Boekbespreking
A. de Reuver: 'Bedelen bij de Bron'. Zoetermeer, Boekencentrum, 1992, 704 pag. ƒ 75,–.
Het proefschrift van dr. A. de Reuver geeft een dermate indrukwekkende veelheid en volheid aan gegevens, dat er aan het begin van deze boekbespreking reeds gesteld moet worden dat zelfs maar een poging om de inhoud op een verantwoorde wijze samen te vatten tot mislukken gedoemd is. Een boek van 700 bladzijden laat zich niet in een enkele pagina weergeven. Wat ik in deze recensie wil doen is niet meer dan een impressie geven van de wijze waarop De Reuver zijn onderzoek heeft verricht, in grote lijnen weergegeven tot welke conclusie hij komt, om daarna met een enkele evaluatieve vraag met de betrekking tot de methode van onderzoek te eindigen.
Het onderwerp van deze studie is zoals de ondertitel zegt 'Kohlbrugges geloofsopvatting vergeleken met Reformatie en Nadere Reformatie'. Daarbij is het uitgangspunt genomen in het hart van de theologie van de prediker van Elberfeld, de geloofsvisie, om van daaruit rond te zien naar zijnsgelijken die hem in de gereformeerde traditie zijn voorgegaan. In de inleiding geeft De Reuver rekenschap van de methode waarmee hij te werk is gegaan. Hij grenst het onderzoek af, legt uit welke bronnen hij heeft onderzocht, en welke structuur hij bij de weergave heeft aangelegd. Rond het thema van het geloof komen de volgende aspecten achtereenvolgens in een negental hoofdstukken aan de orde: de herkomst van het geloof, geloof en wedergeboorte, de aard van het geloof, geloof en zondekennis, rechtvaardiging en heiliging, de aanvechting van het geloof, de zekerheid van het geloof, geloof en sacrament en tenslotte geloof en verkiezing. Enigszins merkwaardig is het dat er bij deze veelheid van aspecten een aparte behandeling van de relatie van het geloof tot het Woord ontbreekt. Het is overigens bij de bespreking van al deze afzonderlijke aspecten in het geheel niet onduidelijk dat de gerichtheid op het Woord bij de Schrifttheoloog Kohlbrugge primair en beslissend is.
Werkwijze
De wijze waarop De Reuver te werk gaat is als volgt. Hij begint elk hoofdstuk met een uitgebreide analyse van datgene wat Kohlbrugge over het bepaalde aspect, voornamelijk in zijn prediking, te zeggen heeft. Daarbij wordt aan Kohlbrugge uitvoerig de gelegenheid gegeven om zelf tot ons te spreken. De veelheid van citaten maakt dit boek erg breed, maar biedt tegelijk een rijke schat aan directe indrukken die bijzonder waardevol is. Wij worden op een intense en persoonlijke wijze, ingeleid door de schrijver die als geen ander welhaast een geestverwante 'kenner' mag worden genoemd, vertrouwd gemaakt met Kohlbrugge. Datzelfde geldt overigens ook wat de andere hoofdpersonen van dit boek betreft.
Kohlbrugges visie wordt vervolgens vergeleken met de opvatting van de Reformatie, Luther en Calvijn, en met die van de Nadere Reformatie, vertegenwoordigd door een aantal karakteristieke representanten van deze stroming. De analyse van hun geloofsvisie voltrekt zich in het licht van datgene wat bij Kohlbrugge reeds gevonden was. Steeds wordt er bij de onderdelen van de hoofdstukken in heldere conclusies een samenvatting gegeven van het gevondene. Elk hoofdstuk eindigt met een afrondende samenvatting. Deze structuur geeft bij de geboden veelheid de nodige helderheid. De Reuver verstaat de kunst om met een grote mildheid en aandacht te luisteren naar de vele onderscheiden theologen. Hij zoekt naar het verbindende. Hij heeft oog voor de verschillen, maar gaat in zijn beoordeling irenisch te werk en wil vaak ook nadrukkelijk de overeenkomsten onderstrepen. Zo maken wij kennis met een groot aantal belangrijke theologen uit onze traditie, met de ontwikkelingen die er in de loop van eeuwen hebben plaatsgevonden. Daarbij is er van vele bronnen en nog veel meer secundaire literatuur gedegen gebruik gemaakt. En toch is het geheel zo goed te lezen, dat het ook de geïnteresseerde niet-theologen zeer zeker zal smaken. Daarmee heeft deze wetenschappelijke studie een grote verdienste, niet alleen voor een kleine kring van ingewijden, maar voor het geheel van de kerk.
Tot welke conclusie komt De Reuver na alle vergelijking? In de slotbeschouwing komen alle deelconclusies weer terug. Deze worden nog eens gewogen en leveren het volgende op. De verhouding met De Nadere Reformatie is er een van 'kritische solidariteit'. Bij de vele punten van overeenkomst – met de ene vertegenwoordiger meer dan met de ander – is er toch ook de duidelijke distantie waar te nemen. Waar de Nadere Reformatie in de geloofsopvatting steeds meer uitkomt bij een subjectivistische zelfreflectie, daar houdt Kohlbrugge het geloof exclusief op het voorwerp Christus betrokken. Apart komt de relatie van Kohlbrugge en Dordt, de verkiezingsleer ter sprake. Hierbij is Kohlbrugges kritiek het meest uitgesproken. Hij heeft aan een verwerping van eeuwigheid in zijn prediking geen plaats willen geven.
Calvijn
Vervolgens komt Calvijn aan de beurt, met wie Kohlbrugge een 'selectieve affiniteit' had. Er zijn duidelijke verschillen, bijvoorbeeld op het punt van de rechtvaardiging en heiliging en over de predestinatie. De Reuver stelt dat Kohlbrugge wel bij Calvijn in de leer is geweest, maar geen leerling kan worden genoemd van de reformator van Genève. Dat was hij tenslotte wel van Luther. Kohlbrugges relatie met hem wordt getypeerd als een 'zelfstandige navolging'. De Reuver ziet hem naar het woord van Noordmans staan in de rij van 'kerkelijke klassieken': 'In deze reeks staat Kohlbrugge naast anderen. Minder rijk en sprankelend dan Luther. Niet zo breed en helder als Calvijn. Maar wel even diep als die beiden.'
Vragen
Tenslotte nog een korte evaluatie. Bij alle waardering voor de inhoud, zijn er toch ook enkele vragen, niet zozeer over de opbrengst van de diepgaande analyse van De Reuver, maar meer over de methode van de vergelijking. Kohlbrugge functioneert in dit boek als punt van ijking en vergelijking. Maar is de reden van vergelijking en de wijze waarop die plaatsvindt wel overal zo voor de hand liggend? Wat is de aanleiding geweest om Kohlbrugge op de gekozen aspecten naast de Nadere Reformatie en de Reformatie te leggen? Het maken van vergelijkingen zonder dat er duidelijkheid is omtrent de onderlinge relatie heeft voor mij, historisch gezien, iets willekeurigs. Het is begrijpelijk dat Kohlbrugges visie vergeleken wordt met die van Luther en Calvijn. De relatie van Kohlbrugge en deze beide reformatoren is dan wel niet zo eenvoudig duidelijk te maken, dat geeft De Reuver zelf ook aan, maar hij heeft ze uit geschriften gekend. Als het echter moeilijker duidelijk te maken is of en hoe er lijnen van direct contact lopen, moeten we met vergelijking voorzichtig zijn. Ik vind dat vooral bij de overeenkomsten met de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie een punt. Wat is de reden geweest dat De Reuver voor de bepaalde vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie die hij bespreekt heeft gekozen, om juist die met Kohlbrugge te vergelijken? Ik kan goed begrijpen dat hij mensen als bijv. Teellinck, Brakel en Van der Groe als hoofdpersonen heeft gekozen om na te gaan hoe er in de Nadere Reformatie over het geloof werd gesproken. Zij zijn immers de karakteristieke vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie uit verschillende perioden. Maar hoe goed heeft Kohlbrugge ze eigenlijk gekend? De relatie met deze en andere behandelde vertegenwoordigers blijft onduidelijk. Heeft hij ze gevolgd – soms is dat in letterlijke zin duidelijk het geval, zoals De Reuver aantoont –, of heeft hij met name op hun opvattingen kritisch gereageerd? Als dat duidelijker zou zijn, zouden ook de vergelijkingen meer voor de hand liggen. Ik vond het bijvoorbeeld opvallend dat Kohlbrugge Eswijler, die inhoudelijk bij De Reuver een brede behandeling krijgt, zich kennelijk zo vaag herinnerde dat hij zijn naam zomaar fout citeerde. Dat doet Kohlbrugge dan in een brief waarin hij kritiek geeft op het boek van Groenewegen, een vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie die Eswijler verdedigde. Mijn vraag is dan: waarom blijft dit boek van Groenewegen, dat Kohlbrugge dus wel heeft gelezen, bij de vergelijking buiten beschouwing? Had het niet voor de hand gelegen om eens na te gaan wat Kohlbrugge daarin zo gestoord kan hebben?
De aanleiding om Kohlbrugge te vergelijken met de Nadere Reformatie zou historisch gezien wel eens meer relevant kunnen zijn voor de latere receptie van Kohlbrugge, dan voor Kohlbrugge zelf In zijn doorwerking heeft Kohlbrugge in latere tijd, tot de dag van vandaag toe, voor velen die in de traditie van de Nadere Reformatie een verenging ervoeren van het geloofsgoed van de Reformatie, als een nieuwontdekte brug naar de geloofszekerheid van de Reformatie gefunctioneerd. In dit licht blijven er nog interessante vragen voor behandeling open, die De Reuver zelf ook aangeeft. Bijvoorbeeld hoe het toch komt dan Kohlbrugge bij zozeer verschillende tradities, 'van barthianen' tot bevindelijken, zo'n warm onthaal heeft gevonden.
Ongelijkheid
Er is nog een vraag die ik bij de methode van vergelijking heb. Er is m.i. een ongelijkheid in de vergelijking, die De Reuver zich overigens zelf ook bewust is en waarbij ook tijdens de promotie kanttekeningen werden geplaatst. Kohlbrugge was geen systematisch theoloog, maar een prediker van het Woord. Zo komt hij ook in dit boek heel duidelijk naar ons toe. Als hij dan op allerlei punten vergeleken wordt met systematische dogmatische verhandelingen van andere theologen, dan is er toch gevaar van een onevenredigheid die voor het goede zicht op Kohlbrugge en op zijn analogieën vertekenend kan werken. Ik proef dat bijvoorbeeld in het hoofdstuk over de aanvechting, maar ook over de verkiezing. Zou de opbrengst van vergelijking niet helderder zijn geweest, als deze alleen gemaakt zou zijn op het punt van de prediking van de Reformatie en de Nadere Reformatie?
Deze kritische vragen aangaande de methode nemen niet weg dat dit boek, waarin de auteur vele oude en nieuwe schatten uit onze rijke traditie voor ons heeft opgediept, een brede ontvangst en alle waardering verdient. Dat niet in het minst vanwege de wijze waarop wij hier, in de geestverwante analyse van De Reuver, via het getuigenis van zovele verschillende dienaren van het Woord van God mogen zien hoe het geloof leeft uit de bron van Gods genade. In één van de stellingen wordt de bekende uitspraak van Voetius bijval betuigd, dat godsvrucht met wetenschap verbonden moet zijn. Deze studie is een bewijs van de stelling: 'De hartslag van de ware godgeleerdheid is de godsvrucht'. Bij al het geestelijke goed eindigen we met een materiële mededeling: gezien het vele van de inhoud en de verzorgde wijze van uitgave is het boek zeer zeker niet duur te noemen. Het is de prijs meer dan waard. Hartelijk aanbevolen!
M.A. van den Berg, Groot Ammers
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's