De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kruistheologie (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kruistheologie (2)

9 minuten leestijd

Schepping uit niets
Van der Meer vervolgt met een onderzoek naar Luthers Magnificat (Lofzang van Maria). Daarin ontvouwt Luther – n.a.v. Gods omzien naar Maria's 'nichtigkeit' (lage staat, nietigheid) – een gedachte die voor zijn kruistheologie van groot gewicht is. Het is de notie van Gods schepping uit niets (men doet er beter aan Van der Veers terminologie: 'uit het niets' te vermijden, zoals Van Ruler ons leerde). Niet alleen in den beginne, maar ook in de voortgang van de heilsgeschiedenis ziet Luther zich deze schepping uit niets voltrekken. Zo is Gods aard. Zijn stijl. Daarom zoekt Hij in zijn heilshandelen altijd weer het minste en verachtste, het laagste en meest verlorene. God wil schèppen! Zijn ogen – zegt Luther, met een middeleeuws beeld – kunnen alleen maar in de diepte zien, want omdat Hij de allerhoogste is kan Hij eenvoudigweg niet naar omhoog kijken… Hoe dieper iemand zich nu onder hem bevindt, hoe beter Hij hem kan zien!

Scheppende liefde
Heel deze wonderlijke ('widdersinnische') blikrichting staat haaks op de onze. Mensen zien altijd aan wat statuur en aanzien heeft. God ziet, zoekt en zaligt het onzaanzienlijke. Zijn liefde gaat uit naar wat niets is. Deze liefde ontbrandt niet aan wat beminnenswaardig is, maar schèpt wat zij bemint (Heidelberger Disp.). Zó wil God Schepper zijn. Daarom maakt God wat iets is eerst te niet, alvorens het herscheppend te redden. Het centrum van dit paradoxale, kruisgewijze handelen komt aan het licht in het Christusgebeuren zelf: niet anders dan door de verborgenheid Gods in kruisgericht en dood wordt Christus ten leven gewekt.

Deemoed
Twee aspecten werkt Van der Veer nu nader uit. Ten eerste de gedachte dat de deemoed – hoe noodzakelijk ook – van geen enkele verdienstelijke waarde is (alsof de armoe van de bedelaar lof zou verdienen i.p.v. de royaliteit van de gevende vorst!). 'Noch langs de weg van de waardigheid, noch langs de veel subtielere weg van de onwaardigheid kan de mens Gods genade claimen' (p. 118).

Geschiedenis
Het tweede aspect betreft de uitwaaiering die Luthers kruistheologie ontvangt in zijn geschiedbeschouwing. De verborgenheid Gods in het kruis levert Luther de sleutel om het raadsel van de geschiedenis te bevroeden: achter het 'masker' (de larva) van het menselijk handelen voltrekt zich op een verborgen wijze het handelen Gods.

Knechtelijke wil
Het lastigste hoofdstuk – maar van vitaal belang – betreft Luthers Knechtelijke wil. Dit vormt in al zijn weerbarstigheid ongetwijfeld een van Luthers hoofdgeschriften. Van der Veer heeft het op het punt van de kruistheologie aan een diepgaand onderzoek onderworpen. In dit aan Erasmus gerichte weerwoord komt de laatste ernst van Luthers reformatorische overtuiging vrij. De vorm is hartstochtelijk, de inhoud radicaal. Luther weet met het dilemma vrije-of-gebonden-wil het hart van de zaak in het geding: hangt het heil exclusief aan God en Zijn genade, of mede aan de menselijke wilsbeschikking? Terwijl Erasmus het onnodig en overbodig acht om de verhouding tussen goddelijke genade en menselijke vrijheid tot in haar laatste essenties toe uit te diepen en pleit voor terughoudendheid en verdraagzaamheid, staat voor Luther hier nu juist het allerwezenlijkste op het spel. Van der Veer schrijft in dit verband veelbetekenend: 'Wie dus in het geloof het vermeende "dogmatisme" van bindende theologische uitspraken c.q. belijdenissen wil inruilen voor een sceptische, irenische terughoudendheid en een theologisch relativisme, die heft volgens Luther het christendom zelf op en laat de mens aan zijn eigen wankele geloof over' (p. 140). De Heilige Geest is geen scepticus! Men dient zich van deze existentiële inzet voortdurend bewust te zijn, om Luthers hoge gedachtenvlucht te kunnen meemaken.

Hoofdmotief
Wat is nu volgens Van der Veer Luthers hoofdmotief om tegen Erasmus' pleidooi voor de vrije wil zo'n onverzettelijk neen te laten horen? Het is zijn kruistheologie. Een kernzin in dezen is Luthers uitspraak: 'De gekruiste Christus brengt al deze dingen met zich mee'. Aan de Gekruiste leest hij af dat de zondaar, die zichzelf voor een vrij mens houdt, juist in die waan niet anders dan een slaaf van de zonde is en gekruisigd moet worden. En wie dit erkent ontvangt de ware vrijheid onder de gestalte van het tegendeel: de totale gebondenheid aan Christus en zijn genade.
Uiteraard signaleert de auteur naast dit hoofdmotief ook nog andere motieven in Luthers strijdschrift. Hij noemt dat 'Spitzensätze', grensuitspraken, die als een soort uiterste consequentie zijn bedoeld en niet onproblematisch van aard zijn. Hierbij denkt hij aan de noties van Gods alwerkzaamheid, die dubbele praedestinatie en Gods majesteitsverborgenheid.

Praedestinatie
Ik beperk me tot de twee laatstgenoemde facetten. I.t.t. sommige andere Lutherkenners spreekt Van der Veer van een 'duidelijk herkenbare dubbele praedestinatie' in De Knechtelijke wil. Inzake de positieve pool – de verkiezing – valt de samenhang met Luthers kruistheologie niet moeilijk in te zien. De aan het kruis ontsprongen deemoed ontvangt in het zicht op Gods soevereine genadewil, die een eeuwigheid aan onze geloofskeuze voorafgaat, haar uiterste verdieping. Het welbehagen Gods dat achter Christus' kruis oplicht, ontneemt de mens het laatste spoortje zelfvertrouwen en de minste zweem van eigenroem. Van der Veer stelt terecht: 'De christelijke prediker laadt dientengevolge een zware schuld op zich wanneer hij z'n hoorders de ergernis van dit dogma zou willen besparen uit angst voor het gevaar van zede- en goddeloosheid' (p. 177). Zowel de deemoed als de zekerheid van het geloof hangen aan Gods vrije, vóórkomende genade.

Verwerping
Maar hoe staat het nu volgens Luther met de verwerping? Van der Veer verzwijgt enerzijds niet dat de spanningen in Luthers betoog hier hoog oplopen. Hij vindt dat Luther neigt naar 'een volstrekte parallellisering en symmetrie tussen verkiezing en verwerping' (p. 182), waarbij de gedachte dreigt dat de mens dan niet meer wordt verworpen omdat hij zondigt, maar omgekeerd, dat hij zondigt omdat hij verworpen is (p. 174v.). En hoe ligt het dan met de menselijke schuld?

Context
Anderzijds wil Van der Veer aan Luthers intentie volledig recht doen. Het gaat de reformator nl. niet om een op zichzelf staande interesse voor het eeuwige raadsbesluit, maar om een consequente beschrijving van Erasmus' standpunt, die uit de mogelijkheid, het Evangelie vrijwillig af te wijzen, de conclusie trekt dat het dan ook mogelijk is, het eigener beweging aan te nemen. Luther staat hier lijnrecht tegenover: zowel het een als het ander is uiteindelijk aan God toe te schrijven. Van der Veer brengt hier de specifieke polemische situatie voluit in rekening. Luther ziet zich in De Knechtelijke wil nu eenmaal niet geconfronteerd met de gevaren van een religieus determinisme, maar met het Erasmiaanse synergisme, waarin God en mens samenwerken. Een heel wijs woord acht ik: hoeveel bezwaren er ook tegen Luthers conceptie zijn in te brengen, 'men zal zich voortdurend rekenschap moeten geven van de vraag, hoe zijn antwoord op Erasmus dan wèl had moeten uitvallen, en of zijn radicaal-consequente manier van argumenteren in dit dispuut niet het meest recht doet aan het gewicht van de zaak in kwestie' (p. 188).

Vraag
Het verwondert me – en hier ligt mijn belangrijkste vraag aan de auteur – dat hij in zijn 'kritisch slotoordeel' Luther niet met hetzelfde begrip tegemoet treedt betreffende diens onderscheiding van de (niet in het kruis maar) in Zijn majesteit Verborgen God – die boven ons en ook boven zijn eigen openbaring uitgaat en die ons niet aangaat – en de in de prediking Openbare God. 'Er bestaat een reëel gevaar dat het "boven het Woord" de trekken krijgt van een "tegen het Woord".' Met vele anderen vraagt Van der Veer zich af of de vrijheid van God zo de openbaring toch niet meer bedreigt dan beschermt (212v.). 'Vereisen de deemoed en eerbied van het geloof werkelijk een zodanig tegenbeeld van de geopenbaarde God, dat de eenheid van het Godsbeeld moet worden prijsgegeven? Wie kan (zo) de deemoed nog beschermen tegen de vertwijfeling?' M.a.w. is het Woord van God dan nog wel de betrouwbare onthulling van Zijn hart, van Zijn eigenlijke wil?

Drie opmerkingen
M.i. zijn daarop drie dingen te zeggen. Ten eerste dat Luthers uitlatingen hier een toegespitste en geadresseerde reactie vormen, die hij bij mijn weten nimmer heeft gesystematiseerd (waarom het nog de vraag is of zijn visie te vereenzelvigen valt met een dubbele praedestinatieleer, al bevat zij daar wel bouwstenen voor).
Ten tweede laat zich de vraag niet onderdrukken of de eenheid Gods niet veeleer bij uitstek dàn onder spanning komt te staan, wanneer men stelt dat ongeloof en verlorenheid buiten Gods (verborgen) wil omgaan? Men houdt op deze manier weliswaar Gods heilswil ongedeeld en ongescheiden, maar hoe staat het dan met Gods (al-)macht om deze wil ten uitvoer te brengen? Naar mijn besef ligt aan Luthers hooggespannen paradox van de Verborgen en de Geopenbaarde God terdege een eenheidsvisie ten grondslag, die hij wel niet doorzichtig weet te maken, maar die hij, in weerwil van Domino Ratio ('vrouwe Rede') eenvoudigweg poneert: via de geloofstoevlucht, waarin we tègen God náár God (in Christus) vluchten, wordt de verborgen God de geopenbaarde! In de Gekruisigde komt men het ongewetene aan de weet, feilloos en betrouwbaar. Zó is en blijft de deemoed tegen de wanhoop beschermd. Het is een bescherming die door geen enkele systematiek – ook door geen enkele Godsleer – wordt gegarandeerd. Niet enige Godsléér, maar het Godsgelóóf biedt houvast. Christus alleen is onze theologie, onze hoop, onze vrede.
Mijn derde opmerking is aan Van der Veer zelf onleend: hoe zou Luthers repliek daar en toen ànders hebben moeten luiden? Ik denk dat hij – óók in zijn voor òns wellicht hier en daar al te rationaliserende argumentatie – het hele instrumentarium van zijn geloofskennis en van zijn denkkracht heeft aangewend om dit ene gestand te doen: genade is genade. God is Gòd, en Hij is het alleen.
Graag zou ik nog de prachtige hoofdstukken over Luthers Genesiscommentaar en over zijn heel praktische gedachten aangaande de coöperatie aanstippen. Ik breek hier echter af. Maar niet nadat ik hartgrondig heb ingestemd met Van der Veers pleidooi om het diepzinnige, offensieve geschrift De Knechtelijke wil nooit te isoleren van de pastorale Genesisuitleg, en het eerstgenoemde geschrift vooral tegen het licht van het laatstgenoemde te houden. Zo doet men Luther, wat meer is, zo doet men de zaak het meeste recht.
Van der Veers dissertatie tenslotte is meer dan een proeve van vakbekwaamheid. Het is theologie die de zaak dient. Het is kruistheologie, die de zaak bij haar naam noemt!

A. de Reuver, Delft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Kruistheologie (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's