De televisie in beeld
Uit of eruit
Reken maar dat het verschijnsel televisie in enkele tientallen jaren tijds de samenleving danig heeft beïnvloed. Neem alleen maar het gemeenschapsleven. In gebieden in de wereld, waar nog geen of nauwelijks televisie is, kan men het nog meemaken, dat bij bijzondere gebeurtenissen of bezoeken de hele dorpsgemeenschap te hoop loopt. Daar functioneert dan de gemeenschapsgedachte nog. Zo werd vroeger te onzent ook het beeld in de dorpen, maar ook in de steden, veel meer gekenmerkt door ontmoetingen op straat, het verkeer met elkaar of ook het vertoeven van mensen voor hun huizen. De televisie heeft echter de mensen naar binnen gezogen. Wanneer er bijvoorbeeld bijzondere sportevenementen voor de televisie zijn – en wanneer zijn ze er niét! – is dat merkbaar bij evenementen in de maatschappelijke sector, maar helaas ook op kerkelijk terrein.
Maar er is natuurlijk veel meer aan de hand dan dat de gemeenschapsgedachte is afgenomen. Mensen komen nu eenmaal sterk onder invloed van het visuele, van datgene wat ze zelf mee kunnen beleven in de beelden, die op het scherm worden vertoond. Dat geldt voor het goede in positieve zin, het geldt echter niet minder of in hoge mate voor het kwade, maar dan in negatieve zin.
Er verschijnen dan ook telkens weer verontrustende rapporten, waaruit blijkt hoe bijvoorbeeld criminaliteit op televisie enerzijds ge wenning geeft aan de kijkers en anderzijds zelfs gevoelens van criminaliteit oproept. In Amerika is het zo – zo bleek enkele jaren geleden uit een rapport – dat elke tien minuten een gewelddaad op het scherm zichtbaar wordt. Jongeren, die de high school verlaten, hebben op dat moment gemiddeld dertien duizend gewelddadige details gezien. Ze léven daar bij televisie, al 'maakt' ook in Nederland – met een op dit moment nog geringer aanbod aan televisie – een kind ook al een aantal televisie-uren per jaar, dat éénderde is van het aantal schooluren.
Drs. A.G. Knevel
Het is te onzent drs. A.G. Knevel, die met name in kerkelijke kring, en daarbinnen dan met name weer de Gereformeerde Gezindte, aandacht heeft gevraagd voor de schadelijke (uit)werking van televisie. Zijn eerste boek 'De wereld in huis' heeft veel bezinning losgemaakt in de gemeenten. Hij heeft dat zelf ook ervaren. Niet alleen beleefde zijn boek vijf drukken, maar zijn publicatie leverde ook een grote reeks spreekbeurten op in kerkelijke gemeenten van allerlei slag en snit. En nòg is het einde niet. De signalen, die in het boek werden afgegeven, worden kennelijk herkend en opgepakt.
Als mensen televisie bezitten en eerlijk met hun gezin naar bijbelse normen willen leven, blijkt de televisie geen probleemloos bezit te zijn. Dat blijk op de avonden, die in het algemeen druk bezocht worden.
Knevel heeft er nu een tweede boekje op laten volgen, geschreven tegen de achtergrond van genoemde gemeenteavonden. Daarin laat hij uitkomen, dat de problematiek nòg ernstiger is dan hij in zijn eerste boek heeft aangeduid. Hij baseert dat op de gegevens, die hij over kijkgedrag kreeg aan de hand van ongeveer 800 (overigens anoniem ingevulde) formulieren, waarop een tiental vragen stonden afgedrukt en die op de avonden werden uitgereikt.
Behalve het feit, dat de televisie een onrustig ding in huis is, een bron soms ook van huiselijke twist, richt Krevel zich in zijn conclusies vooral op de vraag naar welke programma's wordt gekeken. Hoewel er enerzijds sprake is van gericht kijkgedrag bij velen – de E.O. is dan in trek –, is het verder zó, dat door anderen (zéér velen) naar 'alles' wordt gekeken wat de buis biedt, óók op zondag, óók als het gaat om zedeloze programma's. Knevel gebruikt hier woorden van verschillende strekking als het gaat om de vraag waaròm mensen dit doen: 'gemakzucht, gewoonte, verveling, verslaving en zonde.'
De schrijver zelf behoort intussen niet tot de stenenwerpers, die het wat de ànder betreft altijd al geweten hebben. Hij zegt ten aanzien van de reacties:
'Voordat we nu de neiging krijgen met stenen te gaan gooien… een ieder die televisie in huis heeft en daar niet alleen maar achteloos mee omgaat zal zich in de vele reacties kunnen herkennen. Wie geen verstoppertje met zichzelf en met zijn partner of gezin wenst te spelen zal zichzelf in deze reacties tegenkomen. Daarom is het probleem van de televisie geen geïsoleerd probleem van een bepaalde groep of van een bepaald kerkgenootschap, of van al of niet serieus levende christenen, of van mensen die de heiligmaking niet serieus willen nemen, maar van ons allemaal.'
Bij dit laatste zouden ook allen mogen worden betrokken, die televisie niet bezitten en nochtans zien.
Uit of eruit?
De titel van het tweede boekje van Knevel is intussen 'Doe dat ding dan UIT!', niet: èruit. Dat laatste zou uit de pen van iemand, die zelf bekend televisiemáker is, ook wat dualistisch overkomen. Hij beseft echter dat uitbanning ook een fictie zou zijn.
'De televisie zal niet meer verdwijnen uit orthodox-christelijk Nederland, hij zal integendeel nog verder oprukken. Dan is het vruchtbaarder om een boek te schrijven met aanwijzingen hoe met de televisie om te gaan is, dan een boek te schrijven met een boodschap, die zelfs niet meer gehoord zal worden en, als hij al gehoord wordt, achteloos verworpen zou worden.'
Wel suggereert hij: als men het toestel nog niet heeft, is het beter dat zo te laten; als er sprake is van verslaving of blijvende problemen: eruit dat ding.
Voor wie echter met het omgaan met televisie geen problemen heeft, biedt dit medium ook wezenlijke informatie of ook in bepaalde programma's geestelijke bewustmaking .
Feit is echter, dat ook in brede delen van de Gereformeerde Gezindte de televisie is geaccepteerd. Slechts in de kring van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en de Oud Gereformeerde Gemeenten is sprake van een absoluut verbòd. In andere kerken of kringen is televisie al in een vroeg stadium of in tweede fase binnengekomen, in gradaties variërend van: een (kleine) minderheid tot algemeen geaccepteerd. Dat laat de waarschuwing tegen gebruik (misbruik) onverlet.
Nu vallen bij de enquête, die Knevel hield, best enige kritische vragen te stellen. Hij beseft zelf wel, dat zijn enquête niet professioneel is. Daarvoor is deze te willekeurig, uitsluitend gebaseerd op antwoorden van mensen, die 'zijn' avonden bezochten, dus van de echt geïnteresseerden. Hij concludeert dan echter dat, wanneer er sprake zou zijn van een echte enquête (dus ook onder 'on-geïnteresseerden') het resultaat nog verontrustender zou zijn. Dat nu valt nog te bezien. Zou het ook niet zo kunnen zijn, dat juist diegenen naar de avonden van Knevel komen, die echt met het probleem zìtten? In hoeverre was zijn gehoor echt een dwarsdoorsnede uit 'orthodox kerkelijk Nederland?' Men moet ook oppassen voor verkeerde beeldvorming ten aanzien van bepaalde groeperingen op grond van een vraagstelling, die niet voldoende is onderbouwd of genuanceerd.
Maar hóé dan ook, wèlke percentages nu ook de rechte zijn als het gaat om kijkgedrag inzake allerlei programma's. Knevels boekje bevat genoeg onderbouwde gegevens om de signalen méér dan ernstig te nemen. Televisie is een grote bedreiging voor de christelijke levensstijl. Zaken, die vroeger algemeen werden afgewezen, zijn nu binnen oog- en oorbereik. Dan gaat het, wat ons betreft, niet alléén om programma's, die notoir verwerpelijk, want verderfelijk zijn. Als het daarover gaat – ik bedoel de erotische programma's – komt de boer op de klompen en weet ie der wel, dat het niet goed zit, en dat het de zonde is die 'boeit' in de tweeërlei zin van het woord. Minstens zo fnuikend zijn de verstrooiende programma's, die overlopen van oppervlakkigheid of die inspelen op hebzucht. Daarvoor behoeft men echter niet alleen bij televisie te zijn. Hetzelfde geldt voor rubrieken in dagbladen en periodieken, of voor zevenstuiverromans en 'weekendlektuur'.
Doordat mensen echter uren aan de buis zitten is de léés-cultuur teruggedrongen en daarmee de léér-cultuur. Alles moet oppervlakkig en vlug. Wie echter de kunst van het lezen verstaat en de smaak van het goede boek te pakken kreeg en heeft, zal televisie bezitten als niet-bezittende. Die kent beter verpozing en verstrooiing dan uren voor de buis zitten.
Cultuuromslag
Over één punt zou ik met Knevel de degen willen kruisen. Ook in dit boek verdedigt hij de stelling, dat 'de cultuuromslag binnen de kerken te wijten is aan de televisie.' Hij zegt hier: binnen de kèrken. Als hij dàt uitslúítend bedoelt kan hij beter niet van cultuuromslag spreken maar het gewoon houden op het verschijnsel ontkerkelijking of slijtage van normbesef. Dat daarbij de televisie inderdaad een grote rol heeft gespeeld zal waar zijn, al is het altijd uitermate moeilijk om in deze met absolute oordelen te komen. Het hele bréde wereldse levenspatroon van vandaag dringt nu eenmaal door de kieren van aller bestaan, gegeven de openheid van de samenleving en de intensieve communicatie vandaag. Dan gaat het niet alléén om televisie. De auto, met de daaraan verbonden mobiliteit, kan bijvoorbeeld evengoed een factor zijn.
Bedoelt Knevel echter cultuuromslag als zodánig – dus in het brede beweeg van het volksleven – dan waag ik te zeggen, dat de cultuuromslag geen gevòlg is van de televisie maar dat de televisie een symptoom is van een grote cultuuromslag.
Bij grote uitvindingen als de boekdrukkunst, de electriciteit, de telefoon, de radio kwam er onvermijdelijk een diepgaande verandering in cultuurpatroon, omdat mensen in de gelegenheid kwamen anders (steeds intensiever) met elkaar te gaan communiceren en elkaar te beïnvloeden. Er is echter nooit een tijd geweest als de onze, waarin ontwikkelingen zó snel gingen. We leven in de tijd van het electron. Met vindingen op het terrein van de electronica zijn gigantische ontwikkelingen ingezet in de communicatiesfeer: de telecommunicatie (met gebruikmaking van satellieten), de beeldschermen, of het nu de televisie betreft of de computer, die allerwegen intrede deed, de faxpost. En ook hier is nòg het einde niet.
De televisie is slechts een onderdeel van een heel spectrum aan nieuwe mogelijkheden, waardoor mensen vandaag onder ingrijpende invloeden staan. De nieuwe communicatie(mogelijkheden) zijn, nogmaals gezegd, eerder een symptoom van de cultuuromslag, die gegeven is met ingrijpende ontwikkelingen op het terrein van de fysica. Wie vandaag dan ook dankbaar, zelfs gretig gebruik maakt van 'het scherm' voor bijvoorbeeld tekstverwerkingsdoeleinden of andere mogelijkheden, beseffe dat de wand tussen dit medium en de televisie flinterdun is en nog dunner zal worden.
Tenslotte
Tot zover een aantal overwegingen bij het tweede boekje van Knevel. Dat boekje voegt niet iets wezenlijk nieuws toe aan het eerste, al bevat het wel 'tips en aanwijzingen' voor de omgang met televisie. Het wil ons echter opnieuw opscherpen met betrekking tot het omgaan met de media in de gemeente, in dit boekje dan met name de televisie.
Het oog wordt niet verzadigd met zien, zegt de Prediker (1 : 8). En indien uw oog u ergert, werp het van u, zegt Christus (Mt. 5 : 29). Daarvoor is bij het medium televisie aanleiding genoeg: úít of èruit!
J. van der Graaf
N.a.v. drs. A.G. Knevel, Doe dat ding dan UIT!, uitgave Kok/Voorhoeve, Kampen, 100 pag., ƒ 14.50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's