Globaal bekeken
'Hendrik Voes', zo luidt de titel van een geschriftje van ds. J. Verhagen uit de vorige eeuw. Op 1 juli a.s. is het 470 jaar geleden dat de Augustijner monnik naar de brandstapel ging. Het geschrift van ds. Verhagen werd opnieuw uitgegeven door de Stichting Marnix. Hieruit de volgende twee passages:
'De klok laat elf doffe slagen horen, de rechters geven een wenk en Hendrik Voes, de jongste der veroordeelden, wordt geboeid tussen voetknechten over het plein geleid. Met ademloze stilte volgt de menigte met haar blikken de jonge man, die fier het hoofd opheft en hemelwaarts blikt. Hij verdwijnt onder het schavot om het na weinige minuten met misklederen omhangen te betreden. Men dwingt hem te knielen voor het altaar. Een der priesters houdt een redevoering om te bewijzen dat hij en zijn vrienden, die straks zullen voorgebracht worden, ketters zijn. Terwijl hij spreekt nadert een bisschop, die hem stuk voor stuk zijn priesterlijke kleding afneemt en hem ontwijdt. Hiermee is deze plechtigheid afgelopen. Uit menig borst rijst een zucht, in menig oog blinkt een traan, als men daar die jeugdige monnik ziet zonder vrees voor de dood. Nee, hij kent geen vrees en bidt voortdurend tot God en let niet op zijn rechters, noch op de predikatie of ontwijding.
Nu worden Van Essen en Thorn op het schavot gebracht en evenmin als Voes, kennen zij vrees voor de dood. Thorn wordt naar de kerker teruggebracht, aan Voes en Van Essen gevraagd of zij nog herroepen willen. Een beslist "nee" is het antwoord; en ook de belofte van vrijheid werkt niets uit. Weer klinkt het bevel: "Naar het vuur met hen", en de martelaars worden weggeleid.
Hun tocht naar de brandstapel leek een zegetocht. Moedig riepen zij het volk toe dat zij als Christenen stierven en baden voor hun vijanden. Toen de beulen hen hadden ontkleed, beklommen zij zingend de brandstapel en lieten zich aan de paal binden.
"Naar deze dag hebben wij verlangd", juichten zij. "Ik ga naar mijn Heiland", riep Voes, "om Hem te dienen in volmaaktheid."
"Wij prijzen U, o God!" – "Wij prijzen U!" hief Van Essen mede aan, en het Te Deum Laudamus, dat over het plein uit de mond van de martelaren de menigte in de oren klonk, verkondigde luid dat het hun Heere was, Die gezegd had: "Als gij door het vuur gaat, zal Ik bij u zijn". Nog hoorde men hen de geloofsartikelen opzeggen; en toen het vuur werd aangebracht, zei Voes: "Dit schijnen mij rozen te zijn. O, hoe heerlijk zal het mij straks wezen. TE DEUM LAUDAMUS!"
"Te Deum", zong Van Essen mee. De brandstapel was een juichplaats.
Langzaam ging het vuur aan. Al hoger stegen de vlammen, en toen zij knetterend boven hun hoofd golfden werd nog hun zegelied gehoord.
Eindelijk was hun stem verstikt en het lied zweeg. Maar nee, nog eenmaal verhief Voes zijn stem. "Jezus!" riep hij "Dierbare Jezus!", volgde Van Essen. Nog eenmaal klonk die naam in de oren van de beulen, en – o, mij dunkt een leger van engelen omring de de brandstapel en droeg de zielen van die beide moedige belijders van de Heere in de schoot van Abraham. De strijdende kerk op aarde mocht twee leden minder tellen, de triomferende in de hemel had twee leden gewonnen.'
Het lied op 'DE TWEE MARTELAREN CHRISTI TE BRUSSEL', bezielde als met vernieuwde heilige geestdrift duizenden neergebogen harten.
Weldra werd het in Vlaanderen, Holland en in geheel Duitsland gehoord; men zong:
Een nieuw gezang, wij heffen 't aan,
Het klimt tot God de Heere!
Wij zingen wat God heeft gedaan,
Tot Zijne lof en ere.
Te Brussel in Zuid-Nederland
Heeft hij er twee verkoren,
Twee knapen, jong en rozenrood
Om van Zijn macht, zo goed, zo groot
De wereld te doen horen.
De oude vijand grijpt hen aan,
Verschrikt ze steeds met dreigen,
Om hen Gods Woord te doen versmaan,
Door list en zondig zwijgen.
Hij zet de rechters naar Zijn hand,
Die huich'lende sophisten!
Hun kunst verstomd door 's Heeren hand,
Gods Geest verijdelt hun verstand
In weerwil alles listen.
Hun as gloeit voort en laat niet af,
Maar stuift van land tot lande;
Hier helpt geen kloof, geen kuil, geen graf,
De vijand baart zijn schande.
Zij, die bij 't leven door de moord
Tot zwijgen zijn gedwongen,
Zij spreken thans in ieder oord,
En hunne lof wordt thans gehoord
Door vele duizend tongen.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's