoediging aan. Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw heblïen en een zegen achter Zich over laten.

Als het over die zégen gaat, zet de profeet Joel in hetzelfde hoofdstuk dan overigens de sluizen wijd open. Er is de belofte van de Geest, van de Pinkstergeest en de Pinksterzegen. 'En daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien…' (vs. 28).
Die Pinksterzegen is gekomen, met volle stromen. Met beloften voor vandaag.

Onze tijd
En nu naar onze tijd. Wéér stel ik de vraag: is onze tijd slechter dan andere tijden? Onze tijd is van alle tijden, buiten het paradijs. De tijdgeest is altijd in twistgeding met God. 'Kom aan, laat ons een toren bouwen'. Ook in verleden tijden, die naar ons gevoel meer bloeitijden voor de kerk waren hier in dit land, gaven boete- en tijdpredikers uiting aan hun diepe zorg over de toestand van land en volk. In het kort geleden proefschrift van dr. R. Bisschop 'Sions Vorst en volk' kan men daarvan treffende voorbeelden vinden. Vader Hellenbroek bijvoorbeeld spreekt ervan, dat God in 1672 de Fransen heeft verdreven 'maar waar is de dankbaarheid van Nederland?' Ik citeer: 'Leeft men niet weer in dezelfde, ja in ergere zonden dan vóór die jaren van bezoeking? Is niet Nederland weer tot de uiterste hoogmoed, pracht en praal gekomen…? Het vaderland zucht onder alle denkbare goddeloosheden en hemeltergende gruwelen. Hoererij is een spel geworden, dronkenschap een 'klugt-vermaak', vloeken en zweren is een gewoonte, bedrog een aardigheid.' En verder: 'de ijver tot de godsdienst, is ze niet weer ijskoud en zeer vervallen?'
Het is dan ook niet de vraag welke tijd erger was. Want in elke tijd openbaart zich de opstandigheid tegen en de afkerigheid van God op eigentijdse wijze, al spreekt de Schrift wel, ter opscherping van onze waakzaamheid vandaag, over de openbaring van de Zoon des Verderfs in het laatst der dagen.
De vraag is evenwel in alle tijden hoe het met de profetie is gesteld. Is er nog profetie? Of is de profetie verstomd? De profetie wekt tot verootmoediging, in oudtestamentische tijden, in onze gouden eeuw en vandaag. 'Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw hebben'.


Die profetie richt zich ook vandáág allereerst tot het volk des verbonds Zelf. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Het oordeel begint bij het huis Gods.
We zijn in onze tijd als christenen van meerderheid minderheid geworden. Negen miljoen mensen zeggen openlijk tot geen kerk of godsdienstige gemeenschap (meer) te (willen) behoren. Dat mag een oorzaak zijn van diepe verootmoediging. Dat betekent immers, dat de kerken, in plaats van werfkracht te hebben naar buiten, aan geloofwaardigheid naar binnen hebben ingeboet. Dat geldt voor al onze kerken, zonder uitzondering. Duizenden, tienduizenden in de kerken hebben kennelijk nimmer ontdekt wat het heilzame van Gods geboden en het bevrijdende van Zijn beloften is. Met Demas hebben ze de tegenwoordige wereld lief gekregen. Zo komt de kerk zelf er niet zonder schuld uit. We komen ze tegen, de verloren zonen uit de beste kringen. Principiéél verloren! Soms werden ze toonaangevend in sectoren van het moderne leven, waar geldt 'Geen God en geen meester', in de media, de literatuur, de moderne cultuur. Het wettische leven van de moderne vrijheidsideologie trok hen meer dan de liefdedienst des Heeren, dan het zachte juk en de lichte last van Christus. Vraagt dat niet om diepe verootmoediging?

We moeten zelfs een stap verder gaan. De wereld heeft zich vaak diep genesteld in onze kerken. Dat komt tot uitdrukking in gelijkvormigheid aan de schema's van de wereld, of in onverschilligheid of lauwheid jegens de dienst des Heeren, al wil men in Naam nog wel christen heten. Maar niet in het minst ook in toelating of wettiging zelfs van wat de Schrift zonde noemt. Groen van Prinsterer heeft ooit gezegd, dat het kwaad het ergst is als men begint met de erkenning, dat het recht heeft van bestaan. Zo heeft zich langzaam maar zeker, via een glijdende schaal, ook een nieuwe moraal breed gemaakt in de kerken. De heilzame geboden Gods zijn voor velen allang geen leefregel der dankbaarheid meer, laat staan dat ze nog worden gezien als heilzaam voor de samenleving als geheel.
We vergissen ons intussen als we uitsluitend letten op het verval van zeden en op publieke goddeloosheden. Moeten we verder namelijk ook niet in alle eerlijkheid zeggen, dat het materialisme z'n duizenden verslaat, ook daar, waar wereldgelijkvormigheid om zo te zeggen helemaal in kaart is gebracht? Geldgierigheid is nog altijd de wortel van alle kwaad. En ligt deze geld-begerigheid niet ten grondslag aan het materialistische levenspatroon, met alle gevolgen van Godsvervreemding vandien?
Leven we als christenen vandaag niet veelal zelf ook gelijkgeschakeld met de wereld?


En, om nog één punt te noemen, lijden we sámen wel echt aan de ontwrichtende verschijnselen in de samenleving? Calvijn spreekt over de zelfgenoegzaamheid in Joëls dagen. In dat woord ligt veel opgesloten. Zelf-genoegzaam, aan ons zelf of eigen kring genoeg. In eigen kring hebben we het zo slecht nog niet getroffen. Het kwaad zit meer in de boze wereld buiten. We hebben elkaar in dat geval ook niet echt nodig, schrijven elkáár soms zelfs af, al zeggen we het zo niet. Zelfs rondom het thema, dat we vandaag aan de orde stellen, vanwege de nood der tijden, mogen we ons afvragen of we wel met eenparige schouder optrekken. Paulus zegt in Romeinen 11, dat hij Israël tot jaloersheid wil verwekken. Daarin slaagt de kerk vandaag, vanwege haar verdeeldheid, echter bepaaldelijk niet. Maar daarin slaagt ze dan óók niet ten aanzien van de ons omringende wereld. Dat is uiteindelijk de diepste nood. Het zout is smakeloos geworden. En ieder heeft z'n eigen merk.


We zijn intussen als christenen sámen in dit land – ik herhaal het – van meerderheid minderheid geworden. Dat zullen we ook sámen, allen gelijkelijk weten. We moeten ons de vraag stellen of in de verschijnselen, die zich nu in onze samenleving voordoen, ook iets van Gods toelating zit. Geeft Hij ons prijs aan het goeddunken van ons eigen hart?
Het is niet van belang ontbloot hoe we dan reageren op de nieuwe situatie. Slaan we terug of heeft onze houding iets van de deemoed, die vandaag nodig is, en dan ook van deernis om het verlorene?
Al in de zestiger jaren schreef dr. W. Aalders zijn indrukwekkende boek 'In verzet tegen de tijd' – 'een protest tegen de verwereldlijking van God en de vergoddelijking van de wereld'. Hij spreekt daarin al profetisch over de tijd, die zich nu in alle ernst en hevigheid ontrolt: een tijd zonder tekenen, een tijd, waarin we van meerderheid minderheid worden. Dat vraagt van ons heroriëntering, zegt hij. We komen te staan in een samenleving, die ons niet meer bevoorrecht en beschermt. Dat betekent: 'De moed moeten leren om een overtuiging te hebben, die afwijkt van de meerderheid en die niet populair is. In die overtuiging daarom vaak gekwetst en bezeerd worden. Dan niet verbitterd worden maar een groot incasseringsvermogen bezitten en veel kunnen verdragen. Van ons geloof durven spreken zonder begrip, erkenning, waardering te ontmoeten. Posities in de samenleving moeten prijs geven, waar we recht op meenden te hebben.'

Wie het slechts van meerderheidsposities (de helft plus één) verwacht is vandaag bij voorbaat verliezer. Maar die loopt ook het gevaar zich aan te sluiten bij de gezapigheid der meerderheid. Eerder vraagt onze tijd om een rechte innerlijke gestalte voor Gods Aangezicht, om zo ook om getuigenis te geven van de waarheid, in woord en daad, verkondiging en dienst, in missionaire bewogenheid en betoon van barmhartigheid. Toor de waarheid uitkomen is altijd plicht – zegt Groen van Prinsterer – zelfs als men haar miskent. De uitkomst gaat de mens niet aan wanneer zijn plicht hem voorgetekend is'.
Gaan we terug slaan of mogen we getuigenis geven? Dàt is de kwestie. Misschien moeten we elkaar wel waarschuwen op een avond als deze, dat we van de weeromstuit toch niet zelf mensen gaan kwetsen of bezeren of dat we inderdáád gaan discrimineren, in reactie op wat gaande is. Slechts als de liefde van Christus ons dringt zal daarvan geen sprake kunnen zijn. Want die liefde zoekt het verlorene.

De overheid
Na alles wat ik tot nu toe gezegd heb permitteer ik mij nu tenslotte óók enige opmerkingen in de richting van de overheid. Profetisch getuigenis richt zich niet alleen op de kerk des Heeren zèlf maar keert zich ook naar buiten. Dan zullen wij niet alleen bewindslieden mogen aanspreken op hun persoonlijke verantwoordelijkheid, als ze zelf bekennen binnen de lichtkring van het Evangelie te leven. Dat óók. We mogen hèn zelfs het vuur van het Woord Gods na aan de schenen leggen, omdat we onszelf dicht bij dat vuur weten. Dat geldt met name het CDA en de ministers uit die kring. Ze dragen wel een heel specifieke verantwoordelijkheid. We spreken hen aan op het Woord Gods, dat hen bekend is.
Maar we mogen een stap verder gaan. We mogen ook de overheid als zodanig trekken in de lichtkring van het Evangelie en de daarmee verbonden heilzame geboden. De wetten van het land zullen iets afstralen van de goedheid Gods met betrekking tot mens en samenleving. Zonder de afglans van Gods heilzame geboden raakt de samenleving in de ban van onverdraagzame ideologieën. Dat zien we in onze tijd met name, in de onverdraagzaamheid der verdraagzamen.


Welnu, wanneer wetten het tegendeel van 'het goede' beogen, dan zal ook de overheid profetisch worden gedaagd voor de rechtbank der Schriften. 'Wee u, land, welks koning een kind is', zegt de Prediker (10 vs. 17) maar ook 'welgelukzalig zijt gij, land, welks koning een zoon der edelen is.'
De overheid roept vandaag om normen en waarden, gezien de verloedering van de samenleving. Welnu, wìj hebben geen andere normen en we kennen geen betere waarden dan die ons in het Woord Gods worden aangereikt. In dat licht is vrijheid genormeerde en begrensde vrijheid.
In onze tijd manifesteert zich de 'Babelcultuur' met name in invulling van de begrippen vrijheid en ongelijkheid. Deze modern ingevulde begrippen krijgen nu ook in het overheidshandelen een bepaalde ideologische inhoud, omdat de binding aan wat de Schepper van hemel en aarde voor de mens heilzaam acht afwezig raakt.

Als de wereld nu echter haar eigen waarden of onwaarden kiest, dan heeft de overheid niet het recht om christenen, of ze zich nu in een minderheidspositie of een meerderheidspositie bevinden, gelijk te schakelen met hen, die Gods inzettingen verwerpen. Leer en leven – ook publiekelijk – zijn niet te scheiden. Christenen hebben hogere normen dan louter democratische.


Onze belijdenisvrijheid en onze getuigenisvrijheid en onze handelingsvrijheid hangen met elkaar samen. Die kùnnen en mógen en zullen we niet opgeven en ook niet de richtlijnen, die we naar eer en geweten volgen voor de christelijke levensverbanden. Het recht Gods – het droit Divin – weegt ons zwaarder dan de rechten van de mens. We moeten zelfs zeggen, dat de rechten van de mens het meest veilig en gegarandeerd zijn wanneer het recht Gods centraal staat. Want het gebod is ten goede.
De gelijkheid, die vandaag wordt voorgestáán en dan ook wordt voorgeschréven in de voorgenomen Wet Gelijke Behandeling, komt op gespannen voet met de vrijheid zelve, namelijk de vrijheid om de Heere naar Zijn Woord te dienen.
De wet, die nu voorligt, heeft dan ook, in aanzet en in consequenties, veel wijder contouren dan alleen maar de kwestie van benoemingsrecht voor christelijke organisaties. De stap, die nu gezet dreigt te worden, brengt ons in principe op een nieuwe weg, namelijk die van een staatsmoraal, die voor de overtuigde christen en voor de principiële levensverbanden onaanvaardbaar is. Omdat er sprake is van gelijkschakeling van levensovertuigingen.


Daarom zeggen we hier vanavond ook richting overheid: keert terug.
Deze weg is een heil-loze.
Dat we bij die oproep de kerken inbegrijpen is al betoogd.
Eerst zeggen we 'kèrk, kèrk, kèrk, hoort des Heeren Woord'. Daarna zeggen we lànd, lànd, lànd, hoort des Heeren Woord' (Jer. 22 : 29).
God geve ons een spade regen des Geestes, Zo alleen zullen ten diepste de vloedgolven worden gekeerd. Wie weet. God mocht Zich wenden en ook deze wet afwenden…

J. van der Graaf

Toespraak, gehouden op donderdag 3 jun 1993 te Goes, belegd door het Beraad Geestelijke Vrijheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Om Kerk en volk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's